ECLI:NL:GHSHE:2026:136

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
23/337
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 8:42 AwbArt. 17 lid 2 Wet WOZArt. 4 lid 1 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde winkelpand volgens huurwaardekapitalisatiemethode

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een winkelpand, vastgesteld door de heffingsambtenaar op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode. Na een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof.

Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld. De gehanteerde huurwaardekapitalisatiemethode was passend en de gebruikte huurprijzen waren onderbouwd met taxatierapporten en vergelijkingsobjecten. De stellingen van belanghebbende over een te hoge huurwaarde, leegstandsrisico en marktomstandigheden werden onvoldoende onderbouwd geacht.

Verder stelde belanghebbende dat de heffingsambtenaar in strijd met de Awb en Wet WOZ handelde door geen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen te overleggen. Het hof oordeelde dat deze gegevens niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en dat de heffingsambtenaar deze niet had gebruikt bij de waardebepaling.

Het beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gebrek aan vermogen. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Vergoedingen voor immateriële schade werden niet toegekend, maar de redelijke termijn was overschreden. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van het winkelpand wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/337
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2023, nummer BRE 20/9112, in het geding tussen belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) per de waardepeildatum 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 4 oktober 2024 heeft op digitale wijze een zitting plaatsgevonden met gebruikmaking van MS Teams. Aan de digitale zitting heeft [gemachtigde] namens [kantoor gemachtigde] B.V., als gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.6.
Bij het schrijven van 29 september 2025 heeft het hof het vooronderzoek heropend.
1.7.
Belanghebbende heeft vóór de geplande nadere zitting van 17 oktober 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.8.
Op 17 oktober 2025 heeft belanghebbende raadsheer Wessels gewraakt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling ter zitting op 17 oktober 2025 niet doorgegaan. Met zijn uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van raadsheer Wessels afgewezen. [1]
1.9.
Nadien heeft belanghebbende nadere stukken ingediend welke aan de wederpartij zijn doorgezonden.
1.10.
De nadere zitting heeft op digitale wijze – via MS Teams – plaatsgevonden op 24 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar hebben aan deelgenomen en zijn verschenen [gemachtigde] namens [kantoor gemachtigde] B.V., als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] en [taxateur 1] (taxateur).
1.11.
Het hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak, bouwjaar 1997, heeft een totale oppervlakte van 2.690 m². Hiervan is 1.395 m² gelegen op de begane grond en 1.295 m² op de eerste verdieping. In de onroerende zaak is de woonwinkel [belanghebbende] gevestigd. De onroerende zaak is per 2 juli 2013 verhuurd voor € 152.240 per jaar.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum volgens de huurwaardekapitalisatiemethode vastgesteld op € 1.210.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd. Ter onderbouwing van de beschikte waarde verwijst de heffingsambtenaar naar het op 7 maart 2022 door [taxateur 2] (Register Taxateur) opgestelde taxatierapport. Hieruit volgt een waarde op de waardepeildatum van € 1.298.000. Aan de waardebepaling zijn een verhuurtransactie van de onroerende zaak [adres 2] te [plaats] en een verkooptransactie van de onroerende zaak [adres 3] te [plaats] ten grondslag gelegd.
Vergelijkingspand
Huurdatum
Jaarhuur
[adres 2]
01-01-2017
€ 317.000
Vergelijkingspand
Transportdatum
Jaarhuur
[adres 3]
12-09-2019
€ 111.974
2.3.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Omdat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg was overschreden, heeft de rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade tot een bedrag van respectievelijk € 209,25 en € 83,35. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 177. De rechtbank heeft de minister eveneens tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade veroordeeld tot een bedrag van respectievelijk € 209,25 en € 916,65. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de minister het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 177.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de heffingsambtenaar de WOZ–waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum te hoog vastgesteld?
II. Heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met artikel 8:42 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) hetzij in strijd met artikel 40, lid 2, Wet WOZ door de zogenoemde (gehele) iWOZ-kaarten niet te overleggen?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en verlaging van de WOZ–waarden van de onroerende zaak. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.1.
Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de hoger beroepsprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van het hof heeft hierin geen aanleiding gezien van heffing van het griffierecht af te zien. Vervolgens heeft belanghebbende het griffierecht betaald.
4.2.
De omstandigheid dat het griffierecht is betaald staat niet in de weg aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht. [2]
4.3.
Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als de vereiste actuele gegevens en bewijsstukken en eventuele nadere informatie binnen de daartoe gestelde termijn zijn ontvangen en op grond daarvan aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan (vanaf 1 januari 2021) 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij dienen het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Het gaat hier om het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn. [3]
4.4.
Op grond van de door belanghebbende overgelegde documenten acht het hof niet aannemelijk dat belanghebbende niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Het hof wijst daarom het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht af.
Ten aanzien van het geschil
Vraag I
4.5.
De waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. [4] Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding voor verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed.
4.6.
De hiervoor bedoelde waarde voor niet-woningen kan worden bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur. Partijen zijn het er over eens dat deze zogenoemde huurwaardekapitalisatiemethode (de HWK-methode) in dit geval de meest geëigende methode is om de waarde in het economische verkeer te bepalen. Het hof volgt partijen in deze opvatting nu deze niet onjuist is gebleken.
4.7.
Voor het bepalen van de kapitalisatiefactor geldt dat een berekening op basis van gerealiseerde transactiecijfers de voorkeur heeft omdat die een betere onderbouwing vormen van de in artikel 17, lid 2, Wet WOZ, in verbinding met artikel 4, lid 1 aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ gezochte waarde (de zogenoemde top-down berekening). Een zogenoemde bottom-up-berekening waarbij de kapitalisatiefactor van onderaf wordt opgebouwd, is naar haar aard met onzekerheid omgeven, aangezien veel van de gehanteerde percentages moeten worden geschat.
4.8.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat zij nooit meer aan huur betaald dan € 49/m2, zodat de door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaarde te hoog is. Ook is het leegstandsrisico niet goed ingeschat door de heffingsambtenaar, evenals de specifieke marktomstandigheden voor meubelwinkels, mede gelet op het faillissement van [bedrijf] . Verder stelt belanghebbende dat de grondwaarde niet goed is vastgesteld door de heffingsambtenaar. Ten slotte is belanghebbende de mening toegedaan dat er in casu geen sprake is van een winkel maar van een overdekte marktplaats / showroom met meubels in het goedkopere segment.
4.8.2.
De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep gesteld dat bij de huurwaardekapitalisatiemethode geen afzonderlijke waarde wordt toegekend aan de grond. Verder heeft de heffingsambtenaar gesteld dat op de weg van belanghebbende ligt om – bijvoorbeeld door middel van het overleggen van huurovereenkomsten – het door haar genoemde huurcijfer van € 49 per m2 aannemelijk te maken, hetgeen belanghebbende in casu niet heeft gedaan.
Ten slotte stelt de heffingsambtenaar dat hij uit is gegaan van een leegstandsrisico van 13%, hetgeen is gebaseerd op 8 leegstaande objecten op een totaal van 58 objecten, waaronder de onroerende zaak, op waardepeildatum. Uitgaande van een percentage gebaseerd op oppervlakte, conform de stelling van belanghebbende, komt het leegstandspercentage van ongeveer 7%, en daarmee lager dan het gehanteerde percentage, aldus de heffingsambtenaar.
4.9.1.
Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft gesteld, de beschikte waarde van het object [adres 1] in [plaats] aannemelijk heeft gemaakt. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld doet aan dit oordeel niet af.
4.9.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak vastgesteld met gebruikmaking van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij gebruikmaking van deze methode wordt geen afzonderlijke waarde toegekend aan de grond, zodat reeds hierom het betoog van belanghebbende inhoudende dat de grondwaarde niet goed is vastgesteld door de heffingsambtenaar, faalt.
4.9.3.
Ook de stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar de waarde heeft vastgesteld onder gebruikmaking van een te hoge huursom, kan haar niet baten. Het hof overweegt dat in de taxatiematrix de huurwaarde van de onroerende zaak is afgeleid uit huurtransacties van twee in de omgeving gelegen vergelijkbare referentieobjecten. Uit die transacties volgen huurprijzen voor de winkel/verkoopruimtes van € 90/m2 en € 80/m2. Voor de onroerende zaak is de taxateur uitgegaan van een m2-prijs die beneden deze prijzen ligt, namelijk € 57,76/m2 voor de begane grond en € 41,13 voor de eerste verdieping. De heffingsambtenaar heeft het taxatierapport, met daarin de gehanteerde huursom, overgelegd om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Voor beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar daarin is geslaagd dient te worden betrokken dat wat belanghebbende heeft aangevoerd. Het slechts (bloot) stellen dat zij nooit meer huur betaalt dan € 49/m2 is daarvoor onvoldoende. Ten minste zal twijfel moeten worden gezaaid over waarom de door de taxateur – een deskundige – gebruikte onderbouwingen niet zouden kunnen kloppen. Zonder dat begin van bewijs moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Dit geldt des te meer nu de heffingsambtenaar voor de winkelruimte op de eerste verdieping heeft gerekend met een huursom van € 41,13/m2, hetgeen betekent dat de stelling van belanghebbende – voor wat betreft de winkelruimte op de eerste verdieping – feitelijke grondslag ontbeert.
4.9.4.
Het leegstandsrisico van 13% komt het hof eveneens aannemelijk en niet te laag voor, mede gelet op de onderbouwing daarvan ter zitting. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de heffingsambtenaar ter zitting heeft gesteld – en belanghebbende heeft dit niet bestreden – dat de door belanghebbende bepleite wijze van berekenen van het leegstandsrisico leidt tot een lager leegstandsrisico dan door de heffingsambtenaar gehanteerd.
4.9.5.
Het hof volgt belanghebbende eveneens niet in haar betoog dat de onroerende zaak juridisch gezien geen winkel zou zijn, maar een overdekte marktplaats. Belanghebbende presenteert zich op die website onder “ Over ons” als “dé Europese specialist in [meubelen] . Met maar liefst 48 Megastores is [belanghebbende] toonaangevend op de meubelmarkten in Nederland, België en Duitsland.”. [5] Uit niets blijkt dat geen sprake is van een showroom waar meubels worden gepresenteerd aan het winkelende consumenten, zodat zij een keuze kunnen maken, zich eventueel kunnen laten adviseren en kunnen kopen. Van juridische beperkingen voor dat gebruik is niet gebleken. Dit maakt dat de heffingsambtenaar de onroerende zaak terecht heeft aangemerkt als winkel.
4.9.6.
De door de heffingsambtenaar betwiste stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar te weinig rekening heeft gehouden met de specifieke marktomstandigheden voor meubelwinkels, is door belanghebbende verder niet uitgewerkt of onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht. Het hof is ook anderszins niet gebleken van (waarde)drukkende factoren. Ook is niet gemotiveerd gesteld noch op andere wijze gebleken dat de waarde van de onroerende zaak vanwege het faillissement van [bedrijf] te hoog is vastgesteld.
4.9.7.
Met hetgeen hij heeft gesteld heeft de heffingsambtenaar de beschikte waarde van de onroerende zaak aannemelijk gemaakt. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft ingebracht is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.
Vraag II
4.10.1.
Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar de zogenoemde (gehele) iWOZ-kaarten en bouwtekeningen had moeten overleggen; hetzij op de voet van artikel 8:42 Awb Pro hetzij op de voet van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden vastgoedobjecten in Nederland. Deze gegevens zijn afkomstig van publiekelijk toegankelijke, door makelaars gepubliceerde verkoopadvertenties.
4.10.2.
De iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de (vergelijkings)objecten behoren in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb Pro. De heffingsambtenaar is daarom niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit is slechts anders als de iWOZ-kaarten en/of de bouwtekeningen door de heffingsambtenaar zijn gebruikt om daaruit de kenmerken van de (vergelijkings)objecten af te leiden die van belang zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, maar daarvoor biedt het dossier geen aanknopingspunten. In de omstandigheid dat belanghebbende (bij gebrek aan wetenschap) enkel bloot heeft betwist dat de door de heffingsambtenaar gebruikte objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn, ziet hof geen aanleiding de iWOZ-kaarten en/of bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten als op de zaak betrekking hebbende stukken te beschouwen. Daar komt bij dat de bouwtekeningen in principe toegankelijk zijn voor eenieder in de lokale gemeentearchieven.
4.10.3.
Alleen gegevens die aan de WOZ-waarde ten grondslag hebben gelegen, vallen onder het bereik van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard – en belanghebbende heeft dit niet bestreden – dat de taxateur bij het vaststellen van de WOZ-waarde geen gebruik heeft gemaakt van de iWOZ-kaarten en bouwtekeningen. Het hof ziet geen aanleiding deze verklaringen in twijfel te trekken. Daarom is van een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ (in zoverre) geen sprake.
Niet van een motivering voorziene stellingen
4.11.1.
Gemachtigde heeft namens belanghebbende in diverse stukken stellingen betrokken, grotendeels zonder dat deze zijn voorzien van een ook maar enigszins substantiële, feitelijke onderbouwing. Deze stellingen laten zich in casu als volgt samenvatten:
De referentieobjecten zijn ongeschikt;
Er is onvoldoende rekening gehouden met (de gevolgen van) de Coronacrisis, een derde wereldoorlog in Europa en internationale economische sancties;
Betwisting van de grondprij(s)(zen) en onderbouwing van de gebruikte trendwaarden;
Een onjuiste objectafbakening;
Grondstaffels ontbreken;
De KOUDV–factoren zijn onvolledig en onderlinge verschillen zijn onvoldoende verdisconteerd;
Onderhoudskosten zijn voor een te laag bedrag meegerekend;
4.11.2.
Enerzijds ontbeert een aantal van de stellingen (nr’s 5 en 6) feitelijke grondslag. Binnen de huurwaardekapitalisatiemethode wordt niet gerekend met grondstaffels of KOUDV–factoren. Anderzijds is een aantal stellingen niet door belanghebbende van een (afdoende) feitelijke motivering voorzien. Gemachtigde heeft – ondanks dat hem daartoe ter zitting van het hof de mogelijkheid is geboden – nagelaten de overige stellingen namens belanghebbende van een motivering te voorzien. Ook heeft gemachtigde ter zitting niet verwezen naar deze eerder in zijn stukken ingenomen stellingen.
4.11.3.
Waarom de referentieobjecten, die gebruikt zijn bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak, ongeschikt zijn, heeft belanghebbende niet onderbouwd. Waarom en in welke mate de waarde van de onroerende zaken beïnvloed wordt de Coronacrisis, een derde wereldoorlog in Europa en internationale economische sancties, waarom er sprake is van een onjuiste objectafbakening en waarom en in welke mate de onderhoudskosten tot een te laag bedrag zijn meegerekend, heeft belanghebbende evenmin onderbouwd.
Opbrengstlimiet
4.12.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat ten aanzien van de posten ‘overhead’, ‘uren’ en BTW in de ramingen redelijke twijfel bestaat of en in hoeverre er sprake is van een ‘last ter zake’. Omdat hierdoor niet kan worden vastgesteld dat de opbrengstlimieten niet zijn overschreden, dienen de tariefstellingen in de gemeentelijke verordeningen jegens belanghebbende onverbindend verklaard te worden, aldus belanghebbende.
4.12.2.
Allereerst merkt het hof op dat de onroerendezaakbelastingen geen rechten zijn als bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en dat de opbrengstlimiet daarom daarop niet van toepassing is. Op het in onderdeel 1.1 bedoelde geschrift zijn eveneens aanslagen rioolheffing en zuiveringsheffing bedrijfsruimten vermeld (hierna gezamenlijk: de aanslagen).
Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst belanghebbende alleen naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem–Leeuwarden van 3 juni 2025. [6] In het bezwaarschrift zijn geen inhoudelijke klachten tegen de aanslagen aangevoerd. Belanghebbende heeft evenmin tijdens de beroepsfase enige inhoudelijke klacht tegen de aanslagen aangevoerd. Het hof laat de in 4.12.1 verwoorde stelling van belanghebbende wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing omdat het te laat is ingenomen. Bovendien verwijst genoemde uitspraak van 3 juni 2025 niet naar een verordening van de gemeente Middelburg.
4.13.
Gelet op het voorgaande heeft het hof geen aanleiding gezien om de verhuurder van de onroerende zaak in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. [7]
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding voor de hogerberoepsfase
4.15.1.
Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep van 9 maart 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade voor de hoger beroepsfase. Het gaat volgens belanghebbende om een zaak die valt onder het oude regime.
4.15.2.
De rechtbank heeft op 7 maart 2023 uitspraak gedaan en het hof doet heden uitspraak. De redelijke termijn van twee jaar om uitspraak te doen in hoger beroep is daardoor overschreden. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden. [8]
4.15.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2024 [9] (hierna: het arrest van 14 juni 2024) bepaald dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet wanneer het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan 12 maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [10] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de voorgenoemde wijziging niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest van 14 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op de datum van het arrest van 14 juni 2024 is overschreden (het overgangsrecht). [11] Aan de tweede voorwaarde wordt in onderhavig geval niet voldaan.
Het hof is daarom van oordeel dat de zaak van belanghebbende niet valt onder het overgangsrecht.
4.15.4.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 2024 ook overwogen:
‘3.3.5 In de regel zal hetgeen de belanghebbende in de procedure ter zake van een of meer fiscale beschikkingen heeft gevorderd, voldoende duidelijk maken waarin het financiële belang bij de procedure is gelegen en wat de omvang daarvan is. Er zijn echter ook gevallen waarin dit niet aanstonds duidelijk zal zijn op basis van het geschil met betrekking tot de fiscale beschikking(en). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan geschillen over een beschikking tot vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet waardering onroerende zaken, indien uit het geschil over de waardering niet tevens blijkt wat het financiële belang daarvan is met betrekking tot een of meer aan de belanghebbende op te leggen belastingaanslagen. In zulke gevallen ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting.’
4.15.5.
Belanghebbende heeft gesteld dat in casu het geschil een belang vertegenwoordigt dat groter is dan € 1.000, mede gelet op de mogelijkheid dat de volledige aanslag moet worden vernietigd als gevolg van een onjuiste objectafbakening. Belanghebbende heeft de door hem gestelde onjuiste objectafbakening in zijn geheel niet onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt noch heeft belanghebbende (andere) feiten gesteld op basis waarvan de omvang van het financiële belang bij het hoger beroep kan worden vastgesteld. Bij gebreke hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het financiële belang bij deze procedure hoger is dan € 1.000 en het hof volstaat daarom met een constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
J.H.M. van Ooijen J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.3.1.
3.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.2.4.
4.Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.
5.https://www. [website]
6.Gerechtshof Arnhem–Leeuwarden 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430.
7.Artikel 8:26 Awb Pro.
8.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
9.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
10.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.
11.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o 3.5.