ECLI:NL:GHSHE:2026:139

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
24/309 tot en met 24/312
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:124 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aftrekbaarheid premies arbeidsongeschiktheidsverzekering ondanks polisadministratieve afwijking

Belanghebbende, die een eenmanszaak had ingebracht in een BV, had een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) afgesloten. De premies werden door de BV betaald, maar belanghebbende bracht deze premies privé in aftrek in zijn IB/PVV-aangiften. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op omdat hij van mening was dat de premies niet op belanghebbende drukten in fiscale zin, mede omdat de polis administratief op naam van de BV stond.

De rechtbank oordeelde in het voordeel van belanghebbende, maar de inspecteur ging in hoger beroep. Het hof paste de Haviltex-maatstaf toe en concludeerde dat het altijd de bedoeling was dat belanghebbende als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde werd beschouwd, ondanks de administratieve fout in de polis. Dit werd ondersteund door verklaringen van ASR en de accountant, en de feitelijke uitkering aan belanghebbende.

Het hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de inspecteur tot betaling van griffierecht en proceskosten. De premies drukken daarmee op belanghebbende in de zin van artikel 3:124, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001, en zijn aftrekbaar.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt dat de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering aftrekbaar zijn bij belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/309 tot en met 24/312
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 januari 2024, nummer BRE 23/13, en 23/3465 tot en met 23/3467, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2016 tot en met 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht bij elk van deze navorderingsaanslagen.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 de aanslag IB/PVV (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.488. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de navorderingsaanslagen als de aanslag. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 12 januari 2024 en de beroepen gegrond verklaard. Deze uitspraak is naar partijen verzonden op 17 januari 2024.
1.5.
De inspecteur heeft digitaal op 26 februari 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende,
en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende dreef zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
Belanghebbende heeft de eenmanszaak in 2006 ingebracht in [bedrijf]
B.V. (hierna: de BV).
2.2.
Met ingang van 7 mei 1998 heeft belanghebbende zich verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Hij heeft daartoe een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten (hierna: de AOV) bij De Amersfoortse (onderdeel van ASR , hierna: ASR ). Het polisnummer van deze verzekering is [nummer 1] .
2.3.
In 2017 heeft belanghebbende op grond van de afgesloten AOV een uitkering ontvangen. Deze uitkering is door ASR , na inhouding van loonheffing, rechtstreeks overgemaakt op een privé-bankrekening van belanghebbende.
2.4.
Tot de stukken behoort met betrekking tot de AOV een polis met wijzigingsdatum 7 februari 2019, die onder meer vermeldt dat de BV de verzekeringnemer en belanghebbende de verzekerde is. Deze polis bevat geen zogeheten premieverschuldigdheidsclausule.
2.5.
De premie voor de AOV is in de jaren 2016 tot en met 2019 door de BV betaald.
2.6.
De accountant van de BV heeft, desgevraagd door de gemachtigde, het volgende verklaard
over de administratieve verwerking van de betaalde premies:
“Wij begrepen van u dat er vragen zijn omtrent de verwerking van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [belanghebbende] in de administratie van [bedrijf] B. V. Hierbij delen wij u mede dat de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [belanghebbende] in de administratie van [bedrijf] B.V. alle jaren ten laste van de rekening courant met de directie is verwerkt.
Wij kunnen terugkijken tot en met het jaar 2014.
Deze premie is over de jaren 2014 t/m heden nooit ten laste van het resultaat gebracht maar in rekening courant met de directie verwerkt.”
2.7.
De inspecteur heeft bij de aanslagregeling over het jaar 2019 aan belanghebbende vragen gesteld over de in de aangifte IB/PVV vermelde aftrek voor de premies van de AOV (hierna ook: de premies). Naar aanleiding van informatie van belanghebbende daarover heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de premies. Hij heeft daarom over de jaren 2016 tot en met 2018 de navorderingsaanslagen opgelegd en is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 afgeweken van de over dat jaar ingediende aangifte. De (navorderings)aanslag(en) zijn opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van:
Jaar
Belastbaar inkomen uit werk en woning
2016
€ 27.877
2017
€ 39.592
2018
€ 43.711
2019
€ 47.488
2.8.
ASR heeft op 6 december 2022 het volgende verklaard:
”Polis [nummer 1] (voormalig polisnummer [nummer 2] ) stond bij ons in boeken op naam van de orderneming als verzekeringnemer ( [bedrijf] B.V. met KVK nummer [KVK nummer] ). In een ver verleden is de polis omgezet van eenmanszaak als verzekeringnemer naar de B.V. van [belanghebbende] .
Echter hebben wij destijds het volgende geclausuleerd: de verzekerde is de begunstigde We hebben derhalve altijd de polis afgehandeld als ware [belanghebbende] de verzekeringnemer op de polis is. Tijdens een kortstondige arbeidsongeschiktheidsuitkering in 2017 is er netto uitgekeerd aan [belanghebbende] . [belanghebbende] verklaart de premies privé te hebben afgetrokken in de IB-aangifte. Omdat wij de tenaamstelling niet zuiver hebben geadministreerd maar dit in een aparte clausule hebben opgenomen, is er door ons niet gerenseigneerd. Dit had wel gemoeten. Voor de inspecteur van de Belastingdienst willen we graag melden dat de gerenseigneerde premies er als volgt uit hadden moeten zien:
Jaartal Type Premie naar boven afgerond in hele Euro’s
2021 PRAT 2.470
2020 PRAT 2.394
2019 PRAT 2.619
2018 PRAT 6.903
Vanaf heden zullen wij een correctie in de tenaamstelling toepassen waardoor de verzekeringnemer wordt aangepast naar [belanghebbende] als verzekeringnemer.
Vanaf de renseignering over 2022 worden de premies doorgegeven aan de Belastingdienst.”
2.9.
Op 7 december 2022 heeft ASR een polisblad met als reden van afgifte ‘correctie verzekeringnemer’ afgegeven en de verzekeringnemer van de AOV gewijzigd in belanghebbende. Op dat document is als ingangsdatum 7 mei 1998 vermeld.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen in stand kunnen blijven en of de aanslag naar een te hoog belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld.
Daarbij spitst het geschil zich toe op het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor aftrek van de in 2016 tot en met 2019 betaalde premies voor de AOV met polisnummer [nummer 1] . Het draait daarbij met name om de vraag of sprake is van `op de belastingplichtige drukkende' premies. Dat de premiebetalingen aan de overige wettelijke voorwaarden voor aftrek bij belanghebbende voldoen is tussen partijen niet in geschil.
3.2.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en handhaving van de opgelegde navorderingsaanslagen, de aanslag en de daarmee samenhangende rentebeschikkingen. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
Belanghebbende heeft in zijn brief van 25 maart 2024 nog de vraag opgeworpen of het hoger beroep tijdig is ingesteld door de inspecteur. Voor zover belanghebbende hiermee heeft gesteld dat het hoger beroep op die grond niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, heeft hij ter zitting verklaard dat dit niet meer in geschil is, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en daarmee naar zijn mening ontvankelijk is.
3.4.
Juist is overigens dat het hoger beroep van de inspecteur ontvankelijk is.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn, onder meer, op de belastingplichtige drukkende premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige. [1]
4.2.
De inspecteur stelt in de kern dat de premies weliswaar in financiële zin op belanghebbende drukken, maar dat de premies daarmee niet zonder meer in fiscale zin op belanghebbende drukken. Voor dat laatste is namelijk vereist dat belanghebbende zich juridisch heeft verplicht om de premies te betalen en aangezien daar in dit geval geen sprake van is, drukken de premies niet op belanghebbende in de zin van artikel 3:124, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001. Belanghebbende is de tegengestelde mening toegedaan.
4.3.
Aan de inspecteur moet worden toegegeven dat op het polisblad met wijzigingsdatum 7 februari 2019 niet belanghebbende maar de BV wordt genoemd als de verzekeringnemer. Voor het antwoord op de vraag wat tussen partijen op grond van een door hen gesloten overeenkomst (mondeling dan wel schriftelijk) rechtens is, is echter niet alleen een taalkundige uitleg van belang, maar dient de zogenoemde Haviltex-maatstaf te worden toegepast. [2] Volgens deze maatstaf moet de inhoud van een overeenkomst door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. Ook de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan een overeenkomst kan van belang kan zijn voor de uitleg van die overeenkomst overeenkomstig deze maatstaf. [3]
4.4.
In dit kader acht het hof de volgende omstandigheden van belang. ASR heeft verklaard dat zij de polis altijd hebben afgehandeld als ware belanghebbende de verzekeringnemer. Dit hebben zij in 2022 ook via een ‘correctie verzekeringnemer’ administratief gewijzigd en vastgelegd. Daarbij heeft de accountant verklaard dat de premiebetalingen die door belanghebbende zijn verricht altijd in de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de BV zijn verrekend en dat deze premiebetalingen nooit ten laste van de winst van de BV zijn gebracht. Dit is feitelijk ook als zodanig verwerkt in de boekhouding van de BV. En verder heeft belanghebbende uit hoofde van de AOV in 2017 rechtstreeks van ASR een netto-uitkering ontvangen.
4.5.
Uit deze omstandigheden concludeert het hof dat het altijd de bedoeling van contractspartijen, zijnde belanghebbende en ASR , is geweest om belanghebbende voor toepassing van de AOV als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde aan te merken, ook na de in 2.1 vermelde inbreng, maar dat dit rondom de overzetting van de polis van De Amersfoortse naar ASR in 2015 administratief verkeerd is vastgelegd. Dit maakt dat in dit geval, onder deze specifieke omstandigheden, voor het antwoord op de vraag of de premies op belanghebbende drukken, geen doorslaggevend belang moet worden toegekend aan de bewoordingen van het polisblad van 7 februari 2019. Uit de bedoeling van de contractsluitende partijen, welke bedoeling ook tot uiting is gekomen in de feitelijke afhandeling van de AOV, volgt dat de premiebetalingen onder genoemde omstandigheden drukken op belanghebbende in de zin van artikel 3:124, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001. Aangezien de overige wettelijke vereisten voor aftrekbaarheid bij belanghebbende van de verzekeringspremies niet in geschil zijn, heeft belanghebbende de premies voor de AOV terecht in zijn aangiften IB/PVV in aftrek gebracht.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
Omdat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de inspecteur ter zake van diens hoger beroep een griffierecht geheven van € 559.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) [4] x 1 (factor gewicht van de zaak) x € 934 (waarde per punt) = € 1.868 x 1,5 (samenhangende zaken) = € 2.802.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, A.J. Kromhout en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 3:124, lid 1, aanhef en letter c, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
2.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:852.
4.Een punt wegens verweerschrift in hoger beroep en een punt wegens verschijnen ter zitting.