ECLI:NL:GHSHE:2025:3659

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
20-001228-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake poging tot zware mishandeling

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op 28 april 2023 in Oisterwijk met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer geschoten, waarbij het slachtoffer in zijn linker duim werd geraakt. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, en had de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis zou vernietigen en de verdachte zou veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, maar heeft de verdachte vrijgesproken van de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, maar ook geoordeeld dat er sprake was van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. De vordering tot schadevergoeding voor materiële schade is niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelast, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001228-24
Uitspraak : 18 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 mei 2024, met parketnummer 02-111572-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 10-094516-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2002,
volgens eigen opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding nietig verklaard voor zover deze betrekking heeft op het onder feit 3 tenlastegelegde en de verdachte ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijgesproken. De rechtbank heeft het onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: ‘poging tot zware mishandeling’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van een eerder, onder het parketnummer
10-094516-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.086,67, bestaande uit een bedrag van € 86,67 als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is ten aanzien van de meer gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de vordering wat betreft de meer gevorderde immateriële schade afgewezen. Voorts heeft de rechtbank ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk is aan de duur van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsstraf.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de inleidende dagvaarding nietig verklaard voor zover die betrekking heeft op het onder feit 3 tenlastegelegde. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de tenlastelegging onder feit 3 het wapen op geen enkele wijze is geconcretiseerd en, blijkens het dossier, een grote hoeveelheid wapens is aangetroffen, zodat onduidelijk is welk wapen in de tenlastelegging onder feit 3 wordt bedoeld.
In hoger beroep is in beginsel de gehele tenlastelegging weer aan de orde, dus ook het deel dat door de rechtbank nietig is verklaard.
Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie geen bezwaren heeft tegen de nietigverklaring van de inleidende dagvaarding door de rechtbank voor zover dit ziet op feit 3. De verdediging, noch het Openbaar Ministerie heeft er daarom kennelijk belang bij dat het onder feit 3 tenlastegelegde, ter zake waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de inleidende dagvaarding nietig is, wordt behandeld. Ook ambtshalve ziet het hof daartoe geen aanleiding, zodat het onder feit 3 tenlastegelegde in hoger beroep verder niet aan de orde is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, nu de tenlastelegging en aldus de grondslag van het onderzoek in hoger beroep is gewijzigd en, opnieuw rechtdoende, het – in hoger beroep gewijzigde – onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden onder het parketnummer 10-094516-22. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering en subsidiair, mocht het hof komen tot een (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering, dat het hof zal afzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering zal afwijzen. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding heeft de raadsman primair bepleit dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair heeft de raadsman verweer gevoerd op de vordering, zulks op de wijze als hierna is weergegeven, in welk verband de raadsman zich voorts heeft aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal dat het hof niet de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder feit 2 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging en aldus de grondslag van het onderzoek is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 april 2023 te Oisterwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in de richting van/op die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 april 2023 te Oisterwijk aan [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een uitgebreide, open botbreuk van basis `kootje’ van de linker duim, heeft toegebracht, door met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in de richting van/op die [slachtoffer] te schieten;
meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 april 2023 te Oisterwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in de richting van/op die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak primair (poging doodslag) en subsidiair (zware mishandeling) tenlastegelegde
Zowel de advocaat-generaal als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft zich voorts bij requisitoir op het standpunt gesteld dat het hof de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling bewezen zal verklaren. Ter onderbouwing van dat standpunt is – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de verdachte rakelings langs het slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij de door de verdachte afgevuurde kogel de linker duim van het slachtoffer heeft geraakt. Het daardoor ontstane letsel dient, gelet op de medische verklaring, de lange herstelperiode en de verklaring van het slachtoffer dat het kootje in de duim is verbrijzeld, te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Nu de verdachte in een kleine ruimte in de richting van het bewegende slachtoffer heeft geschoten, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer (op voormelde wijze) zou raken en deze zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, zodat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen daarvan.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hierna – in het kader van de bewijsoverwegingen – zal worden overwogen, is het hof op grond van wettige bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) heeft begaan en acht het hof bewezen dat de verdachte eenmaal met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten en dat de door de verdachte afgevuurde kogel daarbij het onderste kootje van de linker duim van het slachtoffer heeft doorboord, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] letsel aan zijn duim heeft opgelopen.
In navolging van het eerdere oordeel van de rechtbank en in lijn met de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zoals onder feit 1 primair aan hem is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, het hof – nu, naar het oordeel van het hof, bewijs voor vol opzet ontbreekt – in de eerste plaats dient te beoordelen of de aanmerkelijke kans bestond op de dood van het slachtoffer. Hoewel uit het dossier en de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte eenmaal in de richting van het slachtoffer heeft geschoten, is het hof van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld noch daaruit kan worden afgeleid dat in deze specifieke zaak een aanmerkelijke kans bestond op de dood van het slachtoffer. Meer in het bijzonder bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot vaststellingen omtrent de aanmerkelijke kans op het ontstaan van een levensbedreigende schotverwonding aan een vitaal lichaamsdeel van het slachtoffer. De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
In afwijking van het standpunt van de advocaat-generaal, is het hof voorts van oordeel dat het letsel aan de duim van het slachtoffer in casu niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het meer subsidiair tenlastegelegde. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat artikel 82 Wetboek van Strafrecht een opsomming bevat van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Echter, gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan bezwaarlijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt. In zijn rechtspraak heeft de Hoge Raad enkele algemene gezichtspunten aangedragen voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, te weten de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel kan volgens de Hoge Raad ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, rov. 2.1.-2.4.).
Uit de medische verklaring in het dossier blijkt dat sprake is geweest van een intree en uittree wond aan de linker duim van het slachtoffer, met daarbij een uitgebreide open botbreuk aan het basiskootje van de duim met mogelijk zenuwschade. De arts beschrijft in de verklaring dat er een reële kans is op levenslange stijfheid van het gewricht tussen het middenhandsbeentje en duim.
Hoewel blijkens de letselverklaring mogelijk sprake is van zenuwschade en dat er een reële kans bestaat op levenslange stijfheid van het gewricht tussen het middenhandsbeentje en duim, kan op grond van de stukken in het dossier niet worden vastgesteld of en in hoeverre er sprake is van verder herstel van het opgelopen letsel en/of de reële kans op blijvende schade nog steeds aanwezig is. Het hof merkt daarbij op dat het slachtoffer niet bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig was en geen nadere stukken voor wat betreft het herstel en de toekomstverwachting zijn ingediend. De geneeskundige verklaring dateert van 9 mei 2023. Ook anderszins is onvoldoende informatie voorhanden in het dossier om tot nadere vaststellingen te komen omtrent de noodzaak en aard van medisch ingrijpen, het uitzicht op (volledig) herstel en het al dan niet bestaan van (enige) restschade. Uit het onderzoek is niet genoegzaam gebleken dat de verdachte – anders dan dat de duim behandeld is met gips – aan het letsel is geopereerd en evenmin is gebleken dat het slachtoffer (langdurig) door het letsel (ernstig) is gestoord in dagelijkse bezigheden. De enkele geconstateerde openbotbreuk en de geschatte duur van het herstel (hoewel dit op zichzelf ruim is) is – in het licht van het bovenstaande en het vorenoverwogene – niet zonder meer voldoende om het oordeel te dragen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het voorgaande betekent aldus dat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 28 april 2023 te Oisterwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen eenmaal in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, Districtrecherche Hart van Brabant, onderzoek ‘Fredonia’ opgesteld door verbalisant van politie [verbalisant 1] , gesloten 2 oktober 2023, registratienummer: PL200-2023105421, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 1174. De inhoud van de bewijsmiddelen is – waar nodig – zakelijk en samengevat weergegeven:
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2023 (dossierpagina’s 475 tot en met 477), met fotobijlage (dossierpagina 478), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op vrijdag 28 april 2023, omstreeks 21.06 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 2] samen met
politieambtenaar [verbalisant 3] belast met een handhaving dienst binnen het teamgebied de
Groene Beemden, district Hart van Brabant eenheid Zeeland en West-Brabant. Wij kregen van het operationeel centrum de melding om te gaan naar [adres 2] . Aanrijdend hoorde ik van de centralist dat er mogelijk een gewonden was. Rond 21.16 uur, kwam ik samen met politieambtenaar [verbalisant 3] ter plaatse op de genoemde locatie.
Na enkele minuten kwam er een personenauto het parkeerterrein opgereden. Het kenteken
van de personenauto was de [kenteken] . Ik zag dat er een persoon in de personenauto zat
de auto bestuurde. Ik zag dat hij zijn raam opendeed. Ik hoorde van hem dat wij voor hem kwamen. Ik vroeg aan hem of hij zojuist was beschoten met een vuurwapen. Ik zag dat hij zijn linker duim liet zien en ik zag dat er een gat zat. Ik hoorde van hem dat iemand zojuist in zijn duim had geschoten. Hij gaf op te zijn: [slachtoffer] van [geboortedag 2] 1992. Ik had foto’s gemaakt van de verwonding van [slachtoffer] en bij dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd.
2.
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 9 mei 2023 (dossierpagina 215), voor zover inhoudende als verklaring van [naam] , trauma chirurg:
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedag 2] 1992
Geboorteplaats: [geboorteplaats 2] in Nederland

Beschrijving van het letsel:

Intree en uitree wond op de hand links.
Is er sprake van niet uitwendig waarneembaar letsel: ja
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 28 april 2023
Uitgebreide (open) botbreuk van basis ‘kootje’ van de duim met mogelijk zenuwschade. Reële kans op levenslange stijfheid van het gewricht tussen middenhandsbeentje en duim.
Geschatte duur van genezing: 1 jaar.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] d.d. 6 maart 2024 (los gevoegd), met aangehechte bijlage, welke hierna is weergegeven:
Voordat [slachtoffer] iets kon doen, had ik een wapen gepakt en heb ik hem daarmee geslagen. Ik sloeg hem en hij ging naar achteren en belandde net bij de deur. [slachtoffer] viel en ik schoot naar de zijkant.
Als bijlage 1 wordt aan dit proces-verbaal van verhoor gehecht een situatieschets waar de
personen stonden in de loods.
(…) waar ik denk te hebben gestaan wordt aangegeven met ‘X’. [slachtoffer] wordt aangegeven met ‘K’. [betrokkene] wordt aangegeven met ‘M’ De schietrichting wordt met een zigzaglijntje aangegeven.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft de raadsman – samengevat en op de gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft immers niet in de richting van [slachtoffer] geschoten, maar naar achteren, van [slachtoffer] af, zulks bijna in tegenovergestelde richting. Mocht het hof desalniettemin oordelen dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel wel heeft bestaan, dan heeft de verdachte die kans niet bewust aanvaard, nu van het naar achter schieten door de verdachte niet gezegd kan worden dat dit een gedraging is die naar zijn uiterlijke verschijningvorm zozeer gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. In dit verband heeft de raadsman voorts nog – onder verwijzing naar het zogeheten Porsche-arrest van de Hoge Raad – aangevoerd dat de verdachte door in een relatief kleine ruimte met een wapen te schieten ook risico’s voor zichzelf in het leven heeft geroepen, hetgeen een aanwijzing te meer oplevert dat de verdachte vorenbedoelde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om in rechte vast te kunnen stellen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] willens en wetens zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen en dat verdachte aldus vol opzet had. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer op de koop toe heeft genomen, dan wel de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou zijn ingetreden bewust heeft aanvaard (met andere woorden: of de verdachte zogenoemd voorwaardelijk opzet heeft gehad).
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Bij de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:HR:NL:2003:AE9049/NJ 2003, 552 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718).
In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte eenmaal met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten. Daarbij heeft de door de verdachte afgevuurde kogel de linker duim van het slachtoffer doorboord. Het hof volgt in dezen de op 6 maart 2024 ten overstaan van de rechter-commissaris door de verdachte afgelegde verklaring. Uit die – tot het bewijs gebezigde – verklaring en de daarbij gevoegde plattegrond van de loods waar het schietincident heeft plaatsgevonden en waarop de verdachte zijn en [slachtoffer] positie ten tijde van het schietincident, alsmede de schietrichting heeft aangegeven, leidt het hof af dat de verdachte in de richting van en rakelings langs het slachtoffer heeft geschoten.
Het hof hecht aldus geen geloof aan de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij
nietin de richting van het slachtoffer, maar – en, gelet op de wijze waarop de verdachte dat ter zitting heeft uitgebeeld, welhaast 90 graden naar beneden – naast hem, richting de grond heeft geschoten. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte deze andersluidende verklaring eerst pas ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd, hetgeen de betrouwbaarheid van die verklaring niet ten goede komt, alsmede dat deze verklaring geen steun vindt in het dossier. Daartoe overweegt het hof dat – anders dan de raadsman bij pleidooi heeft aangevoerd – naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat het letsel aan de duim van het slachtoffer wel degelijk is veroorzaakt door een schotwond. Uit de medische verklaring volgt immers dat sprake was van een zogeheten ‘intree en uittree’ wond, hetgeen passend is bij een schotverwonding. Naast een of meer mogelijke testschot(en) van het slachtoffer in een stuk hout, volgt uit de bewijsmiddelen en het dossier dat er slechts eenmaal is geschoten en dat was door de verdachte. Om die reden gaat het hof er dan ook van uit dat het letsel is veroorzaakt door de door de verdachte afgevuurde kogel. De omstandigheid dat de kogel het slachtoffer daarbij in diens duim heeft geraakt is passend bij verdachtes aanvankelijke verklaring dat hij in de richting van het slachtoffer heeft geschoten. De latere verklaring van de verdachte dat hij naast hem op de grond heeft geschoten vindt daarentegen geen steun in het dossier. De politie heeft de loods immers forensisch onderzocht en daaruit is niet van aanwijzingen gebleken dat de verdachte naast hem op de grond heeft geschoten en dat sprake is geweest van een afgeketste (ricochet) kogel. Evenmin is van een andere oorzaak van het letsel bij het slachtoffer gebleken. Dat het letsel mogelijk door het slachtoffer zelf zou zijn veroorzaakt bij het testschieten, welke mogelijkheid door de raadsman is geopperd, acht het hof, gelet het vorenoverwogene, niet aannemelijk. Zulks niet in de laatste plaats omdat dit door geen van de betrokkenen is verklaard. Ten slotte heeft het hof in dezen nog betrokken dat het hof het naar beneden op de grond schieten door de verdachte niet logisch en passend acht bij de door verdachte geschetste beweerdelijke toedracht van het schietincident. Concluderend, acht het hof verdachtes laatste verklaring ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.
Het op voormelde wijze en onder vorenomschreven omstandigheden afvuren van een kogel op relatief korte afstand, in de richting van een bewegend slachtoffer, in een zeer hectische en dynamische situatie, maakt dat er naar het oordeel van het hof een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans bestond dat het slachtoffer, als gevolg van de door de verdachte afgevuurde kogel, zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Het onder deze omstandigheden schieten met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm dan ook zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich van de aanmerkelijke kans op vorenbedoeld gevolg bewust is geweest en deze ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof uit het verhandelde ter zitting niet gebleken.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat, gelet op hetgeen de Hoge Raad in het Porsche-arrest heeft overwogen, de verdachte vorenbedoelde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, overweegt het hof nog het volgende.
Het verweer stelt dat de verdachte, door in een relatief kleine ruimte met een wapen te vuren, niet alleen risico’s voor [slachtoffer] in het leven heeft geroepen, maar net zo goed voor zichzelf en komt – naar het hof begrijpt – er aldus op neer dat het niet waarschijnlijk is te achten dat de verdachte de aanmerkelijke kans zou aanvaarden dat het slachtoffer door een afgeketste kogel geraakt zou worden, met het risico op zwaar lichamelijk letsel, omdat dit zou impliceren dat de verdachte ook de kans op de koop toe zou hebben genomen zelf door een afgeketste kogel te worden geraakt.
Zoals hierboven reeds overwogen, oordeelt het hof op grond van het voorliggende dossier en de bewijsmiddelen dat de verdachte in de richting van het slachtoffer en niet op grond heeft geschoten, zodat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op eigen letsel en al helemaal niet van het bewust aanvaard hebben van een dergelijk scenario. Derhalve is de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden en het verweer reeds vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag faalt. Ook overigens vindt het verweer zijn weerlegging in het arrest van de Hoge Raad van 19 november 2024, met vindplaats ECLI:NL:HR:2024:1697 en de daarbij behorende conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 17 september 2024, met vindplaats ECLI:NL:PHR:2024:950.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op 28 april 2023 in een loods in Oisterwijk met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer geschoten en daarbij het slachtoffer in diens linker duim geraakt. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen aan zijn linker duim, bestaande uit een openbotbreuk. Dat het slachtoffer geen ernstiger (zwaar lichamelijk) letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem gevoelens van angst teweeggebracht. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde feit heeft het hof in aanmerking genomen dat het schietincident heeft plaatsgevonden in het kader van een uit de hand gelopen wapendeal. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Meer in het bijzonder komt uit verdachtes strafblad naar voren dat hij op 27 juli 2022 door de rechtbank Rotterdam, wegens – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen en het overdragen van munitie, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, zodat de verdachte onderhavig feit – waarbij eveneens een vuurwapen in het spel was – heeft begaan gedurende voormelde proeftijd. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband naar voren gebracht dat hij momenteel inwoont bij zijn vader en dat hij – naar het hof begrijpt – thans geen inkomen heeft, doch dat hij bezig is om daar, met hulp van een uitzendbureau, verandering in te brengen.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.477,14, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële en immateriële schade en valt uiteen in de navolgende posten:
  • € 130,- voor bebloede en weggegooide kledingstukken (trui en broek);
  • € 4.047,14 misgelopen salaris, en
  • € 5.300,- smartengeld.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.086,67, bestaande uit een bedrag van € 86,67 als vergoeding van materiële schade (trui en broek) en een bedrag van € 2.000,00 als vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft aangenomen dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij en de toegekende bedragen voor 2/3 deel toegewezen. De rechtbank heeft de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade (misgelopen salaris) niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, en de vordering wat betreft de meer gevorderde immateriële schade afgewezen.
De benadeelde partij heeft niet te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven. Derhalve is de vordering in hoger beroep slechts aan de orde voor het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 2.086,67.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Daartoe is aangevoerd dat zijdens de verdediging is betoogd en zulks is door de rechtbank aangenomen dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Het bepalen van (de mate van) eigen schuld is dermate complex dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. In subsidiaire zin heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof niet de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, nu de advocaat-generaal dit niet passend acht, gelet op de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld in het kader van een misgelopen wapendeal.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en de behandeling van de vordering derhalve een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Meer in het bijzonder heeft de raadsman gewezen op de eigen schuld van de benadeelde partij en voorts aangevoerd dat de benadeelde partij niet gepoogd heeft om de bloedvlekken uit de kleding te verwijderen en aldus niet schadebeperkend heeft opgetreden. De raadsman heeft zich ten slotte aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat de vordering met betrekking tot de materiële schade – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde – onvoldoende is onderbouwd. Bij de vordering zijn geen stukken gevoegd waaruit de aard en omvang van de gestelde schade of de waarde van de weggegooide kleding kan worden afgeleid. Mede in het licht van de betwisting van de vordering op dit punt door de verdediging, acht het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade aan de kleding niet genoegzaam onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om nadere stukken te overleggen en de verdachte in de gelegenheid stellen om hierop te reageren, brengt naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding mee. Het hof verklaart de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk.
Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling is opgetreden valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij heeft immers letsel opgelopen, hetgeen een rechtsgrond oplevert voor vergoeding van smartengeld.
In artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is het volgende bepaald:
Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
Het te koop aanbieden van wapens door de benadeelde partij in strijd met de Wet wapens en munitie is aan te merken als onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en kan ook zonder meer aan de benadeelde partij worden toegerekend. Tijdens de ‘onderhandelingen’ ontstaat onenigheid tussen de verkoper (de benadeelde partij) en de potentiële kopers (de verdachte en [betrokkene] ). De kopers vonden de kwaliteit van de wapens niet goed hetgeen door de verkoper kennelijk werd betwist. De onenigheid heeft geleid tot het incident waarbij de benadeelde partij door de verdachte in zijn linkerduim is geschoten. Het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de benadeelde partij – onderhandelen met de intentie om illegale wapens te verkopen – en het opgelopen letsel is daarmee gegeven.
Op grond van het procesdossier is het hof derhalve van oordeel dat sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. In het onderhavige geval lopen de verklaringen van de benadeelde partij, de verdachte en [betrokkene] nogal uiteen. De mate waarin eenieder heeft bijgedragen tot de door de benadeelde partij geleden schade, de mate van de wederzijdse schuld derhalve, is dan ook lastig nader te duiden. Vast staat in ieder geval dat de verdachte een wapen heeft gepakt en de benadeelde partij door zijn linkerduim heeft geschoten zonder dat op enigerlei wijze is komen vast te staan dat hij genoodzaakt was om zichzelf te verdedigen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de schuld van het schietincident in grote mate bij de verdachte dient te worden gelegd en bepaalt de mate van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij op 20 procent van de geleden schade.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00. Gelet op de mate van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij wordt dit bedrag met 20 procent verminderd tot € 1.200,00. Het hof ziet voorts aanleiding voor een billijkheidscorrectie in die zin dat niet alleen sprake is geweest van laakbaar strafrechtelijk handelen aan de zijde van de benadeelde partij maar dat van dat handelen ook een flinke dreiging uitgaat voor de veiligheid van anderen en dat het aanwezig hebben en handelen van wapens niet zelden leidt tot het gebruik daarvan met alle gevolgen van dien. Het hof ziet dan ook reden om het toe te wijzen bedrag nader te beperken tot € 750,-.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2023, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit, tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het meerdere zal het gevorderde smartengeld worden afgewezen.
In lijn met de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman, ziet het hof – de feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak in aanmerking genomen – geen aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het hof acht voorts termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Mitsdien zal het hof hierna overeenkomstig beslissen.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2022 onder parketnummer 10-094516-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen.
De raadsman van de verdachte heeft, ingeval het hof tot een bewezenverklaring en strafoplegging mocht komen en de duur van die op te leggen gevangenisstraf de duur van het ondergane voorarrest niet overstijgt, bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof is ten aanzien van de vordering van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. In hetgeen de raadsman bij pleidooi naar voren heeft gebracht, ziet het hof – in welk verband het hof in het bijzonder verwijst naar bovenstaande overwegingen met betrekking tot verdachtes strafblad – geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Beslag
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij gelegenheid van het vooronderzoek op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering een geldbedrag van € 575 euro in beslag is genomen. Dit geldbedrag zat in nektasje, welke in de middenconsole van de Volkswagen is aangetroffen.
De rechter is op grond van artikel 353, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, verplicht een beslissing te nemen over de met toepassing van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering inbeslaggenomen voorwerpen, welke nog niet zijn teruggegeven.
Hoewel de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan hem toebehoort, is voor het hof niet genoegzaam komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende daarvan kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof dat de Volkswagen waarin het nektasje is aangetroffen niet aan verdachte (of de medeverdachte) toebehoorde, maar dat de verdachte dit voertuig op de tenlastegelegde datum had geleend en dat naast de verdachte tevens andere personen in de auto hebben gezeten. Bovendien heeft de verdachte op een eerder moment verklaard dat hij geen geld bij zich had. Het hof zal daarom hierna de bewaring van het geldbedrag ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraakbeslissing ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast ten behoeve van de rechthebbende de bewaring van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van 575 euro (PL2000-2023105421-2588201).
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig)als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2023, tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;
beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2022, parketnummer 10-094516-22, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 18 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.