Belanghebbende diende op 4 april 2014 zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2012 in, waarbij een belastbaar inkomen van €54.476 werd aangegeven. De aanslag werd vastgesteld op 17 oktober 2014. Op 23 januari 2019 maakte belanghebbende bezwaar tegen deze aanslag, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Vervolgens werd het bezwaar behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering, dat werd afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke vijfjaarstermijn.
Belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege ernstige persoonlijke en gezondheidsproblemen, waaronder de zorg voor zijn ernstig zieke vader tot diens overlijden in 2014 en zijn eigen ziekte vanaf 2017. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden niet tot verschoonbaarheid leiden, omdat belanghebbende na het verstrijken van de bezwaartermijn ruim drie jaar had om het verzoek in te dienen. Ook het voeren van gesprekken met de Belastingdienst en het ontbreken van tijdige bezwaar- of verminderingverzoeken maakten niet aannemelijk dat de termijnoverschrijding niet aan hem kon worden toegerekend.
Het hof concludeerde dat de inspecteur de aanslag terecht niet ambtshalve heeft verminderd en dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet aan de inspecteur opgelegd.