Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1078

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
24/464
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 Verordening Toeristenbelasting [vestigingsplaats] 2017Artikel 2 Verordening Toeristenbelasting [vestigingsplaats] 2017Artikel 4 Verordening Toeristenbelasting [vestigingsplaats] 2017Artikel 5 Verordening Toeristenbelasting [vestigingsplaats] 2017Artikel 11 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen dubbele aanslag toeristenbelasting voor hetzelfde belastingjaar

Belanghebbende exploiteert een hotel en een chaletpark en kreeg voor het belastingjaar 2018 twee afzonderlijke aanslagen toeristenbelasting opgelegd voor hetzelfde belastingjaar en dezelfde grondslag. De eerste aanslag betrof het hotel, de tweede de chalets. Belanghebbende stelde dat slechts één primitieve aanslag per belastingjaar mogelijk is en dat de tweede aanslag onrechtmatig was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelde anders. Het hof stelde vast dat beide aanslagen betrekking hadden op hetzelfde belastbaar feit, dezelfde belastingplichtige, dezelfde grondslag en hetzelfde belastingjaar. De uitzondering op de hoofdregel dat slechts één primitieve aanslag kan worden opgelegd, namelijk bij verschillende grondslagen, was niet van toepassing.

Het hof vernietigde daarom de tweede aanslag en oordeelde dat de bevoegdheid tot heffing door de eerste aanslag was uitgeput. Daarnaast kende het hof een immateriële schadevergoeding toe van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, en veroordeelde de heffingsambtenaar en minister tot vergoeding van griffierecht, bezwaar- en proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door het hof 's-Hertogenbosch op 22 april 2026 en is openbaar gemaakt via Mijn Rechtspraak.

Uitkomst: Het hof vernietigt de tweede aanslag toeristenbelasting 2018 omdat slechts één primitieve aanslag per belastingjaar mogelijk is en kent immateriële schadevergoeding en proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/464
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 maart 2024, nummer SHE 21/1702, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag toeristenbelasting gemeente [vestigingsplaats] 2018 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende exploiteert een hotel met vier chalets (hierna: het hotel) en een chaletpark met 170 tot 180 chalets (hierna: de chalets), beide gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] .
2.2.
Belanghebbende verhuurde de chalets aan uitzendbureaus. De uitzendbureaus huurden deze chalets ten behoeve van overnachtingsplekken voor arbeidsmigranten.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting 2018 met dagtekening 25 mei 2019 opgelegd voor ‘
[adres] [vestigingsplaats]’, in de periode 1 januari 2018 tot 1 januari 2019, naar een bedrag van € 18.443,70 (16.767 overnachtingen gebaseerd op een tarief van € 1,10 per overnachting). Deze aanslag is niet in geschil (aanslagbiljetnummer [nummer 1] ).
2.4.
De heffingsambtenaar heeft aan de uitzendbureaus een aanslag toeristenbelasting 2016 en 2017 opgelegd voor overnachtingen in de chalets. In een beroepsprocedure van één uitzendbureau heeft de rechtbank bij uitspraak van 5 december 2019 overwogen en beslist dat er geen aanleiding was om het betreffende uitzendbureau als belastingplichtige aan te merken, maar dat belanghebbende moet worden aangemerkt als degene die gelegenheid tot verblijf tegen vergoeding in de chalets bood. De rechtbank heeft de betreffende aanslagen toeristenbelasting vernietigd. [1] Deze uitspraak is in dit hoger beroep niet aan de orde.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 november 2020, na de uitspraak van de rechtbank, de onderhavige aanslag aan belanghebbende opgelegd voor ‘
Chalets [adres] [vestigingsplaats]’, in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018, naar een bedrag van € 81.669,50 (74.245 overnachtingen, gebaseerd op een tarief van € 1,10 per overnachting). Het bezwaar van belanghebbende hiertegen is ongegrond verklaard en zij heeft beroep ingesteld (aanslagbiljetnummer [nummer 2] ).
2.6.
De rechtbank heeft in beroep, samengevat, overwogen en beslist dat niet is gesteld of gebleken dat voor de overnachtingen in de chalets in 2018 eerder een primitieve aanslag is opgelegd aan belanghebbende of aan derden. De aard van de toeristenbelasting brengt mee dat bij elke geboden gelegenheid tot het houden van verblijf een afzonderlijke aanslag aan dezelfde belastingplichtige tot de mogelijkheden behoort. De heffingsambtenaar was dan ook bevoegd om de aanslag op te leggen. De rechtbank heeft de vraag of de heffingsambtenaar een navorderingsaanslag aan belanghebbende had moeten opleggen onbesproken gelaten. Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en voor een vergoeding van griffierecht en proceskosten was geen aanleiding.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vermindering van de aanslag tot nihil. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Vast staat dat belanghebbende belastingplichtig is voor de toeristenbelasting met betrekking tot het hotel en de chalets, wegens het bieden van gelegenheid tot verblijf met overnachting tegen betaling in het belastingjaar 1 januari 2018 tot 1 januari 2019.
4.2.
Ook staat vast dat de heffingsambtenaar afzonderlijke aanslagen toeristenbelasting voor het belastingjaar 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 aan belanghebbende heeft opgelegd, te weten de aanslag met dagtekening 25 mei 2019 (zie 2.3) en de aanslag met dagtekening 30 november 2020 (zie 2.5). Tegen deze laatste aanslag richt zich dit hoger beroep.
4.3.
Volgens belanghebbende zijn aan haar als belastingplichtige in hetzelfde belastingjaar afzonderlijke aanslagen opgelegd op dezelfde grondslag, te weten toeristenbelasting voor het bieden van verblijf naar € 1,10 per overnachting. Er kan echter maar één aanslag op die grondslag worden opgelegd. Omdat aan belanghebbende al de aanslag met dagtekening 25 mei 2019 was opgelegd, had een navorderingsaanslag moeten worden opgelegd. Dat is niet gebeurd. In plaats daarvan is een afzonderlijke aanslag met dagtekening 30 november 2020 opgelegd. Die aanslag moet dan ook worden teruggebracht tot nihil, aldus belanghebbende.
4.4.
De heffingsambtenaar heeft dit betwist. Volgens hem kan hij voor elk afzonderlijk belastbaar feit van de toeristenbelasting (verblijf houden door een niet-ingezetene) een afzonderlijke aanslag opleggen. Hij is niet verplicht om geboden verblijf in afzonderlijke accommodaties als één belastbaar feit met een gesaldeerde heffingsgrondslag ‘op aanslag te brengen’. Het is gebruikelijk om per afzonderlijke accommodatie een aanslag op te leggen, omdat voor de accommodaties ook afzonderlijke verblijfsregistraties worden gevoerd en separaat aangifte wordt gedaan. Belanghebbende heeft weliswaar de aanslag met dagtekening 25 mei 2019 ontvangen, maar die zag op de overnachtingen in het hotel en niet op de chalets die aan uitzendbureaus werden verhuurd. Voor de overnachtingen in de chalets deden de uitzendbureaus aangifte voor het jaar 2018. Maar nadat in de beroepsprocedure de aangifte- en belastingplicht bij belanghebbende werd bepleit en toegewezen, kwam belanghebbende in beeld. Van een tweede primitieve aanslag is geen sprake. De op de aanslag gebrachte belastbare feiten hebben nimmer deel uitgemaakt van de belastbare feiten waarvoor eerder een aanslag werd opgelegd. Van navorderen van voor belastbare feiten te weinig geheven belasting is in het geheel geen sprake, aldus de heffingsambtenaar.
Afzonderlijke aanslagen
4.5.
Het hof stelt het volgende voorop. De hoofdregel is dat voor een belastbaar feit ten laste van een belastingplichtige maar éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Door het opleggen van een dergelijke aanslag is de bevoegdheid tot heffen dan ook in beginsel uitgeput. [2] Van een uitzondering op deze hoofdregel is sprake als voor dat belastbare feit naar verschillende grondslagen wordt geheven. [3]
4.6.
De aanslagen zijn in dit geval opgelegd op grond van de destijds geldende Verordening Toeristenbelasting [vestigingsplaats] 2017 (hierna: de Verordening). In de Verordening is bepaald:

Artikel 1
Belastbaar feit
Onder de naam ‘toeristenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook of anderszins uit economische- dan wel commerciële overwegingen door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.
Artikel 2
Belastingplicht
1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot het verblijf als bedoeld in artikel 1. (…)
Artikel 4
Maatstaf van heffing
De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar.
Artikel 5
Belastingtarief
Het tarief bedraagt per overnachting € 1,10. (…).”
4.7.
Uit de Verordening volgt het belastbaar feit voor toeristenbelasting: ‘het houden van verblijf met overnachting tegen een vergoeding’, naar een grondslag van € 1,10 per overnachting in het belastingjaar.
4.8.
Uit het aanslagbiljet met dagtekening 25 mei 2019 volgt dat die aanslag toeristenbelasting betrekking heeft op 16.767 overnachtingen waartoe belanghebbende de gelegenheid bood op het adres [adres] in [vestigingsplaats] , in het belastingjaar 1 januari 2018 tot 1 januari 2019. De toeristenbelasting is geheven naar het tarief van € 1,10 per overnachting. Dit aanslagbiljet is dan ook een aanslag naar de maatstaf zoals vermeld de Verordening.
4.9.
Belanghebbende heeft daarna de onderhavige aanslag opgelegd gekregen voor 74.245 overnachtingen waartoe zij de gelegenheid bood op het adres [adres] in [vestigingsplaats] , in het belastingjaar 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. De toeristenbelasting is geheven naar de grondslag van het tarief van € 1,10 per overnachting. Dit aanslagbiljet met dagtekening 30 november 2020 is eveneens een aanslag naar de maatstaf zoals vermeld in de Verordening.
4.10.
Beide aanslagen hebben betrekking op hetzelfde belastbaar feit, zijn opgelegd aan dezelfde belastingplichtige (belanghebbende), gaan uit van één grondslag (€1,10 per overnachting), zien op hetzelfde belastingobject ( [adres] in [vestigingsplaats] ) en hetzelfde belastingjaar (1 januari 2018 tot en met 31 december 2018).
4.11.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt echter dat aan belanghebbende maar éénmaal een primitieve aanslag voor de toeristenbelasting voor hetzelfde belastingjaar kan worden opgelegd. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt, doet zich de uitzondering op de hoofdregel dat sprake is van verschillende grondslagen niet voor (zie 4.5).
4.12.
De omstandigheid dat het in de ene aanslag gaat om overnachtingen in het hotel van belanghebbende (de aanslag met dagtekening 25 mei 2019) en in de andere aanslag om overnachtingen in de chalets van belanghebbende (de aanslag met dagtekening 30 november 2020) maakt dit oordeel niet anders. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, is belanghebbende in beide gevallen voor het belastbaar feit belastingplichtig als degene die gelegenheid bood tot het verblijf als bedoeld in de Verordening (zie 4.10). [4]
4.13.
Het betoog van de heffingsambtenaar dat aanvankelijk de uitzendbureaus aangifte voor het jaar 2018 hebben gedaan en belanghebbende volgens hem pas later in beeld kwam, leidt ook niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar heeft in een e-mail van 15 december 2017 aan belanghebbende geschreven dat op 7 december 2017 een overleg had plaatsgevonden over de toeristenbelasting voor de chalets. Belanghebbende wilde toen ‘
een vaststellingsovereenkomst aangaan voor 2018 en verder waarbij [belanghebbende] wordt aangemerkt als belastingplichtige’ en een voorstel van de heffingsambtenaar bespreken met de huurders (uitzendbureaus). De heffingsambtenaar heeft in die e-mail om huurovereenkomsten met de uitzendbureaus verzocht om de belastingplicht te kunnen bepalen en zou na bestudering daarvan een standpunt innemen over de belastingplicht, waarbij hij ervan uitging dat dit nog voor 31 december 2017 zou gebeuren. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt, volgt uit deze e-mail dat hij al voorafgaand aan de aangifte voor het belastingjaar 2018 ermee bekend was dat belanghebbende belastingplichtig zou (kunnen) zijn voor het bieden van gelegenheid tot het verblijf in de chalets. De heffingsambtenaar had de aanslag met dagtekening 25 mei 2019 voorlopig met betrekking tot de overnachtingen in zowel het hotel als de chalets aan belanghebbende kunnen opleggen, maar dat is niet gebeurd. Die aanslag ziet alleen op de hotelovernachtingen. De onderhavige aanslag ziet op de chalets.
4.14.
De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de onderhavige aanslag in zijn hoger beroepschrift expliciet naar voren gebracht dat dit geen navorderingsaanslag is en ook niet als een navorderingsaanslag kan worden beschouwd. De heffingsambtenaar heeft zich tijdens de zitting bij het hof eveneens duidelijk en ondubbelzinnig op dit standpunt gesteld. Dit betekent dat het hof niet kan beoordelen en vaststellen of, en zo ja als aan de vereisten voor een nieuw feit zou zijn voldaan, de aanslag moet worden geconverteerd in een navorderingsaanslag.
4.15.
De slotsom is dat door het opleggen van de aanslag met dagtekening 25 mei 2019 de bevoegdheid tot heffing door de heffingsambtenaar van toeristenbelasting over het jaar 2018 is uitgeput (zie 4.5). De aanslag met dagtekening 30 november 2020 kan niet als voorlopige – of navorderingsaanslag worden aangemerkt. Dit betekent dat die aanslag moet worden vernietigd.
Tussenconclusie
4.16.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.17.
Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.18.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [5]
4.19.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in beroep en in hoger beroep in totaal met 17 maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.20.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) anderhalf jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500, waartoe de heffingsambtenaar (€ 89) en de minister (€ 1.411) worden veroordeeld.
Ten aanzien van het griffierecht
4.21.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 360 respectievelijk € 559, in totaal € 919, te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
4.22.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.23.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) [6] x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.332.
Ten aanzien van de proceskosten
4.24.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.25.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de procedure bij de rechtbank op 1 (punt) [7] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 934.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de procedure bij het hof op 2 (punten) [8] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
Dit is in totaal € 2.802.
4.26.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing in de zaak met zaaknummer 21/1702 over de aanslag toeristenbelasting 2018 (aanslagbiljetnummer [nummer 2] );
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de aanslag toeristenbelasting 2018 (aanslagbiljetnummer [nummer 2] );
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.411;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 89;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van in totaal € 919 vergoedt;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van in totaal € 2.802.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, J. Wessels en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Oost-Brabant 5 december 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6972.
2.Artikel 11 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen en Hoge Raad 15 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8274, onder 5.2.
3.Hoge Raad 25 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1534 onder 3.2, waarin wordt verwezen naar Hoge Raad 7 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AX4776.
4.Hoge Raad 15 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8274, onder 5.3.
5.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
6.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), onder A5.
7.1 punt voor het beroepschrift, zie Bpb onder A1.
8.1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zie Bpb onder A1.