Belanghebbende, woonachtig in Nederland in 2015 en werkzaam als bemanningslid op zeeschepen, kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen opgelegd door de inspecteur. Deze aanslag werd aangevochten, maar zowel de rechtbank als het hof verklaarden het beroep ongegrond.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende het gehele jaar 2015 premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen en of sprake was van een kenbare fout die navordering rechtvaardigt. Het hof oordeelde dat belanghebbende als ingezetene premieplichtig is en dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op hem van toepassing is, mede gelet op de Verordening (EG) 883/2004 en de detachering van belanghebbende.
Daarnaast stelde het hof vast dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd omdat de oorspronkelijke aanslag een fout bevatte die redelijkerwijs kenbaar was voor belanghebbende. De te weinig geheven belasting bedroeg meer dan 30 procent, waardoor navordering zonder boete mogelijk was. Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.