ECLI:NL:GHSHE:2025:2780

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
23/1873 en 23/1874
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigheid en geen aftrek hypotheekrente voor woning in Duitsland

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland in 2018 en 2019, stelde zich op het standpunt kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te zijn en vroeg aftrek van hypotheekrente voor zijn Duitse woning. De inspecteur weigerde dit omdat belanghebbende geen inkomensverklaringen van de Duitse belastingautoriteiten overlegde, een vereiste volgens artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001.

Na afwijzing van bezwaar door de inspecteur en bevestiging daarvan door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in. Tijdens de procedure werd belanghebbende meerdere malen verzocht de inkomensverklaringen te overleggen, maar dit bleef uit. Het hof oordeelde dat zonder deze verklaringen niet aannemelijk is gemaakt dat aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht werd voldaan.

Het hof benadrukte dat de inkomensverklaring essentieel is om vast te stellen of belanghebbende in Duitsland als inwoner in de belastingheffing is betrokken en of zijn inkomen vrijwel geheel in Nederland wordt belast. Ook ontbraken stukken over de betaalde hypotheekrente. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1873 en 23/1874
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 november 2023, nummers BRE 21/5091 en 22/2456, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) voor de jaren 2018 en 2019 opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikkingen).
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1951 en woonde in 2018 en 2019 in Duitsland. Op 16 maart 2021 is belanghebbende vanuit Duitsland naar Nederland verhuisd. Hij heeft voor het laatst over het jaar 2017 aangifte in Duitsland gedaan. Voor de jaren 2018 en 2019 heeft belanghebbende geen aangifte in Duitsland gedaan.
2.2.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 een aangifte IB ingediend naar een belastbaar inkomen van € 54.130, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking in Nederland van € 57.483 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.353.
2.3.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2019 een aangifte IB ingediend naar een belastbaar inkomen van € 53.012, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking in Nederland van € 56.505 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.493.
2.4.
In de aangiften IB 2018 en 2019 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat hij kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
2.5.
De inspecteur heeft bij brieven van 18 april 2020 (voor het jaar 2018) respectievelijk 18 november 2021 (voor het jaar 2019) inkomensverklaringen als bedoeld in artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 opgevraagd, omdat belanghebbende deze niet bij zijn aangiften IB heeft verstrekt. Belanghebbende heeft daarop de door de inspecteur gevraagde inkomensverklaringen niet overgelegd.
2.6.
De inspecteur heeft belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur heeft daarom de in de aangiften IB 2018 en 2019 in aftrek gebrachte hypotheekrente niet op het inkomen in mindering gebracht en evenmin aan belanghebbende over die jaren heffingskorting verleend.
2.7.
Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door de inspecteur bij de aanslagen IB 2018 en 2019 vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 57.483 (2018) respectievelijk € 56.505 (2019). Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht.
2.8.
In de bezwaarfase is belanghebbende opnieuw verzocht om inkomensverklaringen voor de jaren 2018 en 2019 te overleggen. Belanghebbende heeft de inkomensverklaringen ook in de bezwaarfase niet overgelegd.
2.9.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog inkomensverklaringen in het geding te brengen. Dat is niet gebeurd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor een behandeling als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, en zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of belanghebbende recht heeft op aftrek van hypotheekrente. Niet in geschil is dat de Nederlandse pensioenuitkeringen volledig in Nederland belastbaar zijn.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen IB 2018 en 2019 conform de ingediende aangiften, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.130 respectievelijk € 53.012 en het verlenen van heffingskorting en tot dienovereenkomstige vermindering belastingrentebeschikkingen.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, moet worden voldaan aan de vereisten van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001:
“Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, (…) in de belastingheffing van die andere lidstaat (…) wordt betrokken en:
a. van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, of
b. van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting,
onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. (...)”
4.2.
Belanghebbende heeft, ondanks de herhaalde verzoeken van de inspecteur, geen inkomensverklaring als hiervoor bedoeld van de belastingautoriteit van Duitsland overgelegd. De inspecteur heeft belanghebbende gewezen op het ontbreken van de inkomensverklaring en hem in de gelegenheid gesteld om de vereiste inkomensverklaring alsnog te verstrekken. Ter zitting van de rechtbank is beslist dat de zaak één maand zal worden aangehouden, zodat belanghebbende de gelegenheid krijgt om de inkomensverklaring voor de jaren 2018 en 2019 aan de inspecteur te overleggen. Dat is niet gebeurd.
4.3.
Bij de beoordeling of belanghebbende kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is niet zonder meer doorslaggevend of een inkomensverklaring is verstrekt, mits op andere wijze aannemelijk wordt gemaakt dat aan alle (materiële) voorwaarden wordt voldaan om te kunnen worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Belanghebbende heeft dat echter niet aannemelijk gemaakt, met name ten aanzien van de eisen dat hij in Duitsland als inwoner in de heffing wordt betrokken en dat zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan loonbelasting of inkomstenbelasting. Daartoe is ten aanzien van belanghebbende immers van belang of, en zo ja, welk inkomen in Duitsland is genoten. De gevraagde inkomensverklaring was daartoe het aangewezen middel, maar ook overigens heeft belanghebbende daartoe geen stukken overgelegd. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat hij een (rechtstreeks) recht op persoonlijke tegemoetkomingen ontleent aan het Unierecht.
4.4.
Gelet op het vorenoverwogene voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, en heeft hij geen recht op aftrek in verband met zijn woning in Duitsland. Daarbij wordt ten overvloede overwogen dat belanghebbende, ondanks verzoeken daartoe, geen schriftelijke bescheiden in het geding heeft gebracht waaruit aannemelijk wordt hoeveel hypotheekrente hij ter zake van de eigen woning in Duitsland heeft betaald.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht
4.6.
Er zijn geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten dan wel teruggave van het betaalde griffierecht te gelasten.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond; en
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door P.J.J. Vonk, voorzitter, R.A. Bosman en E.P.A. Brakeboer in tegenwoordigheid van T. van Hout, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
T. van Hout P.J.J. Vonk
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.