ECLI:NL:GHSHE:2025:2703

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
23/1047
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:75 AwbWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken recente volmacht in WOZ-zaak

De heffingsambtenaar van de gemeente Bladel stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast en legde een aanslag onroerendezaakbelastingen op voor 2021. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door de heffingsambtenaar en later door de rechtbank Oost-Brabant. Tegen deze uitspraak stelde de gemachtigde van een kantoor namens belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.

Het hof vroeg de gemachtigde om een recente volmacht te overleggen, omdat de overgelegde machtiging van 5 april 2021 algemeen was geformuleerd en niet duidelijk maakte dat het kantoor bevoegd was om het hoger beroep in te stellen. Tevens waren er in andere zaken twijfels gerezen over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het kantoor. De gemachtigde reageerde niet op het verzoek om een nieuwe volmacht.

Het hof concludeerde dat de gemachtigde niet bevoegd was om het hoger beroep in te stellen en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen griffierecht vergoed en geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door raadsheer C.W.M.M. Verkoijen en griffier J.H.M. van Ooijen op 1 oktober 2025.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een recente volmacht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1047
Uitspraak op het door [gemachtigde] op naam van [belanghebbende] ingestelde hoger beroep
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juni 2023, nummer SHE 21/3071, in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Bladel,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
[gemachtigde] van [naam kantoor] (hierna: de gesteld gemachtigde dan wel [naam kantoor] ) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
De gesteld gemachtigde heeft op 26 juli 2023 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Als bijlage bij het hogerberoepschrift is een machtiging van belanghebbende opgenomen die is ondertekend op 5 april 2021 en waarbij aan de gesteld gemachtigde een volmacht wordt verleend “om hem of haar te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”. In de machtiging staat verder het volgende opgenomen:

Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:
- Het indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger) beroep of cassatie, al dan niet bij wege van voorlopige voorziening, en het nemen van besluiten in deze procedures;
- Het indienen van een verzoek tot het uitkeren van proceskostenvergoeding aan [naam kantoor] B.V.
- Het bijwonen van uw (hoor-)zitting en daarbij namens u het woord voeren
- Het in gebreke stellen van bestuursorganen en de eventuele dwangsom verbeuren
- Het in ontvangst nemen van besluiten, die in het kader van de procedure kunnen worden genomen
- Het indienen van een verzoek tot controle van eerder opgelegde WOZ-beschikkingen en daarmee samenhangende lokale heffingen
- Al datgene te doen wat gevolmachtigde nuttig of noodzakelijk acht voor volmachtgever
Dit alles met het recht van substitutie, wat wil zeggen dat onder meer samenwerkingspartners van [naam kantoor] B.V. ook namens volmachtgever op mogen treden.”
2.2.
Op 11 juni 2025 heeft het hof het volgende bericht aan de gesteld gemachtigde gestuurd:
“In de zaak BK-SHE 23/1047 heeft u een machtiging overgelegd van 5 april 2021. Onder verwijzing naar eerdere correspondentie met ons hof, zoals de brief van 5 december 2024, verzoek ik u een recente volmacht te overleggen dan wel een schriftelijke bevestiging van belanghebbende waaruit blijkt dat belanghebbende akkoord is met het instellen van hoger beroep door [naam kantoor] . De volmacht mag niet ouder zijn dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep. Ik verzoek u bovenstaande stukken binnen vier weken (
uiterlijk 9 juli 2025) aan te leveren. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt.”

3.Beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid
3.1.
Op grond van artikel 8:24, lid 2 in samenhang met artikel 8:108, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe bevoegd is.
3.2.
Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd. [1]
3.3.
Het hof heeft de gesteld gemachtigde in deze procedure op 11 juni 2025 het onder 2.2. genoemde bericht gestuurd. Het hof is hiertoe overgegaan omdat:
(1) in diverse andere zaken [2] waarin [naam kantoor] als (gesteld) gemachtigde optrad twijfels zijn gerezen over de bevoegdheid van [naam kantoor] om namens de desbetreffende belanghebbende (hoger) beroep in te stellen; en
(2) de machtiging van 5 april 2021 (zie 2.1.) algemeen geformuleerd is en niet vermeldt voor welke
‘aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)’[naam kantoor] gemachtigd is.
3.4.
De gesteld gemachtigde is door het hof in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een termijn van vier weken te herstellen door een recente volmacht te overleggen dan wel een schriftelijke bevestiging van belanghebbende waaruit blijkt dat belanghebbende akkoord is met het instellen van hoger beroep door [naam kantoor] . De gesteld gemachtigde heeft de gevraagde recente volmacht niet overgelegd en heeft ook overigens in het geheel niet op het onder 2.2. genoemde bericht gereageerd. Het hof gaat er daarom van uit dat de gesteld gemachtigde niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen en het hof zal op die grond het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. De gesteld gemachtigde kon ook niet op eigen naam opkomen tegen de uitspraak van de rechtbank.
Tussenconclusie
3.5.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
3.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
3.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
J.H.M. van Ooijen C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.
2.Onder meer de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1648 en 24 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2670; het gerechtshof Den Haag van 26 september 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1915, ECLI:NL:GHDHA:2024:1916 en ECLI:NL:GHDHA:2024:1917 en het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1441).