Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 21 november 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 3 april 2024;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulieren van 31 maart 2025 en 3 april 2025 door [appellant] toegezonden aktes houdende overlegging producties, die [appellant] bij mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;
- de bij H-formulier van 3 april 2025 door [geïntimeerden] toegezonden brief met producties, die [geïntimeerden] bij mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht.
6.De beoordeling
- Het bedrag dat u wilt lenen € 841.115,00
- Het bedrag dat wordt gebruikt voor overbrugging € 505.880,00
- Het bedrag dat u zelf wilt inleggen € 47.500,00”;
- de vraag of [appellant] een beroep kan doen op het financieringsvoorbehoud (grieven 1-7 in het principale hoger beroep en grieven 1 en 2 in het incidentele hoger beroep);
- de vraag of [geïntimeerden] de koopovereenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden (grieven 8 en 9 in het principale hoger beroep);
- het beroep van [appellant] op matiging van de contractuele boete en aanvullende schadevergoeding (grieven 10 en 11 in het principale hoger beroep), en
- de vraag of [appellant] in de werkelijke proceskosten moet worden veroordeeld (grief 3 in het incidentele hoger beroep).
Parl. Gesch. Boek 6, blz. 449) noopt de in die bepaling neergelegde maatstaf ertoe dat de rechter met terughoudendheid gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen (Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2913). Ook voor de bevoegdheid tot matiging van een contractuele boete geldt dat de rechter terughoudend moet zijn bij de toepassing daarvan. De in artikel 6:94 BW Pro opgenomen maatstaf dat voor matiging van de bedongen boete slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638).
- Salaris advocaat € 607.- (0,5 x 1 punt x tarief II)
- Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de