ECLI:NL:GHSHE:2026:1621

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
20-001560-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 9 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens bezit van drugs en wapens met taakstraf opgelegd

De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter vrijgesproken van het bezit van diverse drugs en wapens. De officier van justitie stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en het tenlastegelegde bewezen verklaard.

Op 3 september 2024 werd in de garagebox van de verdachte een bestuurlijke controle uitgevoerd door toezichthouders van de gemeente Breda, waarbij verschillende verboden wapens, munitie en drugs werden aangetroffen. De politie werd ingeschakeld en stelde een strafrechtelijk onderzoek in. De verdachte gaf ter terechtzitting toe dat de garagebox van hem was en dat de wapens en drugs van hem waren.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de bestuurlijke controle zou zijn ingezet voor strafrechtelijke opsporing, wat het hof heeft verworpen. Het hof oordeelde dat de controle rechtmatig was en dat er geen sprake was van misbruik van bevoegdheden.

Gezien de ernst van de feiten, de eerdere veroordeling van de verdachte voor soortgelijke feiten en het reclasseringsadvies, legde het hof een taakstraf van 180 uren op, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd rekening gehouden met het voorarrest. Het hof gelastte ook de teruggave van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001560-25
Uitspraak : 15 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-284979-24 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte integraal vrijgesproken van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten. Voorts heeft de politierechter beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen wapen zal onttrekken aan het verkeer en van de overige voorwerpen teruggave aan de verdachte zal gelasten.
Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Ten aanzien van het beslag refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B en/of ongeveer 43 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde 2C-B en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Breda een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een geweer, te weten een veerdrukwapen (Shotgun, kaliber 6mm BB), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, te weten een gasdrukwapen (Cybergun, model Colt 1911 Government 6 mm Blowback), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Breda munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 35, althans een of meerdere, kogelpatronen, van het merk Mexx tech, kaliber 9 x 19 mm, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 3 september 2024 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 45 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:
1.
op 3 september 2024 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43 pillen van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 28 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;2.
op 3 september 2024 te Breda een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een geweer, te weten een veerdrukwapen (Shotgun, kaliber 6mm BB), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, te weten een gasdrukwapen (Cybergun, model Colt 1911 Government 6 mm Blowback), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;
3.
op 3 september 2024 te Breda munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 35 kogelpatronen, van het merk Mexx tech, kaliber 9 x 19 mm, voorhanden heeft gehad;4.
op 3 september 2024 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 45 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024227352, gesloten d.d. 19 december 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 165). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2024 (pg. 15-17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
(pg. 15)
Op 29 april 2024 was ik samen met verbalisant [verbalisant 5] doende met de surveillance over [adres 2] . Op genoemde datum zag ik dat er op een pleintje met garageboxen, gelegen achter het pand [adres 2] , een scooterrijder het terrein opreed. Ik zag dat het kenteken [kenteken] was. Ik zag dat er een manspersoon op zat. Ik hoorde dat mijn collega na bevraging van het kenteken zei dat het kenteken op naam [verdachte] stond. Ik zag dat de scooterrijder stopte bij de garageboxen, maar naar ons bleef kijken. Ik zag dat hij snel achter ons weer van ons wegreed.
Samen met opsporingsambtenaar [verbalisant 5] reed ik het terrein op. Ik zag dat er een voertuig op het terrein stond. Het voertuig stond op naam van [verdachte] en betrof een zwarte Mitsubishi.
Omdat wij het een verdachte situatie vonden en ik als wijkagent nauw contact heb met de gemeente Breda afdeling ondermijning, gaven wij het adres van de garageboxen door aan de gemeente Breda, met het verzoek om hier een bestuurlijke controle uit te voeren.
Op 3 september 2024 werd ik gebeld door [verbalisant 3] van de gemeente Breda. Ik hoorde dat hij zei dat hij samen met de opsporingsambtenaren van handhaving [adres 2] stond en dat zij daar alle garageboxen controleerden. Ik
hoorde dat hij zei dat er vuurwapens aangetroffen waren in een van de garageboxen. Ik hoorde dat hij zei dat de garagebox gehuurd werd door dhr. [verdachte] .
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2024 (pg. 18-19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
(pg. 18)
Op 3 september 2024 was ik verbalisant en toezichthouder van de gemeente Breda, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar voor domein I, in een opvallend BOA uniform gekleed, belast met mijn werkzaamheden op de openbare ruimte te Breda.
Ik deed samen dienst met [verbalisant 3] , Toezichthouder bij de gemeente Breda. Op 3 september omstreeks 13:10 uur was ik samen met [verbalisant 3] aanwezig aan [adres 2] . Op [adres 2] zijn verschillende garageboxen aanwezig welke wij wilden onderwerpen aan een bestuurlijke controle.
(pg. 19)
Ik liep naar vijfde garagebox in het rijtje, welke ik vanaf nu garagebox vijf zal noemen. Ik zag dat er een voorwerp in de kast lag. Ik zag dat dit voorwerp was afgedekt met een doek. Ik heb dit doek een beetje opzijgeschoven zonder het wapen verder aan te raken, en dag dat er een zilverkleurig vuurwapen onder dit doek verborgen lag. Ik draaide me om naar de bank en zag dat hier op een kussen een groot geweer lag, zwart van kleur. Ik zou menen dat dit een shot gun betrof.
Ik heb mijn bevindingen gedeeld met collega [verbalisant 3] , welke contact opnam met de politie.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2024 (pg. 22-23), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
(pg. 22)
Op 3 september 2024 kreeg ik van politie collega [verbalisant 2] het verzoek om te gaan naar [adres 2] . Ik hoorde dat de handhaving daar bezig was met een controle in garagebox 5. Ik hoorde dat de handhaving vermoedelijk vuurwapens en grondstoffen voor de productie van drugs had gevonden.
Ik hoorde dat toezichthouder [verbalisant 4] zei dat het de garagebox van [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte]) [verdachte] betrof. [verbalisant 4] liet mij twee wapens en munitie zien welke hij had aangetroffen. Ik zag dat het een handpistool en een shotgun betroffen. Ik zag dat de patronen en half doosje 9 millimeter patronen betroffen. Ik nam contact op met WME ten behoeve van het veiligstellen en categoriseren van de wapens. Politie-collega [verbalisant 8] , medewerker van de WME, kwam ter plaatse. Ik hoorde dat hij zei dat het handpistool een balletjespistool betrof. Ik hoorde dat hij zei dat de shotgun niet echt was.
In de garagebox werd op meerdere plekken verdovende middelen aangetroffen. Dit betrof MDMA, Ketamine, hennep en XTC. In de garagebox lag ook een ploertendoder. Ook werden er poststukken aangetroffen geadresseerd aan [verdachte] .

4.De kennisgeving van inbeslagneming (pg. 121-123), voor zover inhoudende:

Plaats : [adres 2]
Omstandigheden : monster t.b.v. fo vdm017
Volgnummer 2
Goednummer : PL2000-2024226513-2774957
Object : Verdovende mid
(het hof begrijpt: middelen)
Spoornummer : AARW9267NL
Inhoud/specificatie : Goednummer totaalpartij: 2024226513-2766877 monster t.b.v. fo vdm017
Bijzonderheden : Totaalpartij 28 gram vermoedelijk mdma
Eigenaar : [verdachte] , [adres 3]
Volgnummer 3
Goednummer : PL2000-2024226513-2774958
Object : Verdovende mid
(het hof begrijpt: middelen)
Spoornummer : AARW9266NL
Inhoud/specificatie : Goednummer totaalpartij: 2024226513-2772067 monster t.b.v. fo vdm017
Bijzonderheden : Totaalpartij 19 gram/43 stuks vermoedelijk xtc (mdma)
Eigenaar : [verdachte] , [adres 3]
5.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek verdovende middelen d.d. 28 en 29 oktober 2024 met bijlagen NFiDENT (pg. 71-76), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :
(pg. 72)
Onderzoek aan 'Gripzakje met gele gleuftabletten met logo van Red Bull (Monster gdnr. 2774958) afkomstig van 1 gripzakje met bronpartij 19 gram (gdnr. 2772067)' (AARW9266NL)
Kenmerken goed
Uniek Voorwerp : AARW9266NL
BVH Goednummer : G2774958
Object omschrijving : Gripzakje met gele gleuftabletten met logo van Red Bull (Monster gdnr. 2774958) afkomstig van 1 gripzakje met bronpartij 19 gram (gdnr. 2772067)
Kleur : Geel
(pg. 73)
Aantal : 1
Nettogewicht : 4,5 gram
Bijzonderheden : TOTAALPARTIJ 19 GRAM/43 STUKS VERMOEDELIJK XTC (MDMA)
Categorie : Goed
Uitgevoerde testen bij goed (AARW9266NL)
Methode : Marquis
Resultaat : Positief voor MDMA
Methode : GC-MS
Resultaat : Identificatie MDMA
Onderzoek aan 'Gripzakje met beige kristallen (Monster gdnr. 2774957) afkomstig van 1 gripzakje met bronpartij 28 gram (gdnr. 2766877)' (AARW9267NL)
Kenmerken goed
Uniek Voorwerp : AARW9267NL
BVH Goednummer : G2774957
Object omschrijving : Gripzakje met beige kristallen (Monster gdnr. 2774957) afkomstig van 1 gripzakje met bronpartij 28 gram (gdnr. 2766877)
Kleur : Beige
Aantal : 1
Nettogewicht : 5 gram
Bijzonderheden : TOTAALPARTIJ 28 GRAM VERMOEDELIJK MDMA
Categorie : Goed
Uitgevoerde testen bij goed (AARW9267NL)
Methode : Marquis
Resultaat : Positief voor MDMA
Methode : GC-MS
Resultaat : Identificatie MDMA
6.
Het proces-verbaal onderzoek WWM d.d. 4 september 2024 (pg. 52-54), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pg. 52)
Op 4 september 2024 werd door mij: [verbalisant 1] , brigadier van politie, taak accenthouder Wet Wapens en Munitie, werkzaam bij de politie-eenheid Zeeland - West-Brabant, gecertificeerd en bevoegd tot het beschrijven van wapens, een op 3 september 2024 inbeslaggenomen voorwerp nader onderzocht:
Het betreft: een imitatie veerdruk-shotgun 6mm BB
Dit onder volgnummer PL2000-2024226513-2766829 inbeslaggenomen voorwerp betreft een veerdruk geweer beter bekend als shotgun.
(pg. 53)
Omschrijving inbeslaggenomen voorwerp:
Het inbeslaggenomen voorwerp is een veerdrukwapen in de vorm van een geweer, in de volksmond bekend onder de naam "Shotgun", kaliber 6mm en slechts geschikt voor het verschieten van 6 millimeter ronde kunststof balletjes, zogenaamde BiBi's.
(pg. 54)
Juridische omschrijving imitatiewapen:
Gezien het hierboven gerelateerde wordt gesteld dat het inbeslaggenomen voorwerp een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro I onder ten 7e van de WWM, gelet op artikel 3 onder Pro a van het RWM.
7.
Het proces-verbaal onderzoek WWM d.d. 4 september 2024 (pg. 55-58), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pg. 55)
Op 4 september 2024 werd door mij een op 3 september 2024 inbeslaggenomen voorwerp nader onderzocht:
Het betreft: een imitatie pistool met gasdrukfunctie
Dit onder volgnummer PL2000-2024226513-2766826 inbeslaggenomen voorwerp betreft een gasdrukpistool.
(pg. 57)
Op internet is dit model redelijk vaak voorkomend. Het blijkt te gaan om een CO2 pistool van de fabrikant Cybergun, model Colt 1911 Government 6 mm Blowback. Volgens de specificaties kan dit wapen een projectiel verschieten met een kracht van 1,1 Joules. Dit komt overeen met een snelheid van 105 meter per seconde uitgaande van een 0,2 gram kunststof projectiel en heeft een bereik van maximaal 50 meter. Het wapen biedt ruimte aan een 12 gram CO2 patroon en 17 kunststof projectielen van 6 mm.
Het in beslag genomen en hierboven omschreven voorwerp is een zogenaamd balletjespistool, welke voor wat betreft vorm en afmetingen een nabootsing van een bestaand vuurwapen is, namelijk een semiautomatisch pistool, merk Colt, type 1911.
(pg. 58)
Juridische omschrijving imitatiewapen:
Gezien het hierboven gerelateerde wordt gesteld dat het inbeslaggenomen voorwerp een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro I onder ten 7e van de WWM, gelet op artikel 3 onder Pro a van het RWM.
8.
Het proces-verbaal onderzoek WWM d.d. 7 september 2024 (pg. 59-60), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pg. 59)
Op 7 september 2024 werd door mij een op 3 september 2024 inbeslaggenomen voorwerp nader onderzocht.
Het betreft: een ploertendoder:
Dit onder volgnummer PL2000-2024226513-2766851 inbeslaggenomen voorwerp betreft een ploertendoder.
(pg. 60)
Juridische omschrijving ploertendoder:
Dit voorwerp is een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie Pro I, onder ten 3e van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 2 lid 1 onder Pro g van de regeling Wapens en Munitie.
9.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2024, opgemaakt door Team Forensische Opsporing, Expertise Wapens, Munitie en Explosieven

(pg. 61-62), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

(pg. 61)
Op dinsdag 3 september 2024 werd in garagebox van de verdachte munitie in beslag genomen.
Goednummer: PL2000-2024226513-2766821
Soort : kogelpatronen
Uniek SIN : AARX0866NL
Kaliber : 9 x 19 mm
Aantal : 35
Merk/Land : Maxx tech (Bosnië Herzegovina)
Kleur : Messing
Bodemstempels : MXT 22 9x19
(pg. 62)
Omschrijving patronen
De inbeslaggenomen munitie betreffen in totaal 35 centraalvuur patronen van het kaliber 9x19 millimeter. De patronen zijn voorzien van een met kruit gevulde huls, een slaghoedje met slagsas en een kogelprojectiel.
Juridische omschrijving patronen
De onderzochte patronen betreffen munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2, lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

10.De kennisgeving van inbeslagneming (pg. 143), voor zover inhoudende:

Plaats : [adres 2]
Datum en tijd : 3 september 2024 te 17:41 uur
Omstandigheden : Aangetroffen in de garagebox in de plastic bak
Goednummer : PL2000-2024226513-2766874
Object : Verdovende mid (Hennep)
Totale hoeveelheid : 45 g
(het hof begrijpt: gram)
Sealbagnummer : 72398809
Eigenaar : [verdachte] , [adres 3]
11.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 5 september 2024 (pg. 109-114), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(pg. 109)
V = Vraag verbalisant
A = Antwoord verdachte
O = opmerking verbalisant
(pg. 110)
V: Wat kun, en wil, je nu verklaren over wat er is gebeurd?
A: Harddrugs heb ik van tevoren uitgelegd, wij kopen die van tevoren in om een feestje te bouwen. Ik heb wat dingen ingekocht, en er zal nog wel wat liggen.
V: Van wie is deze garagebox?
A: Die is van mij, ik heb deze gehuurd.
V: Wie hebben er allemaal toegang tot deze garagebox?
A: Alleen ik.
V: Wie hebben er allemaal sleutels van deze garagebox?
A: Alleen ik.
(pg. 111)
V: Er is een doosje met 35 9mm patronen aangetroffen, wat kun je hierover verklaren?
A: Die heb ik bij een ontruiming meegenomen en die heb ik bij mezelf in een lade gelegd.
O: Ook werd er een luchtdrukvuurwapen, een wapen gelijkend op een shotgun en een ploertendoder aangetroffen in de garagebox.
V: Van wie zijn deze wapens?
A: Alle drie van mij.
12.
Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter op 2 juni 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
De hennep is van mijzelf, om te roken voor eigen gebruik.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat het bewijs dat is verkregen na het binnentreden in de garagebox als onrechtmatig verkregen moet worden uitgesloten. Volgens de raadsman diende de bestuurlijke controle van de garagebox enkel een strafvorderlijk doel en hebben de toezichthouders daarmee misbruik gemaakt van hun bevoegdheid. Dit levert op een vormverzuim als bedoeld in artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van het procesdossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 29 april 2024 surveilleerden verbalisanten bij [adres 2] . Ze zagen een man op een scooter het pleintje bij de garageboxen oprijden en de man keerde om toen hij het politievoertuig zag. De scooter stond op naam van [verdachte] . Verbalisanten vonden het een verdachte situatie en hebben het adres van de garageboxen doorgegeven aan de gemeente Breda, met het verzoek hier een bestuurlijke controle uit te voeren. Ruim 4 maanden later, op 3 september 2024 hebben toezichthouders van de gemeente Breda alle garageboxen gecontroleerd. In de garagebox van de verdachte hebben de toezichthouders twee op een handvuurwapen gelijkende voorwerpen en munitie aangetroffen. Daarop hebben de toezichthouders de situatie bevroren en de politie gebeld. De politie is vervolgens de garagebox binnengetreden.
Juridisch kader
Om te bepalen of er sprake is van een vormverzuim neemt het hof het volgende in aanmerking. Het hof overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) blijkt dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ligt, onder meer omdat van een opsporingsonderzoek nog geen sprake was. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1159) blijkt voorts dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling door andere personen dan opsporingsambtenaren. Daarvoor is vereist dat (i) de resultaten van een onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van een verdachte voor ten laste gelegde feiten en (ii) de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of van de vervolging. Als daarvan sprake is, is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het gebruik van de resultaten van een onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op de rechten van de verdachte.
Bij het bepalen van een rechtsgevolg kan aansluiting worden gezocht bij de in art. 359a tweede lid Sv genoemde factoren, terwijl ook het uitgangspunt van subsidiariteit in acht moet worden genomen. De rechter kan tot het oordeel komen dat de onrechtmatige handeling door de andere persoon dan de opsporingsambtenaar, die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging, dwingt tot bewijsuitsluiting. Dat is allereerst aan de orde als bewijsuitsluiting noodzakelijk is om de schending van het in art. 6 EVRM Pro bedoelde recht op eerlijk proces te voorkomen. Daarnaast kan bewijsuitsluiting in aanmerking komen als de opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is bij de onrechtmatige handeling door een andere persoon en het gebruik van de resultaten, mede gelet op wijze waarop die zijn verkregen, een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel zou opleveren. Van een zodanige betrokkenheid van een opsporingsambtenaar kan sprake zijn als deze het gedrag van de betreffende persoon heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, daaronder mede begrepen dat de opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van die persoon welbewust heeft laten begaan en/of voortduren.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de toezichthouder op de verboden waar in de garagebox van de verdachte is gestuit nadat hij conform zijn bevoegdheid deze had onderworpen aan een bestuurlijke controle. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden en garageboxen regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, in het bijzonder de aanwezigheid van goederen die geschikt zijn voor de bereiding of bewerking van verdovende middelen, verdovende middelen en/of wapens, doet daaraan niet af. Het samenwerken daarin met onder andere de politie acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 Awb Pro daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig. Dat, zoals in deze zaak is gebleken, de politie de gemeente wijst op een verdachte situatie en oppert om aldaar een bestuurlijke controle te verrichten, is naar ’s hofs oordeel niet in strijd met enige rechtsregel.
Dat zou alleen anders kunnen zijn indien de toezichtsbevoegdheden uitsluitend zijn gebruikt voor de opsporing. Dan immers wordt bestuursrechtelijk optreden misbruikt voor strafrechtelijke doelen en worden aldus strafvorderlijke voorschriften omzeild. Daarvan is te dezen echter geen sprake geweest. In de onderhavige zaak was sprake van een integrale controle. Hierbij waren twee toezichthouders van de gemeente betrokken. Zij hebben alle garageboxen gelegen op [adres 2] aan een bestuurlijke controle onderworpen. Op het moment dat zij vuurwapens aantroffen in één van de garageboxen, hebben zij de politie ingelicht en de situatie bevroren. Anders dan de verdediging en de politierechter is het hof niet van oordeel dat in deze zaak bestuursrechtelijk optreden is misbruikt voor strafrechtelijke doelen en dat aldus strafvorderlijke voorschriften zijn omzeild. Volgens het hof was het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig, omdat de toezichthouders van de gemeente bevoegd waren tot een dergelijke controle en er geen aanwijzingen zijn dat er van meet af aan ongeoorloofde bijbedoelingen waren bij de inzet van deze toezicht- en controlebevoegdheden. Op het moment dat verbalisanten melding maakten van een verdachte situatie bij de gemeente, was er nog geen sprake van enige verdenking van een strafbaar feit of een begin van een opsporingsonderzoek jegens de verdachte. Dit was overigens nog steeds niet het geval vier maanden later, toen de toezichthouders de garagebox binnentraden. Dat de toezichthouders de garagebox hebben betreden na een melding van de politie, maakt nog niet dat de toezichtsbevoegdheden uitsluitend zijn ingezet in het kader van de opsporing van een strafbaar feit. Het hof merkt in dat kader op dat de controle pas vier maanden na de melding heeft plaatsgevonden en de garagebox deel uitmaakte van een integrale controle van alle garageboxen ter plaatse. Alles in ogenschouw genomen acht het hof het optreden van de gemeentelijke toezichthouders rechtmatig en is er geen sprake van een vormverzuim.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Maar ook overigens kan het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting niet slagen. Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat zich met betrekking tot de bestuurlijke controle van de garagebox een vormverzuim zou hebben voorgedaan, zou het hof na afweging van de in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren in dit geval alleen hebben volstaan met een constatering hiervan en zou hebben bepaald dat dit niet tot bewijsuitsluiting kan leiden.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 4 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de verdachte in staat is om een taakstraf te verrichten en dat hij geen meerwaarde ziet in het opleggen van bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd, nu het al enige tijd goed gaat met de verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van diverse wapens, alsmede aan het voorhanden hebben van munitie. Het illegaal voorhanden hebben van vuurwapens is een ernstig feit waartegen streng wordt opgetreden, mede gelet op de dreiging die van dergelijke wapens uitgaat en het steeds verder toenemende bezit en gebruik daarvan. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat aan het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie grote gevaren kleven en dat het onbevoegd voorhanden hebben hiervan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich meebrengt. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hard- en softdrugs. Door het handelen van de verdachte heeft hij bijgedragen aan het in het verkeer brengen van harddrugs, waarvan het gebruik risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt. Het is bovendien algemeen bekend dat het bezit van en de handel in drugs direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit leiden. Dit levert onrust, hinder en schade aan de maatschappij op. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in 2012 onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Verder blijkt uit het uittreksel dat de verdachte de afgelopen jaren vaker onherroepelijk is veroordeeld, doch niet voor soortgelijke strafbare feiten.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van het door Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 26 mei 2025 omtrent de persoon van de verdachte. Daarin heeft de reclassering gerapporteerd dat het de afgelopen jaren stabiel lijkt te gaan in het leven van de verdachte gelet op zijn huisvesting en het contact met zijn zoontje en ouders. Wel merkt de reclassering op dat de verdachte verdovende middelen gebruikt en soms ondoordachte, impulsieve keuzes lijkt te maken in zijn leven. Daardoor adviseert de reclassering het hof om een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen, te weten een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verdachte nog steeds een woning heeft, goed contact heeft met zijn zoontje en er geen sprake meer is van middelengebruik.
Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. In het geval van het aanwezig hebben van 10-50 gram harddrugs gaan deze oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. In het geval van het voorhanden hebben van een wapen van categorie I.3 en I.7, alsmede het voorhanden hebben van 1-50 patronen munitie en het aanwezig hebben van 31-100 gram softdrugs, gaan deze oriëntatiepunten telkens uit van een geldboete.
De ernst van het bewezenverklaarde in combinatie met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting rechtvaardigen naar het oordeel van het hof in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf. Met de advocaat-generaal ziet het hof echter in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aanleiding om in deze zaak een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de beperkte documentatie van de verdachte en met het feit dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg steeds openheid van zaken heeft gegeven.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Het hof is met de raadsman daarbij van oordeel dat het opleggen van bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer heeft, gelet op het feit dat het leven van de verdachte inmiddels stabiel lijkt te zijn. Het hof zal derhalve geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met een strafrechtelijke beslagtitel staat het voorwerp “1 STK Wapen (PL2000-2024226513-G2766826)”. Het hof zal zich onthouden hierover een beslissing te nemen, nu uit het dossier blijkt dat de verdachte als eigenaar afstand heeft gedaan van dit voorwerp.
Het hof zal voorts van de hierna in het dictum te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelasten, nu niet is komen vast te staan dat dit uit enig misdrijf afkomstig is en er voorts geen strafvorderlijk belang (meer) mee is gediend om het beslag hierop te laten voortduren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis;
bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828630);
  • 1 STK Armband (PL2000-2024226513-G2828634);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828635);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828637);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828639);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828643);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828647);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828651);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828653);
  • 6 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2828654);
  • 1 STK Horlogeband (PL2000-2024226513-G2828655);
  • 1 STK Sieraad (PL2000-2024226513-G2828656);
  • 1 STK Sieradendoos (PL2000-2024226513-G2828660);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2848728);
  • 1 STK Horloge (PL2000-2024226513-G2848730).
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Meer, griffier,
en op 15 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.