Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1081

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
24/659
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b Wet VpbArt. 8:75 AwbRichtlijn (EU) 2016/1164Art. 2 ATAD 1-Richtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling earningstrippingmaatregel bij factoringactiviteiten en implementatie ATAD 1-Richtlijn

Belanghebbende, een factoringmaatschappij binnen een concern, nam handelsvorderingen op non-recourse basis over van groepsvennootschappen. Het geschil betrof de vraag of het gerealiseerde resultaat, met name het Reference Rate onderdeel, als rentebaten in de zin van artikel 15b Wet Vpb kwalificeert.

Het hof oordeelde dat tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen geen overeenkomst van geldlening bestaat, maar een koop van activa waarbij het debiteurenrisico volledig overgaat. Ook de relatie met handelsdebiteuren betreft geen geldlening en er wordt geen rente betaald bij betaling binnen 90 dagen. Hierdoor is er geen sprake van rentebaten voor de toepassing van de earningstrippingmaatregel.

Belanghebbende stelde dat Nederland de ATAD 1-Richtlijn onjuist heeft geïmplementeerd door rente te koppelen aan geldleningen. Het hof verwierp dit, stellende dat de richtlijn verwijst naar nationaal recht en dat de implementatie niet te beperkt is. Het arrest van het HvJ EU in de zaak Commissie tegen België was niet vergelijkbaar.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de aanslag vennootschapsbelasting 2019 bekrachtigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslag vennootschapsbelasting 2019.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/659
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 april 2024, nummer BRE 23/4048, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking het voort te wentelen saldo aan renten als bedoeld in artikel 15b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) vastgesteld en is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De inspecteur heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar belanghebbende. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [persoon 1] , namens belanghebbende, bijgestaan door [persoon 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .
1.8.
Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van belanghebbende behorende bijlagen.
1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.10.
Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak is geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een factoringmaatschappij binnen het [concern] . Haar werkzaamheden bestaan uit het overnemen en innen van handelsvorderingen op derden (hierna: de handelsdebiteuren) van groepsmaatschappijen.
2.2.
De handelsvorderingen hebben een looptijd van maximaal 90 dagen. Zij worden binnen de looptijd overgenomen door belanghebbende op
non-recoursebasis. Dat wil zeggen dat belanghebbende (onmiddellijk) de eigendom verkrijgt en het debiteurenrisico volledig overneemt.
2.3.
Belanghebbende neemt de handelsvorderingen over tegen de nominale waarde minus een zogenoemde ‘factoring fee’. De ‘factoring fee’ wordt als volgt berekend:
Hierbij staat ‘Amount’ voor de nominale waarde van de verkregen vordering. De ‘Applicable Rate’ bestaat uit (1) de ‘Applicable Margin’ [1] en de (2) ‘Reference Rate’ [2] .
2.4.
Het verschil tussen de aankoopwaarde van de handelsvorderingen en hetgeen uiteindelijk daarop wordt voldaan komt tot uitdrukking in het resultaat van belanghebbende.
2.5.
Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 aangifte Vpb gedaan over het jaar 2019 naar een belastbaar bedrag van € 33.899.616. Naar aanleiding van een periodiek overleg tussen belanghebbende en de inspecteur, heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om een herziene aangifte Vpb over het jaar 2019 in te dienen conform haar standpunt ten aanzien van de toepasselijkheid van de zogenaamde earningsstrippingsmaatregel van artikel 15b Wet Vpb. Belanghebbende heeft op 5 mei 2021 een herziene aangifte Vpb ingediend naar een belastbaar bedrag van € 26.151.579, waarbij zij deze renteaftrekbeperkingsregeling niet van toepassing heeft geacht conform haar standpunt (de herziene aangifte).
2.6.
Op 23 juli 2022 heeft de inspecteur de aanslag in afwijking van de herziene aangifte opgelegd. Hij heeft het aangegeven belastbaar bedrag gecorrigeerd, door een bedrag van € 7.748.037 aan rentelasten niet in aftrek toe te staan en daarmee het belastbaar bedrag te verhogen naar € 33.899.616.
2.7.
Voor het door de inspecteur niet in aftrek toegestane saldo aan renten heeft de inspecteur de voortwentelingsbeschikking gegeven.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het door belanghebbende met haar factoring-activiteiten gerealiseerde resultaat – meer specifiek: het Reference Rate onderdeel daarvan – kwalificeert als rentebaten ter zake van geldleningen in de zin van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb. Bij ontkennende beantwoording is de vraag aan de orde of het Reference Rate onderdeel toch als rentebate in aanmerking moet worden genomen omdat Nederland de ATAD 1-Richtlijn [3] (hierna: ATAD 1) onjuist zou hebben geïmplementeerd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslag naar een belastbaar bedrag van € 26.151.579 en vernietiging van de voortwentelingsbeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Op grond van artikel 15b, lid 1, Wet Vpb (tekst 2019), komt bij het bepalen van de in een jaar genoten winst het saldo aan renten niet in aftrek voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van de volgende bedragen: 30% van de gecorrigeerde winst of € 1.000.000. Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen, welke rentelasten en rentebaten zonder toepassing van artikel 15b Wet Vpb in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het saldo aan renten bedraagt tenminste nihil.
Voor de toepassing van dit wetsartikel wordt onder een geldlening verstaan: een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. [4]
4.2.
Het hof zal eerst toetsen aan de nationale wettelijke regeling en vervolgens de vraag beoordelen of Nederland ATAD 1 op dit punt op de juiste wijze heeft geïmplementeerd.
4.3.
Bij de toetsing aan de nationale wettelijke regeling, onderkent het hof twee relaties. Enerzijds de relatie tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen waarvan handelsvorderingen worden overgenomen en anderzijds de relatie tussen belanghebbende en de handelsdebiteuren.
4.4.
Het hof beoordeelt in de eerste plaats de relatie tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen waarvan handelsvorderingen worden overgenomen. Er is in die relatie sprake van koop van activa (namelijk de handelsvorderingen), waarbij belanghebbende een koopsom is verschuldigd en deze voldoet. De eigendom van deze activa gaat volledig over op belanghebbende en ook alle risico’s, zoals het debiteurenrisico, gaan over op belanghebbende. Er is geen sprake van een overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen. Evenmin kan worden gesproken van een ‘daarmee vergelijkbare overeenkomst’. Belanghebbende stelt niets aan de groepsvennootschappen ter beschikking (geen hoofdsom in geld dan wel in een andere vorm) en er is ook geen sprake van een terugbetalingsverplichting. Met de koop en de voldoening van de koopsom is de relatie tussen koper en verkoper beëindigd. Het beroep van belanghebbende op een opinie van het IMF, faalt evenzeer. Los van de vraag of een visie van het IMF relevant is voor de uitleg van het nationale recht, miskent belanghebbende dat in de door belanghebbende overgelegde stukken de ‘factoring income’ als een ‘fee’ wordt bestempeld en uitdrukkelijk niet als rente. En dat is ook de wijze waarop belanghebbende de opbrengsten in haar commerciële jaarrekening heeft verwerkt.
4.5.
Ten aanzien van de relatie tussen belanghebbende en de handelsdebiteuren overweegt het hof als volgt. Door de overname van de handelsvorderingen ontstaat een schuldrelatie tussen belanghebbende als schuldeiser en de handelsdebiteuren als schuldenaar. De handelsvorderingen zijn echter geen overeenkomsten van geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomsten. Indien deze handelsvorderingen worden voldaan binnen 90 dagen na het ontstaan daarvan, wordt er ook geen rente berekend. Er is dus geen sprake van rentebaten op deze handelsvorderingen.
4.6.
Het hof heeft nog beoordeeld of een bepaalde passage uit de parlementaire geschiedenis tot een ander oordeel zou moeten leiden. Het betreft hier een voorbeeld dat twee maal is besproken tijdens behandeling in de Eerste Kamer. [5] Het gaat daarbij om de situatie waarbij sprake is van een a pari uitgegeven obligatielening met een vaste couponrente die op enig moment – vanwege de stijging van de marktrente – beneden pari wordt verkocht. Volgens de staatssecretaris wordt bij de koper, naast de nominale rente, ook de aangroei van de schuldvordering tot nominale waarde als rentebate aangemerkt. Hierbij wordt wel opgemerkt dat het niet moet gaan om aangroei in verband met een toename van de kredietwaardigheid van de debiteur. Het hof betwijfelt of de waardeaangroei van de schuldvordering tot nominale waarde kan worden gezien als een rentebate, ook al wordt dit begrip economisch geïnterpreteerd. Dit roept daarom de vraag op of in de onderhavige zaak waarin handelsvorderingen beneden pari worden aangekocht, waarbij de discount mede wordt veroorzaakt door het feit dat er sprake is van een niet-rentedragende vordering, de aangroei naar nominale waarde in zoverre toch als rentebate moet worden gezien. Hoewel hierover kan worden getwijfeld, beantwoordt het hof die vraag ontkennend. Doorslaggevend daarvoor is het feit dat – in tegenstelling tot het voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis – in het onderhavige geval geen sprake is overname van een overeenkomst van geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomst met een vaste rente (zie 4.5.).
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat naar nationaal recht geen sprake is van een geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomst als bedoeld in artikel 15b, lid 6, letter a, Wet Vpb en ook geen sprake is van rentebaten in de zin van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb.
4.8.
Het hof komt daarom toe aan de stelling van belanghebbende dat ATAD 1 niet op een juiste wijze is geïmplementeerd. Belanghebbende wijst daarbij op het feit dat ‘rente’ niet strikt juridisch moet worden opgevat, maar economisch. Volgens belanghebbende heeft Nederland ATAD 1 te beperkt geïmplementeerd door de term ‘rente’ te koppelen aan een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. Belanghebbende meent dat uit ATAD 1 volgt dat artikel 15b Wet Vpb van toepassing moet zijn ten aanzien van renten op alle vormen van schuld, ook als er geen overeenkomst aan ten grondslag ligt. Voorts verwijst belanghebbende naar een recent arrest van het HvJ EU, Commissie tegen België [6] .
4.9.
In artikel 2 ATAD Pro 1 zijn de volgende definities opgenomen:
“1. ‘financieringskosten’: rentelasten op alle vormen van schuld, andere kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan rente en kosten in verband met het aantrekken van financiële middelen als omschreven in het nationale recht, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, betalingen in het kader van winstdelende leningen, toegerekende rente op instrumenten als converteerbare obligaties en nulcouponobligaties, bedragen in het kader van alternatieve financieringsregelingen, zoals islamitische financiering, het financieringskostenelement van betalingen voor financiële leasing, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, of de amortisatie van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels waar van toepassing, notionelerentebedragen in het kader van afgeleide instrumenten of hedgingregelingen met betrekking tot de leningen van een entiteit, bepaalde winsten op buitenlandse valuta en verliezen op leningen en instrumenten in verband met het aantrekken van financiële middelen, garantieprovisies voor financieringsregelingen, afsluitprovisies en soortgelijke kosten in verband met het lenen van middelen;
2. ‘financieringskostensurplus’: het bedrag waarmee de aftrekbare financieringskosten van een belastingplichtige de belastbare rentebaten en andere economisch gelijkwaardige belastbare inkomsten die de belastingplichtige overeenkomstig het nationale recht ontvangt, overschrijden;”
4.10.
In beide definities wordt verwezen naar het nationale recht. Reeds om die reden is het hof van oordeel dat de conclusie dat ATAD 1 te beperkt is geïmplementeerd wat betreft de uitleg van het begrip ‘financieringskosten’ of ‘financieringskostensurplus’ geen sprake is.
Het hof wijst er voorts op dat ATAD 1 voortvloeit uit de aanbevelingen uit het OESO-rapport (Base Erosion and Profit Shifting - BEPS). [7] In dit rapport wordt ook ingegaan op de vraag wat onder rentekosten moet worden verstaan en dat niet strikt juridisch moet worden gekeken, maar ook naar economische equivalenten. Daarbij wordt in paragraaf 35 opgemerkt dat het aan ieder land wordt overgelaten om te bepalen hoe een en ander zich verhoudt tot de nationale wettelijke regelingen.
Verder moet worden bedacht dat het aspect rente twee kanten kent. Enerzijds de positie van de schuldenaar en anderzijds de positie van de schuldeiser. Beide hebben een tegengesteld belang bij de interpretatie van het rente-begrip voor de toepassing van deze wettelijke bepaling. Dit brengt naar het oordeel van het hof tevens mee dat de rechter terughoudend moet zijn, bij het beoordelen of een richtlijn te beperkt of te ruim is geïmplementeerd.
4.11.
Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het in 4.8. genoemde arrest Commissie tegen België. In dit arrest oordeelde het HvJ EU dat België ATAD 1 niet juist had geïmplementeerd.
4.12.
Het hof is van oordeel dat in dit arrest sprake is van een andersoortige bepaling uit ATAD 1 dan aan de orde in het onderhavige geschil. Het HvJ EU oordeelt dat artikel 8, lid 7, ATAD 1 een dwingend karakter heeft, algemeen is geformuleerd en niet voorziet in enige afwijking van de daarin neergelegde verplichting (punten 72 en 73). Tevens kijkt het HvJ EU naar de doelstellingen van ATAD 1, in het bijzonder de regel dat ook wordt beoogd te voorkomen dat er andere marktobstakels, zoals dubbele heffing, ontstaan (punten 91 en verder). Deze argumenten spelen niet in de onderhavige zaak.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.15.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.M. van der Vegt en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Een vergoeding voor de factoring-diensten plus een winstopslag.
2.De driemaands basisrente voor de relevante valuta.
3.Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, Pb EU 2016, L 193.
4.Artikel 15b, lid 6, letter a, Wet Vpb.
5.Zie de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken I 2018/19, 35 030, E, en een brief van de Staatssecretaris van Financiën, Kamerstukken I 2018/19, 35030, G, p. 1.
6.HvJ EU 26 februari 2026, ECLI:EU:C:2026:111 (C-524/23, Commissie tegen België).
7.Limiting Base Erosion Involving Interest Deductions and Other Financial Payments’, Action 4, 2015 Final Report (OECD 2015).