In deze civiele procedure heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg. Tijdens de procedure in hoger beroep werd verstek verleend tegen geïntimeerde, die zich later alsnog stelde. Appellante kreeg meerdere malen uitstel om de memorie van grieven in te dienen, met een laatste termijn op 9 januari 2024.
Appellante heeft echter op die datum geen memorie van grieven ingediend en ook geen uitstel gevraagd. Daarom heeft de rolraadsheer ambtshalve een akte niet-dienen verleend. Omdat appellante geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep, kan zij niet worden ontvangen in het hoger beroep.
Het hof verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2024.