Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 10113072 \ CV EXPL 22-4161)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven, tevens houdende een wijziging van eis;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord met producties 1 en 2;
- de door [appellant] genomen akte met productie 32 en nadere wijziging van eis;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.
3.De beoordeling
- a. Bij huurovereenkomst van 30 juni 2020 heeft [appellant] met ingang van 1 juli 2020 een commerciële ruimte, te weten een horecaruimte met bijbehorende parkeerplaats en terrasvoorziening aan [adres A] , verhuurd aan [geïntimeerde] .
- b. De horecaruimte was bij het aangaan van de huurovereenkomst ingericht als café. [appellant] en [geïntimeerde] hebben afgesproken dat [geïntimeerde] in het gehuurde wijzigingen zou (laten) aanbrengen en het in zou richten als restaurant / pizzeria (met afhaalfunctie).
- c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- d. In artikel 2.1 van de huurovereenkomst zijn de “Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro”, ROZ-model 2012, van toepassing verklaard.
- e. In die algemene bepalingen staat onder meer het volgende:
- h. De partijen hebben over diverse kwesties, die met de huurovereenkomst verband houden, geen overeenstemming bereikt.
- i. [appellant] heeft op 8 september 2022 enkele conservatoire beslagen gelegd ten laste van [geïntimeerde] .
- I. € 53.114,93, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;
- II. € 173,19, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de dag van de conclusie van repliek, en € 62,17 per maand met ingang van januari 2023;
- III. € 35.250,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de dag van de conclusie van repliek;
- IV. € 7.967,24 aan buitengerechtelijke kosten;
- I-A. € 1.212,33 aan met het door [geïntimeerde] uitgeoefende bedrijf samenhangende hogere premie voor de opstalverzekering, over de periode tot en met september 2022;
- I-B. € 152,40 aan loodgieterskosten voor het onderzoek van een gebrek aan de riolering;
- I-C. € 121,-- aan kosten van herkeuring van de door [geïntimeerde] in het gehuurde aangelegde elektra;
- I-D. € 50.750,-- aan met ingang van 1 maart 2022 verbeurde contractuele boete (203 dagen maal € 250,--) wegens het niet laten onderhouden van de verwarmingsinstallatie;
- I-E. € 629,20 aan kosten van keuring van de door [geïntimeerde] in het gehuurde aangelegde nieuwe gasleidingen;
- I-F. € 250,-- als koopsom voor door [geïntimeerde] van [appellant] gekochte terrasschotten.
- De vordering van [appellant] ter zake hogere premie voor de opstalverzekering (hof: vordering I-A ten bedrage van € 1.212,33 en vordering II ten bedrage van € 173,19) is toewijsbaar (rov. 5.2 tot en met 5.4).
- Vordering I-B ten bedrage van € 152,40 aan loodgieterskosten is toewijsbaar (rov. 5.5 n 5.6).
- Vordering I-C ten bedrage van € 121,-- voor de herkeuring van de elektra is toewijsbaar (rov. 5.7 en 5.8).
- Het door [geïntimeerde] in verband met de gevorderde contractuele boete (vorderingen I-D en III) gevoerde verweer dat afgesproken is dat de verwarmingsinstallatie slechts eens per twee jaar gekeurd moest worden, wordt verworpen (rov. 5.12 en 5.13).
- [geïntimeerde] wordt in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij op 18 juni 2022 onderhoud aan de verwarmingsinstallatie heeft laten uitvoeren (rov. 5.15 en 5.16).
- [geïntimeerde] is ter zake het onderhoud van de verwarmingsinstallatie pas bij brief van 15 april 2022 in gebreke gesteld waarbij hem een termijn van een week is gesteld. De boete kan daarom niet eerder dan per 23 april 2022 zijn verbeurd (rov. 5.17).
- Na de bewijslevering zal de kantonrechter het beroep van [geïntimeerde] op matiging van de boete beoordelen (rov. 5.18).
- Vordering I-E ten bedrage van € 629,20 aan kosten van keuring van de door [geïntimeerde] in het gehuurde aangelegde nieuwe gasleidingen wordt afgewezen (rov. 5.19 en 5.20).
- De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht ter zake geurhinder (hof: vordering V) is niet toewijsbaar (rov. 5.21 en 5.22).
- Vordering I-F ten bedrage van € 250,-- voor de terrasschotten wordt afgewezen (rov. 5.23 tot en met 5.25).
- In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 5.27).
- Omdat [geïntimeerde] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid bewijs te leveren, moet in beginsel geoordeeld worden dat hij wegens het niet onderhouden van de verwarmingsinstallatie per 23 april 2022 een boete van € 250,-- per dag is verschuldigd (rov. 2.1 tot en met 2.3).
- In dit geval leidt onverkorte toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. De kantonrechter zal de boete, rekening houdend met de feiten en omstandigheden van dit geval, matigen tot € 5.000,-- (rov. 2.4 tot en met 2.7).
- De vordering ter zake buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen omdat [appellant] niet heeft gesteld dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht (rov. 2.9).
- Omdat beide partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de beslag- en verdere proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt (rov. 2.10).
- € 6.658,92, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag met ingang van 28 september 2022;
- met ingang van 1 januari 2023 maandelijks € 62,17 ter zake hogere premie voor de opstalverzekering.
- € 1.212,33 en van € 173,19 ter zake hogere premie voor de opstalverzekering (vorderingen I-A en II);
- € 152,40 ter zake loodgieterskosten (vordering I-B);
- € 121,-- ter zake herkeuring elektra (vordering I-C);
- € 5.000,-- ter zake gematigde contractuele boete (vorderingen I-D en III).
- veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 86.000,-- te voldoen ter zake contractuele boete (hof: € 50.750,-- ter zake vordering I-D en € 35.250,-- ter zake vordering III), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2023;
- veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 7.967,24 te voldoen ter zake buitengerechtelijke kosten (hof: vordering IV);
- te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] gehouden is de huurovereenkomst na te komen en geen geurhinder mag veroorzaken (hof: vordering V);
- over de volledige contractuele boete wordt nu de wettelijke rente gevorderd vanaf 9 februari 2023, zijnde één dag na de conclusie van repliek;
- [appellant] vordert niet langer veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van beslagkosten. Het hof tekent hierbij aan dat beslagkosten niet onder de proceskosten vallen, maar een aparte wettelijke grondslag hebben in artikel 706 Rv Pro.
- € 1.212,33 en € 173,19 ter zake hogere premie voor de opstalverzekering (vorderingen I-A en II);
- € 152,40 ter zake loodgieterskosten (vordering I-B);
- € 121,-- ter zake herkeuring elektra (vordering I-C).
- zijn vordering van € 629,20 aan kosten van keuring van de door [geïntimeerde] in het gehuurde aangelegde nieuwe gasleidingen (vordering I-E);
- zijn vordering van € 250,-- ter zake de terrasschotten (vordering I-F).
- de door grief 2 aan de orde gestelde vordering tot afgifte van een verklaring voor recht (vordering V);
- de door grief 4 aan de orde gestelde vordering ter zake buitengerechtelijke kosten (vordering IV).
- Volgens artikel 31 van Pro de algemene bepalingen kan de huurder pas een boete verbeuren nadat hij behoorlijk in gebreke is gesteld.
- [geïntimeerde] is pas bij brief van 15 april 2022 in gebreke gesteld. Bij die brief is hem een week gegeven om de huurovereenkomst in alle opzichten correct na te komen.
- De contractuele boete kan dus niet eerder dan per 23 april 2022 zijn verbeurd.
“(…) dit zal op korte termijn door U moeten gebeuren”. Deze bewoordingen voldoen, naar het oordeel van het hof, niet aan de aan een ingebrekestelling te stellen eisen, alleen al niet nu zij geen concrete en duidelijke termijn geven, waarbinnen de prestatie volgens [appellant] verricht moet worden. Het hof verwerpt daarom grief 1.
- (i) gehouden is om de huurovereenkomst na te komen, en:
- (ii) geen geurhinder mag veroorzaken.
- € 50.750,-- over de periode van 1 maart 2022 tot en met 19 september 2022 (vordering I-D);
- € 22.750,-- over de periode van 20 september 2023 tot en met 20 december 2023 (vordering III-2)
- Het boetebeding is niet opgenomen in de overeenkomst maar in de algemene bepalingen. Dit betreft een standaard-tekst waarover partijen voor of bij het sluiten van de overeenkomst niet hebben gesproken of onderhandeld. Gesteld noch gebleken is dat het boetebeding bij het aangaan van de overeenkomst op voldoende duidelijke wijze onder de aandacht van [geïntimeerde] is gebracht.
- Het boetebeding is niet gemaximeerd. Daardoor kan de verbeurde boete tot een aanzienlijk bedrag oplopen.
- De boete is volgens het boetebeding gesteld op het overtreden van diverse uiteenlopende voorschriften die in de algemene voorwaarden zijn neergelegd. Het boetebeding is daardoor niet erg specifiek en niet specifiek toegesneden op de situatie van het te laat laten verrichten van een jaarlijkse keuring van de verwarmingsinstallatie.
- Voordat [geïntimeerde] de verwarmingsinstallatie op 19 september 2022 heeft laten onderhouden, is de installatie op 27 augustus 2020 onderhouden (blz. 3 van het inspectierapport van Parkstad Inspecties van 28 maart 2022). Er is tussen beide onderhoudsbeurten dus ruim twee jaar verstreken terwijl volgens blz. 9 van het genoemde rapport het onderhoud jaarlijks moet plaatsvinden. Het daarop volgende onderhoud heeft op 20 december 2023 plaatsgevonden, derhalve na een periode van vijftien maanden. Er is echter niet voldoende gebleken dat de instructie om het onderhoud jaarlijks te laten plaatsvinden bij aanvang van de huurovereenkomst duidelijk onder de aandacht van [geïntimeerde] is gebracht.
- Uit het genoemde inspectierapport volgt verder dat de installatie ten tijde van de inspectie aan de gestelde eisen voldeed en dat alleen een klein aantal aandachtspunten hij de volgende keuring in orde diende te worden gebracht. Er is niet concreet is gesteld of gebleken dat zich een brandgevaarlijke situatie heeft voorgedaan.
- Evenmin is gebleken dat [appellant] door de nalatigheid van [geïntimeerde] om de verwarmingsinstallatie tijdig te laten onderhouden, enige schade heeft ondervonden.
- vordering I-E van [appellant] ten bedrage van € 629,20 aan kosten van keuring van de door [geïntimeerde] in het gehuurde aangelegde nieuwe gasleidingen geheel is afgewezen;
- vordering I-F van [appellant] ten bedrage van € 250,-- ter zake de terrasschotten geheel is afgewezen;
- vordering IV van [appellant] ter zake buitengerechtelijke kosten slechts voor een beperkt deel is toegewezen en grotendeels is afgewezen;
- vorderingen I-D en III-2 van [appellant] ter zake contractuele boete slechts voor een relatief gering deel zijn toegewezen en voor het overgrote deel zijn afgewezen.
- de onder V gevorderde verklaring voor recht geheel is afgewezen;
- vordering IV ter zake buitengerechtelijke kosten geheel is afgewezen.
- verklaren voor recht dat [geïntimeerde] (i) in beginsel gehouden is om de huurovereenkomst na te komen, en (ii) met de door hem in het gehuurde geëxploiteerde pizzeria geen ontoelaatbare geurhinder mag veroorzaken;
- [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] ter zake buitengerechtelijke kosten € 707,95 te voldoen.
4.De uitspraak
- de onder V gevorderde verklaring voor recht geheel is afgewezen;
- vordering IV ter zake buitengerechtelijke kosten geheel is afgewezen.
- verklaart voor recht dat [geïntimeerde] (i) in beginsel gehouden is om de huurovereenkomst na te komen, en (ii) met de door hem in het gehuurde geëxploiteerde pizzeria geen ontoelaatbare geurhinder mag veroorzaken;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] ter zake buitengerechtelijke kosten € 707,95 te betalen, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;