Belanghebbende, woonachtig in Duitsland in 2018 en 2019, stelde zich op het standpunt kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te zijn en vroeg aftrek van hypotheekrente voor zijn Duitse woning. De inspecteur weigerde dit omdat belanghebbende geen inkomensverklaringen van de Duitse belastingautoriteiten overlegde, een vereiste volgens artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001.
Na afwijzing van bezwaar door de inspecteur en bevestiging daarvan door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in. Tijdens de procedure werd belanghebbende meerdere malen verzocht de inkomensverklaringen te overleggen, maar dit bleef uit. Het hof oordeelde dat zonder deze verklaringen niet aannemelijk is gemaakt dat aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht werd voldaan.
Het hof benadrukte dat de inkomensverklaring essentieel is om vast te stellen of belanghebbende in Duitsland als inwoner in de belastingheffing is betrokken en of zijn inkomen vrijwel geheel in Nederland wordt belast. Ook ontbraken stukken over de betaalde hypotheekrente. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.