Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 september 2023;
- de akte van de zijde van [geïntimeerde] van 10 oktober 2023.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante stelde in hoger beroep dat zij onder invloed van een wilsgebrek de vaststellingsovereenkomst had gesloten, waarbij haar geestvermogens tijdelijk of blijvend waren gestoord. Zij voerde aan dat de overeenkomst nadelig voor haar was en dat het onaanvaardbaar was dat geïntimeerde zich erop beroept.
Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende had gesteld en geen bewijs had geleverd dat haar geestvermogens op het moment van het sluiten van de overeenkomst gestoord waren. De medische stukken waren te ver verwijderd van de datum van de overeenkomst en boden geen inzicht in haar wilsonbekwaamheid. Daarnaast was de overeenkomst niet per definitie nadelig omdat partijen juist onzekerheid wilden beëindigen.
Verder verwierp het hof het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen en het argument dat het onaanvaardbaar was dat geïntimeerde zich op de overeenkomst beroept. Het hof concludeerde dat appellante met de vaststellingsovereenkomst afstand had gedaan van haar bevoegdheid om het geschil in hoger beroep te laten beoordelen.
Daarom verklaarde het hof appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep wees het hof de eis van geïntimeerde tot volledige proceskostenvergoeding af wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht, maar veroordeelde appellante wel in de geliquideerde proceskosten van het principaal hoger beroep.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.