In deze zaak heeft G. Gieben namens [X] een beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 februari 2023. De Hoge Raad heeft op 19 augustus 2024 de indiener verzocht om binnen vier weken een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroepschrift in cassatie in te dienen, dan wel een verklaring van degene namens wie het beroep is ingesteld dat deze daarmee instemt.
De indiener heeft echter niet voldaan aan dit verzoek. Op grond hiervan heeft de Hoge Raad geconcludeerd dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie in te stellen namens [X]. Daarom is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om de proceskosten aan de indiener op te leggen. Het arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2024.