ECLI:NL:GHSHE:2025:3669

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
200.362.684_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek afgewezen tegen raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Op 17 december 2025 vond de mondelinge behandeling plaats van een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen de raadsheren G.J. Hanssen, H.A.T.G. Koning en Y. van Setten van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verzoeker stelde dat deze raadsheren vooringenomen waren vanwege hun eerdere functies als officier van justitie en hun samenwerking met personen die betrokken waren bij zijn strafzaak. De voorzitter van de wrakingskamer, mr. J. Platschorre, en de leden, mr. P.M. Arnoldus en mr. A.M. Bossink, hoorden de verzoeker en stelden vast dat de door hem aangevoerde omstandigheden niet voldoende waren om te concluderen dat er sprake was van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer wees het verzoek af en stelde het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer buiten behandeling, omdat het niet gemotiveerd was dat de onpartijdigheid van de rechters in het geding was. De wrakingskamer oordeelde dat er sprake was van misbruik van het rechtsmiddel wraking en bepaalde dat een volgend verzoek van de verzoeker niet in behandeling zou worden genomen. De behandeling van de hoofdzaak zou voortgezet worden in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer
Zaaknummer : [zaaknummer]
Registratienummer wraking : 200.362.684/01
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, ter openbare zitting gehouden op 17 december 2025, in de zaak van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: ‘de verzoeker’,
waarin ter terechtzitting van 17 december 2025 is verzocht tot wraking van mrs. G.J. Hanssen, H.A.T.G. Koning en Y. van Setten, respectievelijk voorzitter en leden van de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, hierna ook wel gezamenlijk genoemd: ‘de raadsheren’.
Tegenwoordig zijn:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. P.M. Arnoldus en mr. A.M. Bossink, leden, en
mr. [griffier 1] en mr. [griffier 2] , griffiers.
De voorzitter doet de zaak tegen de verzoeker uitroepen.
De verzoeker, ter zitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Voorts stelt de voorzitter vast dat de raadsheren mrs. G.J. Hanssen, H.A.T.G. Koning en Y. van Setten ter zitting zijn verschenen. De advocaat-generaal is niet aanwezig.
De verzoeker verklaart:
Ik wil de namen van de leden van de wrakingskamer weten.
De voorzitter verklaart:
De wrakingskamer bestaat uit de leden: Platschorre, Arnoldus en Bossink.
De verzoeker verklaart:
Ik wil ook de namen van de griffiers weten.
De voorzitter verklaart:
De namen van de griffiers zijn niet relevant.
De verzoeker verklaart:
Ik vind dat wel relevant, omdat het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting van de strafkamer incompleet is.
De voorzitter verklaart:
De namen van de griffiers zullen in het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer staan.
De voorzitter houdt de verdachte voor dat er een strafzaak loopt bij dit hof in hoger beroep en dat hij in de strafzaak niet tot antwoorden verplicht is maar wel goed moet opletten. De voorzitter houdt de verdachte voor dat thans sprake is van een wrakingszaak in die strafzaak.
De voorzitter vraagt of de verzoeker alle raadsheren van de strafkamer wraakt.
De verzoeker verklaart:
Het betreft de wraking van Hanssen, Koning en Van Setten. Ik heb meer gezegd dan in het proces-verbaal staat.
De voorzitter deelt mede:
De wrakingskamer heeft een proces-verbaal van de zitting ontvangen en dat gelezen. Het gaat u erom dat de leden van de strafkamer andere functies hebben bekleed in het verleden. Klopt dat? Kunt u uitleggen aan de wrakingskamer wat voor u de aanleiding is voor het wrakingsverzoek?
De verzoeker verklaart:
Ik zit tegenover een meervoudige kamer. Bent u collega’s van de raadsheren?
De voorzitter deelt mede:
Dat is inderdaad het geval. Wat is de aanleiding van het wrakingsverzoek geweest? Kunt u dat uitleggen aan de wrakingskamer?
De verzoeker verklaart:
Ik wil meer tijd hebben. In het wrakingsprotocol van het gerechtshof ’sHertogenbosch staat dat een verzoek schriftelijk moet worden gedaan.
De voorzitter deelt mede:
U heeft het wrakingsverzoek mondeling ter zitting gedaan, dat kan ook. Ik vraag u wat de aanleiding is geweest om te wraken. Ik verzoek u om de reden van wraking uit te leggen, want het wrakingsverzoek moet gemotiveerd zijn.
De verzoeker verklaart:
De combinatie had zich beter kunnen verschonen. Ik moet er over na kunnen denken. Wordt de audio opgenomen? De eerste sessie is namelijk wel opgenomen.
De voorzitter deelt mede:
Ik vraag u eerst de grond voor de wraking toe te lichten.
De verzoeker verklaart:
Onder andere omdat Van Setten en Koning een verleden hebben als officier van justitie. Zij hebben samengewerkt met mensen die verantwoordelijk zijn voor het strafdossier en uitspraak. Zij hebben samengewerkt als officier van justitie met [naam 1] . Daar hebben Van Setten en Koning mee samengewerkt bij het arrondissement Zeeland-West-Brabant. [naam 1] heeft de strafeis in de [zaak] zaak gedaan, de zaak van [naam 2] , waarin kinderporno is vervreemd. Ook is samengewerkt met [naam 3] , hij is 1e klasse officier in het arrondissement Zeeland-West-Brabant geweest. Die heeft de uitspraak gedaan in deze zaak. Dan ben ik nog niet compleet. Ik wil ook de wrakingskamer verzoeken om deze wraking aan te houden, omdat ik nader onderzoek moet doen. Ik heb in meerdere rechtbanken wrakingen lopen waarin mij dat is toegestaan. Daar heb ik verbaal iets gezegd op de zitting, en vervolgens mocht ik toen weggaan en heb ik de motivering zelfs tien dagen na zitting ingeleverd. Hier gaan jullie…
De voorzitter deelt mede:
Ik verzoek u de wrakingskamer met “u” aan te spreken. U zegt dat twee leden eerder officier van justitie zijn geweest, die samen hebben gewerkt met mensen die betrokken zijn bij uw strafzaak.
De verzoeker verklaart:
Het gaat om de tegen mij opgebouwde strafzaak.
De voorzitter vraagt:
Waarom wraakt u de voorzitter van de strafkamer?
De verzoeker verklaart:
Zij heeft in [plaats 1] gewerkt met [naam 4] en die heeft aangifte gedaan.
Het staat fout in het proces-verbaal, daar staat op pagina 1:
“ [naam 5] heeft zijn collega raadsheer [naam 4] achter gesloten deuren gehoord in [plaats 2] . Ik ben daarbij geweest. Ze werken allebei in het hof ‘s-Hertogenbosch.”Dat is niet waar. [naam 4] is niet werkzaam geweest bij hof ’s-Hertogenbosch. Ik wil graag de audio opname horen. Ik wil dat de griffiers hier akte van maken.
De voorzitter deelt mede:
Uw opmerking wordt genoteerd.
De verzoeker verklaart:
Zij werkten samen, met [naam 4] en [naam 5] . Hij was raadsheer-plaatsvervanger bij het hof Amsterdam. Ik ben erbij geweest. Bij het verhoor van een collega raadsheer. Die is getrouwd met een kinderverkrachter. Dat is een collega van u. Daar is achter gesloten deuren verklaard dat hij kinderen heeft verkracht.
De voorzitter deelt mede:
Uw gronden zijn helder. Ik wil u vragen om stil te zijn als ik praat, zodat wij niet door elkaar praten want dan kan ik u niet verstaan.
De verzoeker verklaart:
Ik ben verbouwereerd door de snelheid waarmee dit verzoek wordt behandeld. Ik voel mezelf bedreigd. Ik ben een erkende klokkenluider. Ik wil onderzoek doen naar uw arbeidsverleden.
De voorzitter deelt mede:
Alle leden van de wrakingskamer zijn sinds lange tijd raadsheer in het gerechtshof.
De voorzitter vraagt of de andere leden van de wrakingskamer vragen hebben voor de verzoeker. Zij geven aan dat dit niet het geval is.
De voorzitter deelt mede dat de wrakingskamer geen vragen meer heeft.
De verzoeker verklaart:
Ik wil meer tijd anders wraak ik u. Ik wil meer tijd om onderzoek te doen naar uw arbeidsverleden en de door u gedane uitspraken.
De voorzitter deelt mede:
Het arbeidsverleden is opgenomen in de openbare registers. Daar kunt u dat nakijken.
De verzoeker verklaart:
Ik heb geen tijd gehad om dat te raadplegen. Ik verzoek u om de behandeling van het wrakingsverzoek aan te houden.
De voorzitter deelt mede:
De leden van de wrakingskamer bekleden al lang de functie van raadsheer.
De verzoeker verklaart:
Ik wil tijd krijgen om een schriftelijke motivering in te dienen.
De voorzitter deelt mede dat de wrakingskamer zich zal terugtrekken voor beraad aangaande het aanhoudingsverzoek.
De verzoeker verklaart:
Ik wraak u als wrakingskamer. Ik wraak u.
De voorzitter geeft aan dat de wrakingskamer zich zal gaan beraden over de verzoeken.
De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad.
De voorzitter hervat de zitting en deelt als beslissingen van de wrakingskamer het volgende mede:
- Het ter zitting van de wrakingskamer door de verzoeker gedane verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek wordt afgewezen, omdat het naar het oordeel van de wrakingskamer voor enige door de wrakingskamer te nemen beslissing niet relevant is om het (arbeids)verleden van de leden van de wrakingskamer nader te onderzoeken.
- Het ter zitting van de wrakingskamer door de verzoeker gedane verzoek strekkende tot wraking van de voorzitter en de leden van de wrakingskamer wordt buiten behandeling gesteld, omdat in strijd met artikel 513, lid 2, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet is gemotiveerd dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende rechters schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. [1]
- De wrakingskamer is voorts van oordeel dat, gelet op het vorenstaande, sprake is van misbruik van het rechtsmiddel wraking. Daarin ziet het de wrakingskamer aanleiding om toepassing te geven aan artikel 515, lid 4, Sv. Bepaald zal worden dat een volgend verzoek tot wraking van de verzoeker, gericht tegen de leden van de wrakingskamer, niet in behandeling wordt genomen.
De verzoeker geeft te kennen dat hij de beslissingen van de wrakingskamer heeft begrepen.
De voorzitter deelt mede:
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gericht tegen de raadsheren zal aldus worden voortgezet.
De voorzitter vraagt de raadsheren of zij in de wraking berusten.
De verzoeker verklaart:
Mag ik nog één en ander aanvullen?
De voorzitter deelt mede:
Nee, de raadsheren zijn nu aan het woord.
De voorzitter vraagt de raadsheren nogmaals of zij in de wraking berusten.
De raadsheren geven te kennen niet in de wraking te berusten.
De voorzitter vraagt of de raadsheren behoefte hebben iets op te merken over het wrakingsverzoek.
De raadsheren geven te kennen niets op te merken te hebben.
De voorzitter deelt mede:
De wrakingskamer neemt aan dat de raadsheren in het verleden nooit betrokken zijn geweest bij de strafzaak van de verzoeker.
De raadsheren bevestigen dat dit voor zover zij weten niet het geval is.
Hierop deelt de voorzitter het volgende mede:
Het onderzoek ter zitting van de wrakingskamer zal worden gesloten. De wrakingskamer trekt zich terug om zich te beraden over het wrakingsverzoek.
Het onderzoek ter zitting wordt vervolgens gesloten.
Omstreeks 12.30 uur verschijnt het hof opnieuw in de zittingszaal en deelt de voorzitter als beslissing van de wrakingskamer op het wrakingsverzoek het volgende mede:
1. Artikel 512 Sv voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. De wrakingskamer neemt voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de volgende overwegingen uit de beschikking van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:87) [2] tot uitgangspunt.
“3.4 Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Er is geen algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor vermeld. (…).”
3. Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt de wrakingskamer als volgt.
4. De verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek in de kern het volgende ten grondslag. De raadsheren hebben in eerdere functies als officier van justitie (mr. Koning en mr. Van Setten), dan wel rechter in de rechtbank [plaats 1] (mr. Hanssen) gewerkt. In die functie hebben de raadsheren samengewerkt met personen die betrokken zijn geweest bij de strafzaak van de verzoeker. De raadsheren hebben verklaard in het verleden nooit betrokken te zijn geweest bij de strafzaak van de verzoeker.
5. Mede op basis van al hetgeen ter zitting is besproken, oordeelt het hof als volgt. De door de verzoeker genoemde omstandigheden betreffende de functies die de gewraakte raadsheren in het verleden hebben uitgeoefend, rechtvaardigen niet de daaruit door de verzoeker getrokken conclusie dat zij ten aanzien van hem vooringenomen zijn en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. [3]
6. Het hof (de wrakingskamer):
- stelt het wrakingsverzoek gericht tegen de leden van de wrakingskamer buiten behandeling;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van de verzoeker, gericht tegen de leden van de wrakingskamer, niet in behandeling wordt genomen;
- wijst het wrakingsverzoek gericht tegen de raadsheren af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de raadsheren en de advocaat-generaal.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter, de leden en de griffiers is
vastgesteld en ondertekend.
mr. Bossink is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie o.a. Hoge Raad 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:370.
2.Onder weglating van de voetnoten met verwijzingen naar o.a. rechtspraak van het EHRM.
3.Zie o.a. Hoge Raad 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:478, en Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1200.