ECLI:NL:GHSHE:2026:1506

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
20-000855-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 38v SrArt. 6:106 BWArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens belaging met taakstraf en contactverbod

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor stelselmatige belaging van twee slachtoffers in de periode van december 2022 tot augustus 2024. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde bewezen dat de verdachte herhaaldelijk contact zocht, brieven stuurde, aanbelde en zich in de nabijheid van de slachtoffers begaf met het oogmerk hen te dwingen of vrees aan te jagen.

De gedragingen betroffen onder meer anonieme telefoontjes, het plaatsen van brieven en een half opgegeten broodje in de brievenbus, en het plaatsen van provocerende berichten op sociale media. De slachtoffers ervaarden hierdoor ernstige gevoelens van onveiligheid en angst, wat leidde tot psychische hulpverlening.

Het hof legde een taakstraf van 120 uur op, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een contact- en gebiedsverbod van drie jaar. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan beide slachtoffers, deels voor materiële en deels voor immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. De verdachte werd vrijgesproken voor gedragingen na het stopgesprek in april 2023 wegens onvoldoende stelselmatigheid.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 120 uur, contact- en gebiedsverbod van 3 jaar en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen wegens belaging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000855-25
Uitspraak : 27 mei 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 maart 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-324173-24 en 02-374682-24, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1995,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte telkens ter zake van ‘belaging’ (het inzake 02-324173-24 en 02-374682-24 tenlastegelegde) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een gebiedsverbod zich te bevinden in en rondom 50 meter van [adres 2] en [adres 3] opgelegd, beiden voor de duur van 3 jaren, met een bevel tot vervangende hechtenis per overtreding voor de duur van 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden, welke beiden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard.
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 853,67, bestaande uit € 103,67 aan vergoeding van materiële schade en € 750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag van de gehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 1] is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en verwezen naar de burgerlijke rechter. De politierechter heeft de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.446,63, bestaande uit € 1.446,63 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2022 tot aan de dag van de gehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 2] is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en verwezen naar de burgerlijke rechter. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, inclusief de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en de schadevergoedingsmaatregel, met uitzondering van de opgelegde straffen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met daaraan als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht verbonden en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 02-324173-24 gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft in de zaak met parketnummer 02-374682-24 primair en subsidiair vrijspraak bepleit en meer subsidiair partiële vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de straftoemeting en de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 02-324173-24:
zij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2024 tot en met 27 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] door
- die [slachtoffer 1] meermalen (anoniem) te bellen en/of
- die [slachtoffer 1] aan te spreken/te benaderen bij diens woning en/of in een openbare gelegenheid en/of op straat, althans in het openbaar, en/of
- die [slachtoffer 1] een of meer (SMS-)berichten te sturen en/of
- door de straat van die [slachtoffer 1] en/of de straat van een vriend van die [slachtoffer 1] te rijden,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Zaak met parketnummer 02-374682-24:
zij in of omstreeks de periode van 21 december 2022 tot en met 30 juli 2024 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] door
- een of meer brieven bij die [slachtoffer 2] in de brievenbus te stoppen/te bezorgen en/of
- de woning van die [slachtoffer 2] te bezoeken om een of meer brieven terug te halen en/of
- die [slachtoffer 2] (en mensen met wie hij omgaat) aan te spreken/te benaderen bij diens woning en/of in een openbare gelegenheid en/of op straat, althans in het openbaar, en/of
- op de deur van de woning van die [slachtoffer 2] te kloppen en/of/althans de woning van die [slachtoffer 2] te bezoeken en/of (al dan niet zingend) langs de woning van die [slachtoffer 2] te lopen en/of
- die [slachtoffer 2] een of meer (SMS-)berichten te sturen en/of
- een (half opgegeten) broodje in de brievenbus van de woning van die [slachtoffer 2] te stoppen en/of
- een foto van badschuim op Instagram/social media te plaatsen met daarbij de tekst "kwil met [personage] in bad" (doelende op die [slachtoffer 2] die met carnaval de rol van [personage] vervult) en/of
- op social media onder een bericht over een podcast/interview met die [slachtoffer 2] (als [personage] ) een reactie/afbeelding te plaatsen (icoon '3 vlammen') en/of
- haar auto in de straat en/of zo dicht mogelijk bij de woning van die [slachtoffer 2] te parkeren en/of
- door de straat van die [slachtoffer 2] te rijden en/of te claxonneren en/of te roepen naar die [slachtoffer 2] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 en in de zaak met parketnummer 02-374682-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 02-324173-24:
zij in de periode van 12 augustus 2024 tot en met 27 augustus 2024 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] door
- die [slachtoffer 1] meermalen (anoniem) te bellen en
- die [slachtoffer 1] aan te spreken/te benaderen bij diens woning en op straat en
- die [slachtoffer 1] een of meer (SMS-)berichten te sturen en
- door de straat van die [slachtoffer 1] en de straat van een vriend van die [slachtoffer 1] te rijden,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Zaak met parketnummer 02-374682-24:
zij in de periode van 21 december 2022 tot en met 14 april 2023 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] door
- brieven bij die [slachtoffer 2] in de brievenbus te stoppen en
- de woning van die [slachtoffer 2] te bezoeken om een brief terug te halen en
- die [slachtoffer 2] aan te spreken bij diens woning en in een openbare gelegenheid en op straat, althans in het openbaar, en
- op de deur van de woning van die [slachtoffer 2] te kloppen en de woning van die [slachtoffer 2] te bezoeken en langs de woning van die [slachtoffer 2] te lopen en
- die [slachtoffer 2] (SMS-)berichten te sturen en
- een (half opgegeten) broodje in de brievenbus van de woning van die [slachtoffer 2] te stoppen en
- een foto van badschuim op Instagram te plaatsen met daarbij de tekst "kwil met [personage] in bad" (doelende op die [slachtoffer 2] die met carnaval de rol van [personage] vervult),
met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024085091, gesloten d.d. 29 november 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 225). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.
Zaak met parketnummer 02-324173-24:
Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 mei 2026;
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2024 (p. 103-107), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , met bijlage (p. 108-151);
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 september 2024 (p. 156-159), inhoudende de verklaring van [getuige] ;
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2024 (p. 163-165), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] ;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 oktober 2024 (p. 214-225), inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .
Zaak met parketnummer 02-374682-24:
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 december 2023 (p. 21-26) met bijlage (p. 27-40), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :
Plaats delict: [plaats]
Ik doe aangifte van stalking. Vanaf 18 december 2022 gaf ik nogmaals aan [verdachte] (
het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) aan niet meer met haar te willen afspreken. [verdachte] bleef echter contact zoeken, want ze hoopte dat ik van gedachte zou veranderen. Haar bewoordingen via de app werden feller en ik gaf haar in duidelijke bewoordingen aan dat ik hier niet op zit te wachten. Direct heb ik haar in WhatsApp en andere sociale media-kanalen wederom geblokkeerd. Daarna wachtte ze mij op bij mijn woning. Ze spreekt mij dan aan. Ik ben aan blijven geven dat er verder voor mij niks in zit.
Op 21 december 2022 lag er een brief van [verdachte] in mijn brievenbus.
In de eerste week van januari 2023 blijft [verdachte] mij bellen en ik merk dat haar auto steeds vaker bij mij in de straat en/of in de buurt voorbijrijdt en/of geparkeerd staat. Vaak wacht zij in haar auto op het moment dat ik thuiskom. In de nachtelijke uren belt ze aan of klopt ze op mijn voordeur of poortdeur aan de achterzijde van mijn woning.
Op 9 januari 2023 zag ik haar in haar auto rijden op het [locatie] (parkeerplein achter mijn huis) en was zij mij wederom aan het opwachten. Op het moment dat [verdachte] mij ziet stapt ze haar voertuig uit. Ik hoorde haar zeggen "We moeten praten". Nogmaals geef ik haar duidelijk aan dat er geen verdere gevoelens vanuit mijn kant in zitten en ik confronteerde haar met het feit dat ze ‘s nachts diverse keren op mijn voordeur/poort klopt en aan belt. Ik geef aan dat ik daar niet van gediend was. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij mijn standpunt begreep en vond het van zichzelf ook niet netjes.
Daarna ontving ik brief twee. De brieven zijn niet middels post verzonden, maar in mijn bus gedaan.
Op 28 januari en 29 januari 2023 begonnen de berichtjes en het bellen naar mij. In de periode van 29 januari t/m 7 februari 2023 ontving ik WhatsApp-berichten van [medeverdachte] , dit betreft een vriendin van [verdachte] . In deze berichten staat dat [verdachte] nog een kans wilt, omdat [verdachte] zo verdrietig is. Ik heb uitgelegd dat [verdachte] mij met rust moest laten en ik dat al een paar keer aan [verdachte] duidelijk gemaakt hebt.
Tussen 6 en 8 februari 2023 ontving ik weer een brief en zag ik haar auto weer constant in mijn buurt.
Op 7 februari 2023 zag ik [verdachte] bij haar auto staan bij mijn voordeur van de woning. Ik ben een extra rondje gaan rijden. Ik voelde me niet veilig om mijn woning binnen te gaan.
Op 8 februari 2023 stond [verdachte] wederom op mijn deur te kloppen en ik heb dit gesprek opgenomen, omdat ik duidelijk wilde maken dat ze mij met rust moet laten.
Daarna een veelvoud aan sms-berichten van [verdachte] ontvangen.
Op 12 februari 2023 zat er een afgegeten broodje in mijn brievenbus.
‘s Nachts word ik meer dan tien keer gebeld door anonieme nummers. De voicemail wordt niet ingesproken.
Op 15 februari 2023 volgde [verdachte] mij in elke bouwkot bij het wagentjes kijken. Ze postte berichtjes op haar Instagram waaronder "Ik wil met een [personage] in bad" met daarbij een fles shampoo.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2024 (p. 46-47), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
In het onderzoek naar stalking werd op 14 april 2023 door collega [verbalisant 4] een stopgesprek gehouden met het slachtoffer en de verdachte. Dit gesprek is vastgelegd met een mutatie. Hieronder de tekst van de mutatie:
Naar aanleiding van aangifte stalking heb ik een gesprek gehad met aangever en verdachte [verdachte] . Met [verdachte] afgesproken te stoppen met langslopen en aanspreken. Verder beiden op hart gedrukt elkaar te vermijden, een ander café voorlopig op te zoeken als de een al binnen is, niet steeds langs elkaars huis te lopen en te stoppen met allerlei verhalen over elkaar te vertellen.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag 1] 1995
3.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 januari 2024 (p. 91-102), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] .
V: Ondanks dat [slachtoffer 2] geen contact meer met u wilde nam u toch regelmatig contact met hem op. Wat kunt u hierover verklaren?
A: Het zal over 6 januari gaan. Ik wilde verhaal halen en heb samen met mijn vriendin [betrokkene] op 6 januari 2023 bij hem aangeklopt. Hij heeft niet opengedaan toen.
V: Op 21 december 2022 verzond u een brief naar [slachtoffer 2] . Wat stond er in deze brief?
A: Dat ik het jammer vond dat het zo moest lopen en dat we gewoon gezellig konden hebben. En Sorry van mijn aandeel in het verhaal.
V: In januari 2023 belt u meerdere keren naar [slachtoffer 2] en wordt u en uw voertuig ook meerdere keren bij de woning van [slachtoffer 2] gezien. Wat kunt u hierover verklaren?
A: Ja, 6 januari wat ik al vertelde. En 9 januari heb ik hem gezien en dan hij gaf aan dat hij het niet normaal vond dat ik op 6 januari voor zijn deur stond.
V: Op 9 januari 2023 stond u op de parkeerplaats achter [slachtoffer 2] zijn woning. Toen u [slachtoffer 2] zag, stapte u uit uw voertuig en liep u naar hem toe. Waarom wilde u [slachtoffer 2] spreken?
A: Ik wist hoe laat hij ongeveer aankwam. Ik wilde het gewoon uitspreken.
V: [slachtoffer 2] heeft u tijdens dit gesprek geconfronteerd met het feit dat u in de nachtelijke uren aanbelt bij zijn woning of op zijn voordeur of poortdeur aan de achterzijde van zijn woning klopt. Ook heeft hij u nogmaals verteld dat er geen verdere gevoelens van zijn kant in zaten. Wat vond u van dit gesprek?
A: Ja wel vervelend dat het uiteindelijk toch zo is gelopen.
V: Op 28 en 29 januari 2023 ontving [slachtoffer 2] meerdere berichten en telefoontjes van
u. Waarom deed u dit?
A: Ik heb hem een sms gestuurd
V: In de periode van 29 januari t/m 7 februari 2023 ontving [slachtoffer 2] WhatsApp-berichten van [medeverdachte] . Wat kunt u hierover verklaren?
A: Dat is mijn beste vriendin. Die heeft hem wel geappt.
V: Wist u dat [medeverdachte] berichten verzond naar [slachtoffer 2] , voor u?
A: Ja
V: V: Op 7 februari 2023 omstreeks 22:00 uur stond u bij de woning [slachtoffer 2] . Wat deed u daar?
A: Ik wilde toen mijn brief terug hebben.
V: [slachtoffer 2] wordt ook meerdere keren anoniem gebeld. Wat kunt u hierover verklaren?
A: In december wel, maar na februari niet.
V: Belt u [slachtoffer 2] anoniem?
A: Wel in december.
V: Op 12 februari 2023 zat er een half afgegeten broodje in de brievenbus van [slachtoffer 2] . Wat kunt u hierover verklaren?
A: Ja, dat heb ik gedaan uit de frustratie.
4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 18 maart 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik pestte hem door bijvoorbeeld een broodje in zijn brievenbus te doen. Ik heb de brieven in zijn brievenbus gedaan. Eind december 2022 had ik de eerste brief in de brievenbus gedaan. Ik was [slachtoffer 2] daarna op straat tegenkomen. Later wilde ik die brief terughalen. Ik heb toen op de deur geklopt om verhaal te halen.
5.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 mei 2026, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het klopt dat ik [slachtoffer 2] heb gepest door een broodje in de brievenbus te stoppen. Het klopt ook dat ik een foto op sociale media heb geplaatst dat ik in bad wilde met een [personage] . Ook klopt het dat ik met een vriendin langs zijn huis ben gelopen en hem heb aangesproken bij een feest. Het klopt dat [slachtoffer 2] mij had geblokkeerd op WhatsApp en andere sociale media-kanalen. Ik heb de brieven geschreven en in de brievenbus gedaan omdat ik [slachtoffer 2] wilde overhalen om weer contact met mij te hebben. Ook heb ik bij hem op de deur geklopt en voor de deur gestaan. Ik heb mij een aantal weken in januari en februari 2023 slecht gedragen. Na het stopgesprek in april 2023 is vanuit mij niets meer gebeurd.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde inzake parketnummer 02-374682-24
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Primair heeft de verdediging hiertoe aangevoerd dat er sprake is van een gebrek aan voldoende wettig bewijs en subsidiair vanwege een gebrek aan voldoende overtuigend bewijs. Meer subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om de tenlastegelegde periode te beperken en de verdachte hiervan grotendeels partieel vrij te spreken. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat verschillende uitingen van de verdachte niet als wederrechtelijk kunnen worden bestempeld, omdat er sprake zou zijn geweest van wederzijds contact en de verdachte niet het oogmerk had om de verdachte iets (niet) te laten doen, te dulden of vrees aan te jagen. Ook zou bij verschillende gedragingen geen sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en zou onvoldoende sprake zijn van stelselmatigheid van de gedragingen, omdat er ook periodes zijn geweest waar langere tijd geen contact heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).
Het hof stelt op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. Vanaf 18 december 2022 heeft aangever [slachtoffer 2] meermaals in duidelijke bewoordingen en daden aan de verdachte aangegeven dat hij geen contact meer met haar wenste. Ook heeft hij de verdachte geblokkeerd op WhatsApp en andere sociale media-kanalen. De verdachte is desondanks keer op keer contact blijven zoeken met [slachtoffer 2] . Op 21 december 2022 ontving [slachtoffer 2] thuis een brief van de verdachte met een verzoek om toch in contact te komen. In de periode die daarop volgt (in ieder geval tot eind februari 2023) blijft verdachte op verschillende manieren contact zoeken met [slachtoffer 2] . Dit doet de verdachte onder meer door [slachtoffer 2] op te wachten tot hij thuiskomt en hem dan aan te spreken en door (ook midden in de nacht) bij [slachtoffer 2] op de deur en de poort te kloppen. Daarnaast stuurt ze, vaak ook ’s nachts, verschillende berichten dat ze [slachtoffer 2] wil zien, belt ze hem veelvuldig (anoniem) en krijgt [slachtoffer 2] ook berichten van de verdachte via de telefoons/accounts van vriendinnen. Zij stuurt in februari 2023 nog meerdere brieven waarin ze zich verontschuldigt voor haar eigen gedrag en aangeeft graag contact te willen. Ook stopt ze op 12 februari 2023 een half afgegeten broodje in de brievenbus van [slachtoffer 2] , probeert ze hem aan te spreken in het openbaar en plaatst ze een foto van badschuim met daaronder de tekst “Ik wil met de [personage] in bad”. [slachtoffer 2] speelt tijdens carnaval in [plaats] een publieke rol als [personage] . Op 14 april 2023 vindt een stopgesprek plaats met [slachtoffer 2] en de verdachte door de politie. In de periode die na het stopgesprek volgt tot en met het einde van de ten laste gelegde periode (30 juli 2024) zijn de contactmomenten minder frequent geworden. Zo zou verdachte in juni 2023 enkele keren bij [slachtoffer 2] in de straat hebben gestaan en in de nacht van 17 juni 2023 met een privé-nummer naar [slachtoffer 2] hebben gebeld. In de periode september en oktober 2023 zou verdachte meerdere keren bij [slachtoffer 2] in de straat hebben geparkeerd en verdachte zou op 1 november 2023 op een social media bericht van [slachtoffer 2] hebben gereageerd.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat er een duidelijk onderscheid in het gedrag van verdachte te maken is ten aanzien van de periode vóór en na het stopgesprek op 14 april 2023. Na die datum ziet het hof onvoldoende stelselmatigheid van het gedrag, waarmee niet wordt voldaan aan de juridische vereisten voor belaging. Het hof zal verdachte dus partieel vrijspreken van het tenlastegelegde voor de periode vanaf 14 april 2023.
Voor wat betreft de periode vanaf 21 december 2022 tot en met 14 april 2023 is het hof van oordeel dat uit de aangifte en het daarbij als bijlage gevoegde uitgebreide logboek dat door [slachtoffer 2] is bijgehouden met foto’s, Whatsapp-berichten en een tijdlijn en de verklaringen van de verdachte zelf, naar voren komt dat de verdachte op indringende wijze heeft geprobeerd met het slachtoffer in contact te komen en dat het slachtoffer herhaaldelijk aan de verdachte te kennen heeft gegeven van haar toenaderingen niet gediend te zijn. Aangever [slachtoffer 2] heeft de verdachte vanaf het begin af aan geblokkeerd en heeft de politie benaderd om het belagende gedrag van de verdachte te melden, terwijl hij hier in eerste instantie geen strafvervolging mee wenste te bereiken, hij wilde slechts dat het gedrag zou stoppen. Het verweer van de verdediging dat verschillende uitingen van de verdachte niet als wederrechtelijk kunnen worden bestempeld, omdat er sprake zou zijn geweest van wederzijds contact, kan derhalve niet slagen. Door het handelen van de verdachte is de aangever gedwongen feitelijk te dulden dat stelselmatig contact met hem werd gezocht en is hem vrees aangejaagd. Het verweer ter zake van het ontbreken van het oogmerk faalt daarom eveneens.
Het verweer dat stoelt op de stelling ten aanzien van de stelselmatigheid kan niet slagen, nu de bewezenverklaarde handelingen in onderling verband en samenhang bezien dienen te worden. Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat sprake is geweest van belaging zoals is bewezen verklaard. Het verweer wordt derhalve weerlegd door de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen.
Dit stelselmatig belagen door de verdachte heeft naar het oordeel van het hof, anders dan de verdediging stelt, een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] gemaakt. Het steeds weer en op verschillende manieren lastigvallen van [slachtoffer 2] heeft sterke gevoelens van onveiligheid en angst bij [slachtoffer 2] veroorzaakt, zodanig dat hij zich niet meer veilig voelde in zijn eigen huis.
Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer sprake was.
Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt en verwerpt de door de verdediging opgeworpen verweren.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 en in de zaak met parketnummer 02-374682-24 bewezenverklaarde wordt telkens gekwalificeerd als:

belaging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging primair de oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf met enkel algemene voorwaarden bepleit, subsidiair met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat naast voornoemde voorwaardelijke werkstraf een beperkte onvoorwaardelijke werkstraf mogelijk passend zou zijn. Daarnaast is bepleit dat het hof, conform het meest recente reclasseringsrapport, geen reclasseringstoezicht zal opleggen aan de verdachte aan het voorwaardelijk deel van een op te leggen straf.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij in de periode van 12 augustus 2024 tot en met 27 augustus 2024 slachtoffer [slachtoffer 1] heeft belaagd en dat zij in de periode van 21 december 2022 tot 14 april 2023 slachtoffer [slachtoffer 2] heeft belaagd. Dit heeft zij onder meer gedaan door de slachtoffers veelvuldig te bellen en berichten te sturen, door hen thuis op te zoeken, bij hen langs te rijden en brieven te schrijven. Haar gedragingen waren, hoewel het ten aanzien van [slachtoffer 1] slechts een relatief korte periode betrof, zeer intensief en heftig en deze hebben een grote impact gehad op het leven en veiligheidsgevoel van de slachtoffers. Hierover hebben de slachtoffers ter terechtzitting verklaard en dit blijkt tevens uit de aanhoudende wens voor een contact- en locatieverbod. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van een belaagde. Beide slachtoffers hebben hier veel last van gehad en in angst en onzekerheid geleefd. Het dwingende en hardnekkige karakter van het handelen van de verdachte heeft de slachtoffers gehinderd in hun dagelijks bestaan. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.
Tevens heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 12 februari 2025, alsmede het aanvullende reclasseringsadvies d.d. 6 mei 2026. Daaruit volgt dat inmiddels sprake is van stabiliteit op verschillende leefgebieden en dat zij positieve stappen heeft gezet gericht op haar zelfstandigheid en eigenwaarde, maar dat er ten aanzien van de tenlasteleggingen risicofactoren liggen in haar psychosociaal functioneren, ex-partnerrelaties en destijds mogelijk ook in haar alcoholgebruik en huisvesting. Hoewel de verdachte inmiddels niet meer in het centrum woont en derhalve verder van één van de aangevers vandaan woont, is er in maart 2026 wel wederom een politiemelding gedaan wegens een mogelijke overtreding van het contactverbod dat in maart 2025 door de politierechter is uitgesproken. Ook heeft de verdachte de behandeling die zij volgde niet afgemaakt. De reclassering kan op basis van het eindverslag van het behandeltraject onvoldoende inschatten of de verdachte afdoende heeft gewerkt aan delictgerelateerde risicofactoren. Als bijzondere voorwaarden wordt ter overweging gegeven om, naar de wens van de aangevers, een contact- en locatieverbod op te leggen, omdat er aanwijzingen zijn dat de aangevers last blijven houden van de verdachte.
Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de raadsman van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels gestopt is met de opleiding die zij volgde en sinds enige tijd in de uitvaartzorg werkt. Zij is voornemens om het bedrijf waar zij nu voor werkt aan het eind van het jaar over te nemen en zal hiervoor nog verschillende opleidingen moeten afronden. Daarnaast is zij vrijwillig in behandeling geweest om aan haar gedrag en omgang met partnerrelaties te werken. Ook is zij verhuisd en heeft zij gebroken met haar oude sociale netwerk met wie ze veel uitging en is zij abstinent van alcohol.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Voorts zal het hof, ter voorkoming van strafbare feiten, overgaan tot oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de woningen van beide slachtoffers. Het hof zal bepalen dat indien deze verboden worden overtreden, per overtreding 1 week vervangende hechtenis, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.
Het hof zal voorts – net als de politierechter – bepalen dat voornoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er – gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen.
Het hof zal bevelen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan de door de politierechter dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering dient te worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.303,67, bestaande uit € 103,67 aan materiële schade (vervanging van sloten) en € 1.200,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 853,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag van de gehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. Ten aanzien van de materiële kosten is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de verdachte de sleutel van [slachtoffer 1] al ingeleverd had. Ook zouden de kosten voor de vervanging van de sloten onvoldoende onderbouwd zijn. Ten aanzien van de immateriële kosten is primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair is aangevoerd dat het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, anders dan de verdediging, gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 103,67, nu de vervanging van de sloten plaats heeft gevonden tijdens de bewezenverklaarde periode. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat hiervan sprake is.
Indien, zoals in het onderhavige geval, het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Het hof overweegt dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een indringende belaging die ertoe leidde dat de benadeelde partij ernstige gevoelens van onveiligheid heeft ervaren, waarvoor hij psychische hulp heeft gezocht. Hij voelde zich zelfs in zijn eigen huis niet meer veilig, aangezien de verdachte zich onder meer in zijn straat heeft vertoond. Onder deze omstandigheden neemt het hof een aantasting in de persoon aan. Het hof acht vergoeding van een bedrag van € 500,- aan immateriële schade billijk.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is, dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen inzake parketnummer 02-324173-24 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, zijnde 27 augustus 2024. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De vordering wordt voor het overige afgewezen.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte inzake parketnummer 02-324173-24 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 603,67. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 603,67, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 4.946,63, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
- Materiële schade: € 1.446,63
o € 122,96 camera’s;
o € 114,77 abonnement camera’s;
o € 1.100,- kosten psycholoog;
o € 108,90 reiskosten naar psycholoog;
- Immateriële schade € 3.500,-.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.446,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2022 tot aan de dag van de gehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. Ten aanzien van de materiële kosten is met betrekking tot de camera’s (aanschaf en abonnement) aangevoerd dat dit gedeelte niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat de posten met betrekking tot de psycholoog (incl. de reiskosten hiernaartoe) niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege de onredelijke belasting voor het strafproces en het feit dat de verdediging het causale verband met de gedragingen van de verdachte betwist en ook betwist of wel is voldaan aan de schadebeperkingsplicht. Uiterst subsidiair is aangevoerd dat de materiële kosten aanzienlijk gematigd moeten worden vanwege het eigen aandeel van de aangever. Ten aanzien van de immateriële kosten is primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair is aangevoerd dat het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-374682-24 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële heeft geleden tot een bedrag van
€ 1.331,86, bestaande uit € 122,96 (camera’s), € 1.100,- (kosten psycholoog) en € 108,90 (reiskosten naar psycholoog). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2023 over een bedrag van € 122,96 ter zake van de camera's en vanaf 3 maart 2025 over een bedrag van € 1.208,90 ter zake van de kosten van de psycholoog en reiskosten naar de psycholoog, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat voor de overige materiële kosten, te weten de kosten voor het abonnement van de camera’s, niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door het in de zaak met parketnummer 02-374682-24 bewezenverklaarde. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre niet in de vordering worden ontvangen.
Immateriële schade
Het hof is van oordeel dat, onder verwijzing naar hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot de immateriële schade ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte inzake parketnummer 02-374682-24 is opgetreden, valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Het hof overweegt dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een langdurige en indringende belaging die ertoe leidde dat de benadeelde partij ernstige gevoelens van onveiligheid heeft ervaren, waarvoor hij psychische hulp heeft gezocht. Hij voelde zich zelfs in zijn eigen huis niet meer veilig, aangezien de verdachte zich onder meer in zijn straat heeft vertoond, brieven en een half opgegeten broodje in zijn brievenbus heeft gedaan. Onder deze omstandigheden neemt het hof een aantasting in de persoon aan. Het hof acht vergoeding van een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade billijk.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is, dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen inzake parketnummer 02-337482-24 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, zijnde 14 april 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De vordering wordt voor het overige afgewezen.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte inzake parketnummer 02-374682-24 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van
€ 2.331,86. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 2.331,86, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 23 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 en in de zaak met parketnummer 02-374682-24 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 en in de zaak met parketnummer 02-374682-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [slachtoffer 1] geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteplaats 2] en
- [slachtoffer 2] geboren op [geboortedag 3] 1985 te [geboorteplaats 3] .
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in en rondom 50 meter van:
- [adres 2] en
- [adres 3] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden en bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Beveelt dat de opgelegde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan een door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 603,67 (zeshonderddrie euro en zevenenzestig cent) bestaande uit
€ 103,67 (honderddrie euro en zevenenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2024 ten aanzien van de materiële schade en vanaf 27 augustus 2024 ten aanzien van de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-324173-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 603,67 (zeshonderddrie euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 103,67 (honderddrie euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2024 ten aanzien van de materiële schade en vanaf 27 augustus 2024 ten aanzien van de immateriële schade tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-374682-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.331,86 (tweeduizend driehonderdeenendertig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.331,86 (duizend driehonderdeenendertig euro en zesentachtig cent) als vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente
- vanaf 18 februari 2023 over een bedrag van € 122,96;- vanaf 3 maart 2025 over een bedrag van € 1.208,90 en
- vanaf 14 april 2023 over een bedrag van € 1.000,-

tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-374682-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.331,86 (tweeduizend driehonderdeenendertig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.331,86 (duizend driehonderdeenendertig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2023 over een bedrag van € 122,96, vanaf 3 maart 2025 over een bedrag van € 1.208,90 en vanaf 14 april 2023 over een bedrag van € 1.000,- tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 23 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. E.E.J. Boesten, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen en mr. J. de Leijer, griffiers,
en op 27 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.