Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1167

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
24/1903
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WbrArt. 15a WbrArt. 11 Wet van 15 mei 1829Art. 120 GrondwetArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffing overdrachtsbelasting wegens ontbreken intentie hoofdverblijf eerste woning

Belanghebbende en zijn partner kochten op 31 januari 2021 een eerste woning waarvoor het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting werd toegepast. Kort daarna, op 28 juni 2021, sloten zij een koopovereenkomst voor een tweede woning die beter aan hun wensen voldeed. De eerste woning werd op 1 juli 2021 geleverd en de tweede woning op 29 september 2021. Belanghebbende en zijn partner woonden tot circa 27 oktober 2021 in de eerste woning en verhuisden daarna naar de tweede woning.

De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op tegen het hogere tarief van 8%, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de eerste woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf werd gebruikt. Belanghebbende voerde aan dat hij de eerste woning vier maanden als hoofdverblijf heeft gebruikt en dat er sprake was van onvoorziene omstandigheden. Het hof oordeelde dat op het moment van verkrijging van de eerste woning (1 juli 2021) de intentie om deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken ontbrak, omdat de koop van de tweede woning al was gesloten.

Het hof verwierp het beroep op onvoorziene omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel, en oordeelde dat het verlaagde tarief terecht niet van toepassing is. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het EVRM faalde. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking zijn terecht opgelegd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting tegen het hogere tarief van 8% wegens ontbreken van de intentie de eerste woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1903
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 november 2024, nummer BRE 23/9741, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking (hierna: de belastingrentebeschikking) belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend die door het hof, gezien de omvang, is aangemerkt als een nader stuk.
De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden. Belanghebbende heeft hierop een aanvullend stuk ingediend. De griffier heeft deze stukken telkens doorgestuurd naar de wederpartij. Deze stukken worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn partner [partner] . Namens de inspecteur is verschenen [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/1886 van de partner van belanghebbende.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende en zijn partner hebben op 31 januari 2021 een woning aan de [adres 1] te [plaats] gekocht voor € 315.000 (hierna: de eerste woning).
2.2.
Op 28 juni 2021 hebben zij de koopovereenkomst getekend voor de aankoop van een woning aan de [adres 2] te [woonplaats] (hierna: de tweede woning).
2.3.
De eerste woning is op 1 juli 2021 geleverd. Bij de levering van deze woning heeft belanghebbende een verklaring ingevuld en ondertekend waarin hij heeft verklaard de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.
In de akte van levering staat onder het kopje “overdrachtsbelasting” vermeld:
“Wegens de levering van het verkochte is overdrachtsbelasting verschuldigd. De overdrachtsbelasting komt voor rekening van koper.
De overdrachtsbelasting is verschuldigd over de koopprijs, aangezien deze ten minste gelijk is aan de waarde van het verkochte.
Koper heeft verklaard dat het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Wet op de belastingen rechtsverkeer op hen van toepassing is. De verklaring overdrachtsbelasting laag tarief wordt aan deze akte gehecht.
De overdrachtsbelasting bedraagt twee procent (2%) over driehonderdvijftienduizend euro (€ 315.000), zijnde zesduizend driehonderd euro (€ 6.300).”
2.4.
Op 7 juli 2021 is het aangegeven bedrag van € 6.300 aan overdrachtsbelasting voldaan. De helft hiervan is toe te rekenen aan belanghebbende.
Op 31 juli 2021 hebben zij de eerste woning te koop aangeboden. Deze is op 25 augustus 2021 verkocht voor € 365.000.
2.5.
De tweede woning is op 29 september 2021 geleverd. Bij de levering van de tweede woning heeft belanghebbende eveneens een verklaring ingevuld en ondertekend waarin hij heeft verklaard de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.
In de akte van levering staat onder het kopje “overdrachtsbelasting” vermeld:
“Wegens de levering van het verkochte is overdrachtsbelasting verschuldigd. De overdrachtsbelasting komt voor rekening van koper.
De overdrachtsbelasting is verschuldigd over de koopprijs, aangezien deze ten minste gelijk is aan de waarde van het verkochte.
De kopers hebben verklaard dat het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Wet belastingen van rechtsverkeer op hen van toepassing is. De verklaringen overdrachtsbelasting laag tarief worden aan deze akte gehecht.”
2.6.
Belanghebbende en zijn partner hebben tot (circa) 27 oktober 2021 in de eerste woning gewoond en zijn daarna naar de tweede woning verhuisd. Belanghebbende en zijn partner wonen tot op heden in de tweede woning.
2.7.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 september 2022 om aanvullende informatie verzocht met betrekking tot het niet anders dan tijdelijk gebruik van de eerste woning als hoofdverblijf. Belanghebbende heeft niet op dit verzoek gereageerd.
2.8.
Met dagtekening van 16 november 2022 heeft de inspecteur belanghebbende een voornemen tot naheffing verzonden via het adres van de notaris die de leveringsakte heeft gepasseerd. Ook daar heeft de inspecteur geen reactie op ontvangen.
2.9.
Met dagtekening 22 mei 2023 heeft de inspecteur vervolgens aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd ter grootte van € 9.450. Gelijktijdig bij het opleggen van deze naheffingsaanslag is bij beschikking € 540 belastingrente in rekening gebracht.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en de belastingrentebeschikking terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Meer specifiek is daarbij in geschil of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 2% voor de overdrachtsbelasting met betrekking tot de verkrijging van de eerste woning.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking en tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Artikel 14 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) luidt, voor zover van belang, als volgt (tekst 2021):
“1. De belasting bedraagt 8 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning of rechten waaraan deze is onderworpen, (…), als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring.”
4.2.
Artikel 15a Wbr luidt, voor zover van belang, als volgt (tekst 2021):
“1. De schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 14, tweede lid, of artikel 15, eerste lid, onderdeel p, geschiedt door het door iedere verkrijger afzonderlijk invullen van het daartoe door de inspecteur ter beschikking gestelde standaardformulier.
(…)
5. De verkrijger, die de verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd en die aannemelijk maakt dat hij door onvoorziene omstandigheden, die zich hebben voorgedaan na het tijdstip van de verkrijging, redelijkerwijs niet in staat is geweest de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken, wordt geacht die woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te hebben gebruikt.”
4.3.
In de Memorie van Toelichting bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting [1] is in verband met het begrip ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruiken’ onder meer het volgende opgenomen:
“Andere natuurlijke personen - niet zijnde starters - die een woning verkrijgen, hebben recht op de toepassing van het verlaagde tarief van 2%, mits zij de woning verkrijgen om deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Alle overige verkrijgingen worden vanaf 1 januari 2021 belast tegen het hogere algemene tarief. (…). Dit betekent dat – naast de verkrijging van niet-woningen, zoals bedrijfspanden – ook verkrijgingen van woningen die niet, of slechts tijdelijk, als hoofdverblijf gaan worden gebruikt, worden belast tegen 8%. [2]
(…)
Bij natuurlijke personen die na de overdracht de woning minimaal een half jaar daadwerkelijk als hoofdverblijf hebben gebruikt, zal het verlaagde tarief of de startersvrijstelling in beginsel van toepassing zijn. Dit neemt niet weg dat in bepaalde evidente misbruiksituaties de inspecteur de mogelijkheid moet hebben om na te heffen. [3]
(…)
Als uit de objectieve gegevens niet blijkt dat de verkrijger de woning
daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken, geeft de
inspecteur de verkrijger de gelegenheid aannemelijk te maken dat de woning toch
is gekocht om anders dan tijdelijk te gaan gebruiken als hoofdverblijf. Met
onvoorziene omstandigheden na de overdracht van de woning zal door de
inspecteur rekening worden gehouden. Dit betekent dat onvoorziene
gebeurtenissen na de verkrijging, zoals het duurzaam verloren gaan van de
woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers, het
aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie, omstandigheden zijn die
redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen dat de verkrijger ondanks de afgelegde
verklaring uiteindelijk toch niet in de woning is gaan wonen. Ingeval onvoorziene
gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning
anders dan tijdelijk als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de
startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen.” [4]
4.4.
Belanghebbende stelt primair dat hij de woning feitelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf heeft gebruikt en ook de intentie heeft gehad om de eerste woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. De eerste woning was voor hem gedurende vier maanden zijn permanente hoofdverblijf en het middelpunt van zijn sociale en maatschappelijke leven.
4.5.
Het hof volgt belanghebbende hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
Voor toepassing van de overdrachtsbelasting is ter bepaling van het moment van verkrijging van de woning de datum van het opmaken van de notariële akte van levering bij de notaris beslissend. Het hof stelt vast dat de akte van levering voor de eerste woning op 1 juli 2021 is opgemaakt, zodat deze datum voor toepassing van de overdrachtsbelasting het tijdstip van verkrijging is. De koopovereenkomst voor de tweede woning, in [woonplaats] , is drie dagen daarvoor, op 28 juni 2021, gesloten. Gelet daarop heeft belanghebbende reeds niet aannemelijk gemaakt dat op het moment van verkrijging van de eerste woning de intentie nog aanwezig was om deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Immers, belanghebbende en zijn partner waren toen al voornemens naar de door hun kort daarvoor aangekochte woning in [woonplaats] te verhuizen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende, zo heeft hij ter zitting verklaard, gedurende de Corona-periode niet zoveel om handen had en dat hij zich is blijven oriënteren op de woningmarkt. Hij is medio februari 2021, slechts enkele weken na aankoop van de eerste woning, op de Funda-website actief naar andere woningen blijven kijken, waarbij hij de woning in [woonplaats] tegenkwam. Daarop zijn belanghebbende en zijn partner in actie gekomen. Zij hebben veel tijd en moeite gestoken in de bestemmingswijziging van de tweede woning van bedrijfspand naar woning, waarvoor de medewerking van de gemeente nodig was. Ook is er een woonvergunning aangevraagd en een positief bedrijfsadvies dat nodig was om de bestemming te kunnen wijzigen en om de hypotheek van de bank voor die woning rond te kunnen krijgen.
4.6.
Het onderscheid dat belanghebbende maakt tussen een voorwaardelijke intentie en een onvoorwaardelijke intentie maakt dit niet anders. Belanghebbende stelt, kort samengevat, dat voor de eerste woning sprake was van een onvoorwaardelijke intentie en voor de tweede woning van een voorwaardelijke intentie omdat het van veel factoren afhankelijk was of de tweede woning geleverd zou kunnen worden. Op het moment van levering van de eerste woning was dit allerminst zeker. Belanghebbende verwijst hiervoor ook naar artikel 14, lid 2, Wbr waarin is opgenomen dat de verklaring “duidelijk, stellig en zonder voorbehoud” moet zijn. Het hof volgt belanghebbende hierin niet. Het gaat erom dat de gegevens in de verklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud zijn ingevuld. Dat sprake was van een ontbindende voorwaarde wegens, of onzekerheid met betrekking tot de financiering of de bestemmingswijziging heeft niets te doen met de term “zonder voorbehoud” zoals bedoeld in voornoemde bepaling. Door de aankoop van de tweede woning vóór de levering van de eerste woning was duidelijk dat partijen op het moment van levering niet meer de intentie hadden om anders dan tijdelijk in de eerste woning te verblijven. Zij wilden immers gaan wonen in de tweede woning in [woonplaats] , waar zij ook daadwerkelijk nog geen vier maanden later naartoe zijn verhuisd. Ook voor het overige ziet het hof geen aanleiding om het door belanghebbende aangebrachte onderscheid tussen een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke intentie relevant te achten voor beslechting van onderhavig geschil.
4.7.
Gelet op alle feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van het hof daarom niet worden gezegd dat op het moment van de verkrijging van de eerste woning de intentie (nog) aanwezig was om deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.
4.8.
Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake was van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in voornoemd artikel 15a, lid 5, Wbr. Volgens belanghebbende kwam hij een andere woning tegen die meer aan de wensen van hem en zijn partner voldeed. Ook moest de eerste woning worden verkocht om de financiering van de tweede woning rond te kunnen krijgen en was de koop van de tweede woning afhankelijk van een bestemmingswijziging. De omstandigheid dat niet zeker was of de tweede woning gekocht kon worden is een onvoorziene omstandigheid, aldus belanghebbende.
4.9.
De belastingplichtige die het verlaagde tarief voor de overdrachtsbelasting vanwege onvoorziene omstandigheden wenst toe te passen, dient in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken, die meebrengen dat er ter zake van zijn verkrijging sprake is geweest van onvoorziene omstandigheden.
Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de onvoorziene omstandigheid eruit bestaat dat het uiteindelijk, ondanks onzekerheid over de bestemmingswijziging en de financiering, toch gelukt is om de aangekochte woning, voorzien van een woonbestemming, in [woonplaats] te verkrijgen en dat die omstandigheid zich heeft voorgedaan ná de verkrijging van de eerste woning verwerpt het hof deze stelling. De wijziging van het bestemmingsplan voor de tweede woning en de uiteindelijke verkrijging van deze woning zijn, noch separaat, noch gezamenlijk aan te merken als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 15a, lid 5, Wbr. Deze omstandigheden zijn niet op een lijn te stellen met diep ingrijpende gebeurtenissen zoals echtscheiding, overlijden van een partner, vertrek naar het buitenland, zoals hiervoor in 4.3. genoemd, die redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet in de woning is blijven wonen. De intentie van belanghebbende was op dat moment niet om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.
4.10.
Voor zover de stelling van belanghebbende zo moet worden gelezen dat de aankoop van de tweede woning de onvoorziene omstandigheid vormt (namelijk dat zij hun zogenaamde “droomwoning” in [woonplaats] te koop zagen staan) – en de onvoorziene omstandigheid zich dus heeft voorgedaan vóór de verkrijging van de eerste woning, begrijpt het hof de stelling van belanghebbende zo dat hij een beroep wenst te doen op het goedkeuringsbesluit van 29 juni 2021 [5] . Op grond van dit besluit wordt goedgekeurd dat het 2%-tarief alsnog wordt toegepast indien de onvoorziene omstandigheid zich heeft voorgedaan tussen het tijdstip van ondertekenen van de koopovereenkomst en het tijdstip van de verkrijging van de woning. Ook deze stelling slaagt niet.
Het hof verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 28 januari 2026. [6] De door belanghebbende genoemde omstandigheden, zoals het tegenkomen van de gewenste woning in [woonplaats] , de omstandigheid dat belanghebbende en partner dan dichterbij familie en werk konden wonen, de onzekerheid over het rondkrijgen van de bestemmingswijziging en van de financiering, zijn alle geen omstandigheden die redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet in staat is geweest de eerste woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er geen sprake is geweest van een van buiten komende ingrijpende externe omstandigheid die noopte tot verhuizing, maar dat belanghebbende een vrijwillige keuze heeft gemaakt om kort na de aankoop van de eerste woning op zoek te gaan naar een andere woning en vervolgens te verhuizen naar de tweede woning.
4.11.
Meer subsidiair doet belanghebbende een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Hij stelt dat deze maatregel tot onbedoelde neveneffecten leidt.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. Artikel 11 Wet Pro van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk [7] , waarin tot uitdrukking is gebracht dat de rechter de redelijkheid en billijkheid van een wettelijke maatregel niet mag toetsen, alsmede het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro staan bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling in beginsel in de weg aan toetsing van een wet in formele zin aan het evenredigheidsbeginsel. De heffing van overdrachtsbelasting berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. [8] Deze zijn door belanghebbende niet gesteld en daarvan is hier ook geen sprake. Het hof ziet in dit geval ook geen onevenredige uitkomst die de wetgever niet kan hebben bedoeld en die aanleiding zou kunnen geven tot een andere uitkomst dan waartoe toepassing van de wettelijke voorwaarden leidt.
4.12.
Belanghebbende verwijst ook naar doel en strekking van de regeling, dat in zijn geheel in lijn is met het gebruik van de woning door hem. Het hof overweegt dat doel en strekking van het verlaagde tarief is het verbeteren van de positie van starters op de woningmarkt ten opzichte van beleggers. Artikel 14 Wbr Pro biedt geen steun voor de opvatting dat, indien geen sprake is van een misbruiksituatie en belanghebbende zijn inziens de woning heeft gebruikt in lijn met de regelgeving, het verlaagde tarief van toepassing is. De aan dit artikel ten grondslag liggende bedoeling is in zijn toepassingsvoorwaarden geobjectiveerd vastgelegd. Belanghebbende heeft niet aan de voorwaarden voldaan. Daarmee is evenmin van belang of de heffing in het onderhavige geval (on)rechtvaardig is.
4.13.
Voor zover belanghebbende met zijn beroep op de menselijke maat heeft willen betogen dat met een heffing van 8% een inbreuk wordt gemaakt op het recht op ongestoord genot van het eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), kan dit betoog niet slagen. De wetgever heeft het verlaagde tarief van 2% ingevoerd om het eigenwoningbezit te bevorderen en de woningmarkt te stimuleren. Daarbij was zij genoodzaakt het begrip woning af te bakenen. Aldus heeft de wetgever gekozen voor een objectief en praktisch uitvoerbaar criterium, waarmee hij de hem op dit gebied toekomende ruime beoordelingsmarge niet heeft overschreden.
4.14.
Voor zover belanghebbende betoogt dat sprake is van schending van artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM omdat de belastingheffing voor hem een individuele en buitensporige last oplevert, overweegt het hof dat voor deze toets met name aandacht besteed wordt aan de belastingdruk in relatie tot de inkomens- en vermogenspositie van de belastingplichtige. Nu niet gesteld noch aannemelijk gemaakt is dat zich bij belanghebbende bijzondere, niet voor alle geconfronteerde belastingplichtigen geldende, feiten en omstandigheden voordoen die een buitensporige last voor hem meebrengen, kan zijn betoog niet slagen. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat belanghebbende, zoals hij ter zitting heeft verklaard, binnen een relatief kort tijdsbestek, namelijk zo’n zeven maanden, € 50.000 winst heeft gemaakt bij de verkoop van de eerste woning.
4.15.
Tot slot beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen [9] . Niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur een toezegging of uitlating heeft gedaan waaruit belanghebbende redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het verlaagde tarief van toepassing was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
4.16.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag zijn opgelegd respectievelijk gegeven. Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.17.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.18.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.19.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, J. Wessels en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R.J.M. de Fouw J.C.E. Ackermans-Wijn
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2020/21, 35 576, nr. 3.
2.Kamerstukken II, 2020/21, 35 576, nr. 3, p. 5.
3.Kamerstukken II, 2020/21, 35 576, nr. 3, p 12.
4.Kamerstukken II, 2020/21, 35 576, nr. 3, p 12.
5.Staatscourant 2021, Nr. 34540, blz. 2.
7.Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28.
8.HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535, rechtsoverweging 5.6.2. Vergelijk HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, rechtsoverweging 3.9, HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729, rechtsoverweging 3.9.2, en HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1371, rechtsoverweging 5.5.2.