Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep na verwijzing
- het oproepingsexploot van 29 januari 2024;
- de memorie na verwijzing van [appellant] van 13 februari 2024 met productie 1;
- de antwoordmemorie na verwijzing van [geïntimeerde] van 26 maart 2024 met producties 1 tot en met 6;
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2025, waarbij de advocaat van [geïntimeerde] een pleitnota heeft overgelegd.
3.De beoordeling
- het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2020, zoals verbeterd bij het arrest van 20 april 2021, vernietigd;
- het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof (het gerechtshof ’s-Hertogenbosch);
- de kosten van het geding in cassatie gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
grief 4van [appellant] te behandelen, waarin hij aanvoert dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met erfrechtelijke verkrijgingen en schenkingen alleen rekening kan worden gehouden voor zover deze nog aanwezig zijn op de peildatum. Hij stelt dat het gehele bedrag dat hij heeft verkregen aan erfrechtelijke verkrijgingen en schenkingen (in totaal € 131.201,81) integraal aan hem dient toe te komen en dus ten gunste van hem in mindering had moeten worden gebracht op het te verrekenen vermogen.
“geen vergoedingsrecht voortvloeit voor goederen die niet meer op de peildatum aanwezig zijn”. Dit in aanmerking nemende kan [appellant] zich enkel beroepen op een vergoedingsrecht als dit is opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. In dit geval is in de artikelen 6 en 8 (kosten van de huishouding) van de huwelijkse voorwaarden een regeling getroffen voor een vergoedingsrecht, waarbij het aan (in dit geval) [appellant] is om aan te tonen dat hij op grond van een van deze bepalingen een vergoedingsrecht heeft. Dit brengt mee dat enkel indien [appellant] stelt en bewijst dat vermogen is onttrokken aan zijn eigen vermogen, waarmee het vermogen van [geïntimeerde] is gebaat, dit kan leiden tot een vergoedingsvordering als bedoeld in art. 6 huwelijkse Pro voorwaarden. [appellant] heeft geen eigen vermogen onttrokken ten bate van [geïntimeerde] tijdens het huwelijk (met andere woorden: [appellant] heeft tijdens het huwelijk geen vermogen overgeheveld naar [geïntimeerde] en ook niet naar gemeenschappelijk vermogen), zodat op dat moment ook geen vergoedingsrecht kon ontstaan. Artikel 6 ziet Pro op de situatie dat er daadwerkelijk vermogen overgaat van [appellant] naar [geïntimeerde] (vergelijk huidig art. 1:87 BW Pro). Dat is niet gebeurd. Als art. 6 op Pro deze situatie al van toepassing is, geldt dit enkel voor de meerwaarde van de investering van [appellant] in zijn woning, waarvan de meerwaarde door de rechtbank is vastgesteld op € 27.000,--. Een andere uitleg zou ook bezwaarlijk en onredelijk zijn, aangezien [geïntimeerde] geen enkele beschikking had over vermogen danwel uitgaven van [appellant] (zowel de erfenis als de woning behoorde immers niet tot haar vermogen).
hofoverweegt als volgt.
Vergoedingsrecht op basis van uitleg van de huwelijkse voorwaarden
“een nieuwe brievenbus, nieuwe kozijnen, een nieuwe schutting, nieuw straatwerk, nieuwe palen voor een waslijn het laten repareren van dakgoten” “nu eenmaal eens in de zoveel jaar vernieuwd [moeten] worden”en dat deze niet tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [geïntimeerde] aldus de onderbouwde stellingen van [appellant] betreffende de waardevermeerdering van de woning ten gevolge van de renovatie, onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij deze stand van zaken is een deskundigenonderzoek niet aan de orde.
hofoverweegt als volgt.
hofstelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] in zijn arrest van 17 november 2020, verbeterd bij arrest van 20 april 2021, heeft geoordeeld dat de gehele waarde van de polis met nummer [polisnummer A] van € 52.585,19 in de verrekening moet worden betrokken. Van dit oordeel is [appellant] niet in cassatie gekomen, zodat dit hof van die te verrekenen waarde uit zal gaan bij de beoordeling van onderhavige grief over de Spaargarantverzekeringen.
hofoverweegt als volgt.