Uitspraak
8.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het onder zaaknummer 200.281.965/01 gewezen tussenarrest van 18 juli 2023;
- de door [appellant] genomen akte na tussenarrest met één productie;
- de door [geïntimeerde] genomen (antwoord)akte na tussenarrest;
- het ambtshalve royement van de zaak (zaaknummer 200.281.956/01) op 24 oktober 2023, omdat partijen niet overeenkomstig artikel 5.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven de (aanvullende) procesdossiers hebben overgelegd;
- de rol-/archiefkaart in zaak 200.281.965/02, waaruit blijkt dat [appellant] de zaak op 8 april 2025 weer heeft geïntroduceerd, waarna [appellant] op 22 april 2025 het procesdossier heeft overgelegd.
9.De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
- [appellant] is geslaagd in het bewijs dat Vermeeren de beide versies van de huurovereenkomst heeft ondertekend en van een stempel van [geïntimeerde] heeft voorzien. Dit breng mee dat [appellant] ook is geslaagd in het bewijs dat partijen de toepasselijkheid van Duits recht zijn overeengekomen (rov. 6.3.14). Het hof verwerpt daarom grief 1 in incidenteel hoger beroep (rov. 6.4.1). Het voorgaande brengt mee dat op het geschil tussen partijen over de opzegging van de huurovereenkomst en over de oplevering van het gehuurde aan het eind van de huurperiode, in beginsel Duits recht van toepassing is (rov. 6.4.2.).
- Het beroep van [geïntimeerde] op de artikelen 3 lid 3, artikel 9 lid 2 en Pro artikel 11 lid 3 van Pro de Verordening (EG) Nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) leidt niet tot een ander oordeel over het toepasselijk recht. Het hof verwerpt daarom de grieven 2, 3 en 4 in incidenteel hoger beroep (rov. 6.6.1 tot en met 6.8.5).
- Vordering I ter zake achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017 is toewijsbaar tot een bedrag van (4,5 maal € 2.200,-- is) € 9.900,--. Grief 5 in incidenteel hoger beroep heeft dus ten dele doel getroffen (rov. 6.9.1 tot en met 6.9.6).
- Nadat ook is vastgesteld welk bedrag [geïntimeerde] als schadevergoeding voor de aan het gehuurde toegebrachte schade aan [appellant] verschuldigd is, zal het hof het bedrag van de betaalde waarborgsom van € 5.400,-- op de vordering van [appellant] in mindering brengen. Ook in zoverre heeft grief 5 in incidenteel hoger beroep doel getroffen (rov. 6.9.7 en 6.9.8).
- Het beroep van [geïntimeerde] op verjaring van de door [appellant] ingestelde vordering II, strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 31.116,79 wegens de kosten van herstel van tijdens de huurperiode door werknemers van [geïntimeerde] aan het gehuurde toegebrachte schade, is in het tussenarrest van 17 mei 2022 verworpen. De grief in principaal hoger beroep heeft dus doel getroffen, zodat het hof nader moet oordelen over vordering II (rov. 6.10.1 tot en met 6.11.1).
- Vordering II strekt tot betaling van een schadevergoeding van € 31.116,79, en niet tot betaling van € 32.116,79, welk bedrag genoemd is op de factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] (rov. 6.11.2).
- Op vordering II is Duits recht van toepassing (rov. 6.12.1 tot en met 6.12.3).
- [appellant] is erin geslaagd om te bewijzen dat het gehuurde zich bij de aanvang van de huurovereenkomst in goede staat bevond (rov. 6.13.1 tot en met 6.13.7).
- de kamers op de begane grond;
- de badkamer op de begane grond;
- de binnenplaats en de hal;
- het appartement op de tweede verdieping;
- het trappenhuis van de tweede verdieping;
- de kamers op de zolderverdieping.
- de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 12.150,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode van 1 juni 2017 tot 15 oktober 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de sommatie (de sommatie ter zake de huurpenningen);
- de afwijzing van het door [appellant] meer of anders gevorderde.
- [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] € 9.900,-- te voldoen ter zake achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017 (zie hiervoor, rov. 9.1, derde gedachtestreepje), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag van de sommatie ter zake de achterstallige huurpenningen (vordering I);
- [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] € 21.716,79 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 juni 2018 (vordering II).
- Explootkosten € 106,47
- Griffierechten € 760,--
- Salaris advocaat € 5.498,50 (3,5 punt(en) x tarief III, waarbij het hof
10.De uitspraak
- de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 12.150,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode van 1 juni 2017 tot 15 oktober 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de sommatie (ter zake de huurpenningen);
- de afwijzing van het door [appellant] meer of anders gevorderde;
- € 9.900,-- ter zake achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag van de sommatie ter zake de achterstallige huurpenningen (vordering I);
- € 21.716,79 ter zake kosten van herstel van het gehuurde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 juni 2018;