Uitspraak
wonende te [woonplaats] , Duitsland,
gevestigd te Brussel, België,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Allianz heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
3.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
Het schip is eigendom van [betrokkene] en zijn echtgenote (hierna tezamen in enkelvoud: [betrokkene] ). [betrokkene] exploiteerde het schip door op verzoek toeristische boottochtjes voor groepen en individuen te verzorgen.
Deze regeling behelst geen implementatie van verdragsrecht en betreft dus uitsluitend recht van nationale herkomst. Art. 8:983 lid 1 BW Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood of letsel van de reiziger is beperkt tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag. Het gaat hierbij dus om een individuele limiet. In art. 1 lid 1 van Pro het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde Besluit van 11 maart 1991 (Stb. 1991, 108) is dit bedrag bepaald op f 300.000,--. Bij het Aanpassingsbesluit euro van 14 september 2001 (Stb. 2001, 415) is dit bedrag, zonder verdere aanpassing, omgezet in € 137.000,--. Sedertdien is dit bedrag niet gewijzigd.
Het CLNI 1988 is geïmplementeerd in de art. 8:1060-1066 BW (titel 8.12 BW), welke bepalingen voor de binnenvaart gelden naast die van art. 8:970-986 BW en naast de regeling van art. 8:983 lid 1 BW Pro van toepassing zijn (art. 8:983 lid 2 BW Pro).
Het onderdeel is op dit punt echter niet uitgewerkt. Evenmin blijkt dat in feitelijke instanties een beroep op deze bepalingen is gedaan of dat daarin, ter ondersteuning van de vordering, (feitelijke) stellingen zijn aangevoerd die dat beroep zouden kunnen dragen. Gelet op het deels feitelijke karakter ervan kan het beroep op deze bepalingen ingevolge art. 419 lid 2 Rv Pro niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. Voor zover de klachten van het onderdeel op deze bepalingen zijn gegrond, kunnen zij daarom niet tot cassatie leiden.
.
.Die verhoging laat zich immers naar objectieve maatstaven bepalen, terwijl die aanpassing bovendien in overeenstemming is te achten met de door de wetgever in 1991 gemaakte keuze, nu de limiet door die aanpassing in feite op haar reële economische waarde wordt gehouden. Voor schade geleden vanaf in elk geval het jaar 2007 valt daarom tot uitgangspunt te nemen dat daarvoor weliswaar de limiet van art. 1 lid 1 van Pro het Besluit van 11 maart 1991 geldt, maar dat deze limiet vanaf 1991 jaarlijks per 1 januari dient te worden verhoogd met het naar objectieve maatstaven te berekenen bedrag van de geldontwaarding
.In deze zaak kan in het midden blijven wat geldt voor schade geleden in de periode voorafgaande aan 2007
.
.
18 mei 2018.