II.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft de raadsman – samengevat en op de gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft immers niet in de richting van [slachtoffer] geschoten, maar naar achteren, van [slachtoffer] af, zulks bijna in tegenovergestelde richting. Mocht het hof desalniettemin oordelen dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel wel heeft bestaan, dan heeft de verdachte die kans niet bewust aanvaard, nu van het naar achter schieten door de verdachte niet gezegd kan worden dat dit een gedraging is die naar zijn uiterlijke verschijningvorm zozeer gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. In dit verband heeft de raadsman voorts nog – onder verwijzing naar het zogeheten Porsche-arrest van de Hoge Raad – aangevoerd dat de verdachte door in een relatief kleine ruimte met een wapen te schieten ook risico’s voor zichzelf in het leven heeft geroepen, hetgeen een aanwijzing te meer oplevert dat de verdachte vorenbedoelde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om in rechte vast te kunnen stellen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] willens en wetens zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen en dat verdachte aldus vol opzet had. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer op de koop toe heeft genomen, dan wel de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou zijn ingetreden bewust heeft aanvaard (met andere woorden: of de verdachte zogenoemd voorwaardelijk opzet heeft gehad).
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Bij de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:HR:NL:2003:AE9049/NJ 2003, 552 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718). In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte eenmaal met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten. Daarbij heeft de door de verdachte afgevuurde kogel de linker duim van het slachtoffer doorboord. Het hof volgt in dezen de op 6 maart 2024 ten overstaan van de rechter-commissaris door de verdachte afgelegde verklaring. Uit die – tot het bewijs gebezigde – verklaring en de daarbij gevoegde plattegrond van de loods waar het schietincident heeft plaatsgevonden en waarop de verdachte zijn en [slachtoffer] positie ten tijde van het schietincident, alsmede de schietrichting heeft aangegeven, leidt het hof af dat de verdachte in de richting van en rakelings langs het slachtoffer heeft geschoten.
Het hof hecht aldus geen geloof aan de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij
nietin de richting van het slachtoffer, maar – en, gelet op de wijze waarop de verdachte dat ter zitting heeft uitgebeeld, welhaast 90 graden naar beneden – naast hem, richting de grond heeft geschoten. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte deze andersluidende verklaring eerst pas ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd, hetgeen de betrouwbaarheid van die verklaring niet ten goede komt, alsmede dat deze verklaring geen steun vindt in het dossier. Daartoe overweegt het hof dat – anders dan de raadsman bij pleidooi heeft aangevoerd – naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat het letsel aan de duim van het slachtoffer wel degelijk is veroorzaakt door een schotwond. Uit de medische verklaring volgt immers dat sprake was van een zogeheten ‘intree en uittree’ wond, hetgeen passend is bij een schotverwonding. Naast een of meer mogelijke testschot(en) van het slachtoffer in een stuk hout, volgt uit de bewijsmiddelen en het dossier dat er slechts eenmaal is geschoten en dat was door de verdachte. Om die reden gaat het hof er dan ook van uit dat het letsel is veroorzaakt door de door de verdachte afgevuurde kogel. De omstandigheid dat de kogel het slachtoffer daarbij in diens duim heeft geraakt is passend bij verdachtes aanvankelijke verklaring dat hij in de richting van het slachtoffer heeft geschoten. De latere verklaring van de verdachte dat hij naast hem op de grond heeft geschoten vindt daarentegen geen steun in het dossier. De politie heeft de loods immers forensisch onderzocht en daaruit is niet van aanwijzingen gebleken dat de verdachte naast hem op de grond heeft geschoten en dat sprake is geweest van een afgeketste (ricochet) kogel. Evenmin is van een andere oorzaak van het letsel bij het slachtoffer gebleken. Dat het letsel mogelijk door het slachtoffer zelf zou zijn veroorzaakt bij het testschieten, welke mogelijkheid door de raadsman is geopperd, acht het hof, gelet het vorenoverwogene, niet aannemelijk. Zulks niet in de laatste plaats omdat dit door geen van de betrokkenen is verklaard. Ten slotte heeft het hof in dezen nog betrokken dat het hof het naar beneden op de grond schieten door de verdachte niet logisch en passend acht bij de door verdachte geschetste beweerdelijke toedracht van het schietincident. Concluderend, acht het hof verdachtes laatste verklaring ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.
Het op voormelde wijze en onder vorenomschreven omstandigheden afvuren van een kogel op relatief korte afstand, in de richting van een bewegend slachtoffer, in een zeer hectische en dynamische situatie, maakt dat er naar het oordeel van het hof een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans bestond dat het slachtoffer, als gevolg van de door de verdachte afgevuurde kogel, zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Het onder deze omstandigheden schieten met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm dan ook zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich van de aanmerkelijke kans op vorenbedoeld gevolg bewust is geweest en deze ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof uit het verhandelde ter zitting niet gebleken.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat, gelet op hetgeen de Hoge Raad in het Porsche-arrest heeft overwogen, de verdachte vorenbedoelde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, overweegt het hof nog het volgende.
Het verweer stelt dat de verdachte, door in een relatief kleine ruimte met een wapen te vuren, niet alleen risico’s voor [slachtoffer] in het leven heeft geroepen, maar net zo goed voor zichzelf en komt – naar het hof begrijpt – er aldus op neer dat het niet waarschijnlijk is te achten dat de verdachte de aanmerkelijke kans zou aanvaarden dat het slachtoffer door een afgeketste kogel geraakt zou worden, met het risico op zwaar lichamelijk letsel, omdat dit zou impliceren dat de verdachte ook de kans op de koop toe zou hebben genomen zelf door een afgeketste kogel te worden geraakt.
Zoals hierboven reeds overwogen, oordeelt het hof op grond van het voorliggende dossier en de bewijsmiddelen dat de verdachte in de richting van het slachtoffer en niet op grond heeft geschoten, zodat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op eigen letsel en al helemaal niet van het bewust aanvaard hebben van een dergelijk scenario. Derhalve is de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden en het verweer reeds vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag faalt. Ook overigens vindt het verweer zijn weerlegging in het arrest van de Hoge Raad van 19 november 2024, met vindplaats ECLI:NL:HR:2024:1697 en de daarbij behorende conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 17 september 2024, met vindplaats ECLI:NL:PHR:2024:950. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: