ECLI:NL:HR:2025:1200
Hoge Raad
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen leden Hoge Raad in belastingzaak
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de Hoge Raad die zijn cassatiezaak behandelen, stellende dat hij niet het verweerschrift ontving en daardoor in zijn wederhoorrecht werd beperkt. Tevens stelde hij dat hij niet mondeling zijn cassatieberoep mocht toelichten en dat de raadsheren onvoldoende afstand hadden van eerdere functies die zij hadden bekleed.
De Hoge Raad heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de rechterlijke onpartijdigheid moet worden vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De aangevoerde procedurele bezwaren en verwijzingen naar eerdere functies van de raadsheren zijn onvoldoende om vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor aan te nemen.
Ook het feit dat één van de raadsheren eerder uitspraak had gedaan in een andere cassatiezaak van verzoeker, leidt niet tot een vermoeden van vooringenomenheid. De Hoge Raad concludeert dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wijst dit af. De beslissing is openbaar uitgesproken op 18 juli 2025 door de vierde kamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de leden van de Hoge Raad wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.