ECLI:NL:GHSHE:2026:1531

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/459
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, lid 1, Wet bpmArt. 10, lid 2, Wet bpmArt. 10, lid 6, Wet bpmArt. 8, lid 5, Uitvoeringsregeling bpmArt. 8d Uitvoeringsregeling bpm
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep naheffing bpm personenauto met taxatierapporten bestelautovariant

Belanghebbende heeft bpm betaald voor een Toyota HiLux personenauto, waarbij de taxaties gebaseerd waren op de bestelautovariant. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op, die belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de naheffingsaanslag.

De inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij het hof oordeelde dat de taxatierapporten van zowel belanghebbende als DRZ, ondanks dat ze op de bestelautovariant waren gebaseerd, een geschikte basis vormen voor de waardebepaling. Het hof corrigeerde de handelsinkoopwaarde naar boven vanwege een niet in rekening gebrachte bpm-component en hield rekening met de hogere motorrijtuigenbelasting voor de personenautovariant.

Daarnaast stelde het hof vast dat de rechtbank de kosten van bezwaar te hoog had vastgesteld en paste deze aan op basis van het geldende Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hof kende ook een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk vernietigde het hof de uitspraak van de rechtbank voor de naheffingsaanslag, belastingrente en kosten van bezwaar, en stelde de naheffingsaanslag vast op een hoger bedrag dan de rechtbank had gedaan.

Uitkomst: Het hof verhoogt de naheffingsaanslag bpm naar € 9.837, past de kosten van bezwaar aan en kent een vergoeding voor immateriële schade toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/459
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 februari 2024, nummer BRE 22/3047, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur,
[inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 6 augustus 2020 op aangifte een bedrag van € 3.750 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Toyota HiLux 2.4 D-4 D-F Double Cab Professional met VIN nummer [VIN-nummer] (hierna: de auto). Belanghebbende heeft de auto aangeschaft voor € 23.000 + € 4.830 (btw) = € 27.830.
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [B.V.] van 14 juli 2020. In dit rapport heeft de taxateur de taxatie gebaseerd op een koerslijst van Autotelex Pro, waaruit een handelsinkoopwaarde van de auto volgt van € 23.074 in onbeschadigde staat. Vervolgens heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 10.650. Op deze basis is een bedrag van € 7.668 (72%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, resulterende in een handelsinkoopwaarde voor de auto van € 15.406. Op basis van dit rapport heeft belanghebbende in de aangifte een bedrag aan verschuldigde bpm vermeld van € 3.750.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 4 september 2020. In dit rapport heeft de taxateur van DRZ de taxatie eveneens gebaseerd op een koerslijst van Autotelex Pro, waaruit echter een iets lagere handelsinkoopwaarde volgt van € 22.947 in onbeschadigde staat. De netto catalogusprijs van de auto is door DRZ gesteld op € 32.640. De taxateur van DRZ heeft voor een bedrag van € 1.344 aan schade aan de auto geconstateerd. Daarvan is € 968 (72%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, resulterende in een handelsinkoopwaarde van de auto van € 21.979.
2.4.
Op 3 december 2021 heeft de inspecteur belanghebbende schriftelijk te kennen gegeven dat hij voornemens is een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In deze kennisgeving staat onder meer:
“Vooralsnog ben ik van mening dat ik deze door DRZ vastgestelde inkoopwaarde kan toepassen om tot de vaststelling van de juiste BPM heffing te komen.”
2.5.
De inspecteur heeft de verschuldigde bpm vastgesteld op € 15.178. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag d.d. 11 februari 2022 opgelegd voor een bedrag van € 11.428. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1 belastingrente in rekening gebracht.
2.6.
In haar uitspraak heeft de rechtbank:
  • het beroep gegrond verklaard;
  • de uitspraak op bezwaar vernietigd;
  • de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.555;
  • de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig vastgesteld;
  • het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen;
  • de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 2.370, waarbij de rechtbank voor de kosten van het bezwaar aan elke proceshandeling een waarde van € 310 heeft toegekend; en
  • bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
De inspecteur heeft in hoger beroep in geschil gebracht of de afschrijving van de auto moet worden bepaald op basis van de tabel als bedoeld in artikel 10, lid 6, Wet bpm, welke vraag de inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt. Indien het hof deze vraag ontkennend beantwoordt, dan is in geschil of de rechtbank:
terecht heeft geoordeeld dat de bewijslast voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat rust op de inspecteur;
de netto catalogusprijs terecht heeft vastgesteld op € 32.640; en
terecht de handelsinkoopwaarde heeft vastgesteld op € 22.947.
De deelvragen a., b. en c. beantwoordt de inspecteur alle ontkennend en belanghebbende bevestigend.
3.2.
Belanghebbende heeft in incidenteel hoger beroep in geschil gebracht of de rechtbank de kosten van het bezwaar juist heeft vastgesteld.
3.3.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de toegekende kosten van het bezwaar, welke volgens belanghebbende op € 1.332 moeten worden vastgesteld.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i. Naheffingsaanslag bpm
4.1.1.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde bpm met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [1] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [2] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. [3] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [4]
4.1.2.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling bpm voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1.1 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [5]
4.1.3.
Tussen partijen staat vast dat voor de auto geen catalogusprijs beschikbaar is welke door de fabrikant of importeur in Nederland bekend is gemaakt en dat belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld dat hij gebruik wil maken van een taxatierapport voor het bepalen van de afschrijving.
4.1.4.
De inspecteur stelt dat geen netto catalogusprijs kan worden vastgesteld voor de auto. De auto is namelijk een personenauto, terwijl de koerslijsten alleen bestelauto’s van dit type vermelden. De inspecteur concludeert hieruit dat de afschrijving daardoor niet op basis van vergelijking is vast te stellen, waarmee de afschrijving op basis van de tabel had moeten worden vastgesteld. [6] De inspecteur stelt verder dat hij in de uitspraak op bezwaar de afschrijving heeft vastgesteld door deze te baseren op zowel de netto cataloguswaarde als de historische nieuwprijs van het meest vergelijkbare voertuig, zijnde de bestelautovariant van dit type auto. Deze afschrijving acht de inspecteur reëel en is in vergelijking met de afschrijving op basis van de tabel gunstiger voor belanghebbende. Verder stelt de inspecteur dat de aankoopwaarde (€ 23.000) vermeerderd met bpm en btw aannemelijk maakt dat de getaxeerde handelsinkoopwaarden van zowel belanghebbende als DRZ niet juist kunnen zijn. Tot slot stelt de inspecteur dat de handelsinkoopwaarde van belanghebbende en DRZ moeten worden vermeerderd met bpm, aangezien hun taxaties geen rekening hebben gehouden met de bpm die bij een gebruikte personenauto resteert. De inspecteur concludeert dat de naheffingsaanslag slechts had moeten worden verminderd met een bedrag van € 248 tot € 11.180 in verband met extra leeftijdskorting.
4.1.5.
Belanghebbende stelt dat de auto goed vergelijkbaar is met de bestelautovariant van dit type auto. Het enige verschil tussen de personen- en bestelautovariant is dat de personenauto een vaste huif heeft boven de laadbak. Belanghebbende heeft ter onderbouwing foto’s overgelegd. Dat de personenauto- en bestelautovariant vergelijkbaar zijn, verklaart volgens belanghebbende waarom zowel de taxateur van belanghebbende als DRZ de koerslijst met de bestelautovariant hebben gebruikt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde en de netto cataloguswaarde. Belanghebbende stelt dat zowel de handelsinkoopwaarde als de netto catalogusprijs door de rechtbank is vastgesteld op de taxatie van DRZ. Verder stelt belanghebbende dat de historische nieuwprijs wordt berekend door de netto catalogusprijs te vermeerderen met omzetbelasting en de voor de auto verschuldigde bpm. Belanghebbende betwist de door DRZ getaxeerde handelsinkoopwaarde en netto catalogusprijs niet meer en concludeert dat de rechtbank de verschuldigde bpm met gebruik van deze gegevens juist heeft berekend. Belanghebbende erkent dat dat de handelsinkoopwaarde van belanghebbende en DRZ had moeten worden vermeerderd met bpm, aangezien hun taxaties geen rekening hebben gehouden met de bpm die bij een gebruikte personenauto resteert. Daartegenover stelt belanghebbende echter dat de personenautovariant fors minder waard is dan de bestelautovariant, omdat voor de personenautovariant een aanzienlijke motorrijtuigenbelasting verschuldigd is. Belanghebbende stelt daarom dat de handelsinkoopwaarde van DRZ daarom nog steeds eerder te hoog dan te laag is. Ten slotte stelt belanghebbende dat de inspecteur met de kennisgeving genoemd in 2.4 het vertrouwen heeft gewekt dat hij aansluit bij de handelsinkoopwaarde zoals vastgesteld door DRZ.
4.1.6.
Het hof is allereerst van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. Zoals weergegeven in de feiten, heeft de inspecteur opgemerkt:
“Vooralsnog ben ik van mening dat ik deze door DRZ vastgestelde inkoopwaarde kan toepassen om tot de vaststelling van de juiste BPM heffing te komen”. Het woord ‘vooralsnog’ geeft aan dat de inspecteur een slag om de arm houdt. Reeds hierom kan belanghebbende aan deze uitlating van de inspecteur niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de inspecteur zich had gecommitteerd aan deze inkoopwaarde.
4.1.7.
De inspecteur heeft gesteld dat de bewijslast met betrekking tot de toe te passen afschrijving volgens de taxatiemethode bij belanghebbende ligt. Dit is in beginsel juist, maar het hof tekent daarbij aan dat de inspecteur het taxatierapport van belanghebbende gemotiveerd heeft betwist met het taxatierapport van DRZ. Als gevolg daarvan beschikt het hof over twee taxatierapporten, die beide de bestelautovariant van dit type auto als vergelijkbaar aanmerken. Belanghebbende heeft ook overigens aannemelijk gemaakt dat de personen- en bestelautovariant van dit type auto vergelijkbaar zijn. Het door belanghebbende omschreven verschil tussen deze varianten is niet betwist door de inspecteur en is zodanig gering dat het hof van oordeel is dat deze varianten op de markt als vrijwel gelijk zullen worden beschouwd. Daarnaast liggen de handelsinkoopwaarden van de auto in onbeschadigde staat in deze taxatierapporten bijzonder dicht bij elkaar (belanghebbende: € 23.074, DRZ: € 22.947). Datzelfde geldt voor de netto catalogusprijs (belanghebbende: € 33.290, DRZ: € 32.640). Inmiddels heeft belanghebbende zich aangesloten bij de taxatie van DRZ en bestaat over de in aanmerking te nemen schade dus ook geen verschil van mening meer. Daarmee vormt deze taxatie een goede basis voor de vaststelling van de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde. Daarbij tekent het hof aan dat de inspecteur terecht aanvoert dat de handelsinkoopwaarde van een personenauto een bpm-component kent, die niet is onderkend in deze taxatie. Aan de andere kant voert belanghebbende terecht aan dat de waarde van de personenautovariant gedrukt wordt door de daaraan gekoppelde hoge motorrijtuigenbelasting, die niet van toepassing is voor de bestelautovariant. Het hof is daarom van oordeel dat de handelsinkoopwaarde van DRZ moet worden aangepast en doet dat in goede justitie met een vermeerdering van deze handelsinkoopwaarde met € 6.000, wat leidt tot een handelsinkoopwaarde van de auto van € 28.979.
4.1.8.
De rechtbank heeft de door DRZ vastgestelde netto catalogusprijs vermeerderd met bpm en btw en daarmee de historische nieuwprijs op een juiste wijze op € 75.462 vastgesteld. De daarin besloten bpm-component bedraagt € 35.968.
4.2.9.
De bpm na afschrijving wordt vervolgens bepaald door de bpm behorende bij de historische nieuwprijs te vermenigvuldigen met de handelsinkoopwaarde gedeeld door deze historische nieuwprijs: € 35.968 x (€ 28.979 / € 75.462) = € 13.812.
4.1.10.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op de zogeheten extra leeftijdskorting (artikel 8d Uitvoeringsregeling bpm). Tussen de datum eerste toelating (15 november 2018) en de aangifte bpm (10 augustus 2020) zijn 20 maanden en een gedeelte van een maand verstreken. Het daarbij behorende afschrijvingspercentage is 43,747. Tussen de datum van registratie van de auto (15 augustus 2020) en de datum eerste toelating zijn 22 maanden verstreken. Het daarbij behorende afschrijvingspercentage is 44,668. De bpm na afschrijving bedraagt, zoals hiervoor berekend, € 13.812. De herrekende bruto bpm wordt dan € 13.812 x (100 / (100 - 43,747)) = € 24.554. De verschuldigde bpm inclusief leeftijdskorting komt daarmee op € 24.554 x ((100 – 44,664)/100) = € 13.587. De naheffing moet dan worden vastgesteld op € 13.587 -/- € 3.750 (door belanghebbende aangegeven bpm) = € 9.837.
4.1.11.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag vastgesteld op € 6.555 en in het licht van het vorenstaande is dat te laag. Het hoger beroep van de inspecteur is daarom gegrond.
ii. Kosten van bezwaar
4.2.
De rechtbank heeft de kosten van bezwaar vastgesteld op grond van het toenmalig geldende Besluit proceskosten bestuursrecht, waarin voor zaken met betrekking tot bpm een lagere vergoeding per punt werd toegekend (destijds € 310). De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 juli 2024 [7] echter geoordeeld dat de normale waarde per punt moet worden toegekend. Het incidentele hoger beroep is dus gegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank daarom op dit punt vernietigen en de kosten van bezwaar vaststellen op 2 punten [8] x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.332.
Tussenconclusie
4.3.
Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond en het incidentele hoger beroep van belanghebbende is eveneens gegrond.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van (immateriële) schade
4.4.1.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft daarbij als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [9]
4.4.2.
Het hogerberoepschrift is ingediend op 8 april 2024 en het hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende.
4.4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt op grond van artikel 19a, lid 3, Wet bpm als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 50 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Belanghebbende stelt echter dat er bijzondere omstandigheden zijn, waardoor deze wettelijke bepaling niet van toepassing is. Hij wijst erop dat het gaat om een geschil over een naheffingsaanslag en niet over de voldoening op aangifte en dat belanghebbende geen professionele partij is die een groot aantal procedures voert rond de import van gebruikte auto’s. Naar oordeel van het hof heeft belanghebbende hiermee echter geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die nopen tot een hogere vergoeding dan € 50 per half jaar. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 50, waartoe de minister wordt veroordeeld.
Ten aanzien van de vergoeding van proceskosten en het griffierecht
4.5.1.
Het hof laat de proceskostenvergoeding zoals deze door de rechtbank aan belanghebbende is toegekend in stand, aangezien de door het hof vastgestelde bpm nog steeds lager is dan in de uitspraak op bezwaar en het beroep van belanghebbende bij de rechtbank in zoverre dus nog steeds gegrond is. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank.
4.5.2.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het incidentele hoger beroep gegrond is.
4.5.3.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) [10] x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 467. Gelet op het oordeel van de Hoge Raad [11] ten aanzien van het bedrijfsmodel van de gemachtigde, is de vermenigvuldigingsfactor van artikel 19a Wet bpm niet van toepassing.
4.5.4.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit Pro proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen met betrekking tot de vermindering van de naheffingsaanslag, de belastingrente en de vergoeding van de kosten van bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 9.837;
  • vermindert de belastingrente evenredig;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 50;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 467.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 1, Wet bpm.
2.Artikel 10, lid 2, Wet bpm.
3.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
4.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
5.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
6.Artikel 10, lid 6, Wet bpm.
7.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
8.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
9.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
10.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
11.Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383.