Appellant stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg. Tijdens de procedure overleed appellant, waarna zijn erfgenamen verzochten om schorsing van de procedure om zich te beraden over het vervolg. Gezien het verzoek van ABP om de zaak te hervatten, dienden de erfgenamen later mee te delen niet verder te willen procederen.
Het hof concludeerde dat appellant niet langer de grieven handhaafde en dat ABP geen incidenteel appel wenste in te stellen. Hierdoor werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Ten aanzien van de proceskosten oordeelde het hof dat geen aanleiding bestond af te wijken van de gebruikelijke kostenveroordeling.
Het hof veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat van ABP. Dit arrest werd op 4 februari 2025 uitgesproken door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.