ECLI:NL:GHSHE:2026:1457

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/1445
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening hogerberoepschrift in WOZ-zaak

Belanghebbende is eigenaar van een bovenwoning uit 1931, waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2021 is vastgesteld op €209.000 door de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, maar het hogerberoepschrift werd niet tijdig ingediend. De wettelijke termijn van zes weken eindigde op 17 september 2024, terwijl het beroepschrift pas op 20 september 2024 werd ontvangen zonder bewijs van tijdige postbezorging.

Het hof oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, mede omdat belanghebbende vaker procedeert en bekend is met de termijnen. Daarom verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en komt het niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Er wordt geen griffierecht vergoed en geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het hogerberoepschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1445
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 augustus 2024, nummer BRE 23/1229 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 2] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 3] , [heffingsambtenaar 1] , en [heffingsambtenaar 2] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1325 en 24/1446.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het gaat om een bovenwoning met bouwjaar 1931. De woning heeft een oppervlakte van 182 m2 en beschikt over twee dakkapellen.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2021 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 209.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde per waardepeildatum vastgesteld met behulp van de vergelijkingsmethode.
2.4.
De uitspraak van de rechtbank is op 6 augustus 2024 aan partijen verzonden. Het hoger beroepschrift van belanghebbende heeft een dagtekening van 19 september 2024 en is op 20 september 2024 bij de centrale informatiebalie van het Paleis van Justitie in ’sHertogenbosch afgegeven.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is de WOZ-waarde van de woning per de waardepeildatum.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkheid van het hoger beroep en tot een gegrond hoger beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en anders tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
Ontvankelijkheid
4.1.
Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes beroepsgronden tegen de uitspraak van de rechtbank, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk is.
4.2.
De wettelijke termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken. [1] Deze termijn eindigde op 17 september 2024. Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [2] Bij verzending per post is het nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
4.3.
Het hogerberoepschrift van belanghebbende is op 20 september 2024 bij de centrale informatiebalie van het Paleis van Justitie binnengekomen, terwijl niet is gebleken dat het hogerberoepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.
4.4.
Het hoger beroep wordt bij niet-tijdige indiening in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3] Als de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het hogerberoepschrift gering is, kan die termijnoverschrijding niet aan de indiener toegerekend worden en is die verschoonbaar. [4] Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die kunnen leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij vaker stukken afgeeft bij de centrale informatiebalie van het Paleis van Justitie en heeft geen redenen gegeven waarom dat in dit geval enkele dagen te laat heeft gedaan. Het hof weegt in zijn oordeel mee dat belanghebbende weliswaar geen (fiscaal) jurist is, maar dat hij vaker procedeert en dus bekend mag worden verondersteld met de geldende termijnen.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Aan de overige geschilpunten wordt niet meer toegekomen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, J. Wessels en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:7 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb), in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
2.Zie artikel 6:9, lid 2 Awb, in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
3.Artikel 6:11 Awb Pro.
4.Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NLHR:2024:625.