Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een belastingzaak. Tijdens de eerste zitting op 20 september 2024 stelde de gemachtigde van belanghebbende dat geen nota griffierecht was ontvangen. Het hof stemde toe om een nota te sturen en bepaalde dat bij niet tijdige betaling de zaak op 13 december 2024 zou worden behandeld.
De griffierechtnota werd op 26 september 2024 verstuurd, gevolgd door een herinneringsnota op 25 oktober 2024. Het griffierecht werd echter pas op 23 november 2024 ontvangen, te laat volgens de wettelijke termijn van vier weken na verzending van de herinneringsnota. Het hof verwierp het betoog dat de betalingstermijn pas op de dag van ontvangst van de herinneringsnota zou starten, omdat de termijn wettelijk op de dag van verzending aanvangt.
Belanghebbende voerde een beroep op betalingsonmacht aan, maar dit werd afgewezen wegens gebrek aan concrete motivering. Ook de stelling dat de griffierechtnota onduidelijk was, faalde omdat de nota voldoende informatie bevatte en het griffierecht uiteindelijk wel werd betaald. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het vonnis binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep werd gegeven.