Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:264

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
4 februari 2025
Zaaknummer
200.343.135_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 sub a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep na overlijden appellant in civiele procedure tegen pensioenfonds

Appellant stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg. Tijdens de procedure overleed appellant, waarna zijn erfgenamen verzochten om schorsing van de procedure om zich te beraden over het vervolg. Gezien het verzoek van ABP om de zaak te hervatten, dienden de erfgenamen later mee te delen niet verder te willen procederen.

Het hof concludeerde dat appellant niet langer de grieven handhaafde en dat ABP geen incidenteel appel wenste in te stellen. Hierdoor werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Ten aanzien van de proceskosten oordeelde het hof dat geen aanleiding bestond af te wijken van de gebruikelijke kostenveroordeling.

Het hof veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat van ABP. Dit arrest werd op 4 februari 2025 uitgesproken door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Appellant werd niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.135/01
arrest van 4 februari 2025
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. H. van Meerten te 's-Gravenhage,
tegen
Stichting Pensioenfonds ABP,
statutair zetelend te Heerlen,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als ABP,
advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 18 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 mei 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en ABP als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10731724 CV EXPL 23-4265)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
  • de memorie van grieven;
  • de akte aan de zijde van [appellant] ;
  • de antwoordakte van ABP;
  • het H8-formulier (doorhaling) van de zijde van [appellant] ;
  • het H16-formulier van de zijde van ABP;
  • het H16-formulier van de zijde van [appellant] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Namens [appellant] is op 18 juni 2024 hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. [appellant] is [datum A] overleden. De erfgenamen van [appellant] hebben verzocht de hoger beroepsprocedure ex artikel 225 lid 1 sub a Rv Pro tijdelijk te schorsen, zodat zij zich konden beraden over het vervolg van de procedure. Daarop heeft ABP bij akte bericht dat zij ervan uitgaat dat de procedure (tijdelijk) is geschorst. ABP heeft het hof aansluitend verzocht de zaak te hervatten, zodat zij een memorie van antwoord in kan dienen. Vervolgens hebben de erfgenamen op de rol van 17 december 2024 het hof bericht dat zij niet verder willen procederen. Gelet op dat bericht verzoekt ABP het hof om bij arrest een veroordeling in de kosten uit te spreken waaronder het griffierecht. De erfgenamen verzoeken het hof geen proceskostenveroordeling toe te wijzen en de kosten tussen partijen te compenseren, gelet op het feit dat ABP geen verweer heeft gevoerd.
3.2.
Het hof begrijpt uit de mededeling namens [appellant] dat [appellant] niet verder wenst te procederen en de grieven tegen het bestreden vonnis niet langer handhaaft. ABP, zo begrijpt het hof, wenst geen incidenteel appel in te stellen. Dat betekent dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.
3.3.
Het hof ziet in hetgeen namens [appellant] is aangevoerd over de proceskosten geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke proceskostenvergoeding. Het hof zal [appellant] dan ook veroordelen in de proceskosten zoals in het dictum is vermeld.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van ABP tot aan deze uitspraak begroot op € 798,00 aan griffierecht en op € 607,00 (0,5 punt x tarief II) aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 februari 2025.
griffier rolraadsheer