ECLI:NL:GHSHE:2026:1623

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
24/213
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 lid 6 belastingverdrag Nederland-DuitslandArt. 8:75 AwbArt. 26 lid 1 en 2 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2016 en verzoek om rente- en schadevergoeding

Belanghebbende, een inwoner van Duitsland, ontving in 2016 twee uitkeringen uit Nederland waarop loonheffing was ingehouden. Hij deed aangifte inkomstenbelasting 2016 als kwalificerend buitenlands belastingplichtige en koos voor toepassing van het overgangsrecht uit het belastingverdrag met Duitsland. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op, die de rechtbank vernietigde wegens formele fouten.

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank en verzocht om rentevergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof oordeelde dat de initiële aanslag terecht was opgelegd en dat de navorderingsaanslag onterecht was, maar dat belanghebbende niet onterecht was belemmerd in de beschikking over gelden.

De redelijke termijn in eerste aanleg was niet overschreden, zodat geen recht op immateriële schadevergoeding bestond. Ook de aanvullende schadevergoeding werd afgewezen omdat de inspecteur niet tegen beter weten in had gehandeld en de aangevoerde schendingen onvoldoende concreet waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toekenning van rente- of schadevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/213
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 22/4144, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) 2016 gedaan en de inspecteur heeft de aanslag IB 2016 opgelegd (hierna: de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
1.3.
De inspecteur heeft een verminderingsbeschikking inkomstenbelasting 2016 gegeven.
1.4.
De inspecteur heeft uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.5.
De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB 2016 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd.
1.6.
Belanghebbende heeft ook bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag (hierna: het bezwaar tegen de navorderingsaanslag).
1.7.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ongegrond verklaard (hierna: de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag).
1.8.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.9.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.10.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.11.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.12.
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn echtgenote [echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.13.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is inwoner van Duitsland.
2.2.
Belanghebbende heeft in 2016 twee uitkeringen uit Nederland ontvangen van ABN AMRO Bank N.V., te weten:
  • Een ontslagvergoeding van € 30.000, waarop € 15.600 aan loonheffing is ingehouden;
  • Een uitkering uit een levensloopregeling van € 19.900, waarop € 1.672 aan loonheffing is ingehouden.
2.3.
Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2016 gedaan als kwalificerend buitenlands belastingplichtige en hij heeft daarbij aangegeven dat hij premieplichtig in Nederland is. Hij heeft daarbij gekozen voor toepassing van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 33, lid 6, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het belastingverdrag).
2.4.
Tussen de belanghebbende en de inspecteur is veelvuldig contact geweest over de heffing van Nederlandse IB over het jaar 2016.
2.5.
De inspecteur heeft met dagtekening 11 oktober 2019 de aanslag vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 52.039, daarbij is belanghebbende als niet premieplichtig aangemerkt. Aan belanghebbende is een teruggaaf verleend waarover € 634 aan belastingrente is vergoed.
2.6.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft de inspecteur een verminderingsbeschikking genomen waarbij de uitkeringen (zie hiervoor in 2.5) zijn vrijgesteld en het verzamelinkomen van belanghebbende is vastgesteld op € 3.139.
2.7.
Met dagtekening 6 juli 2022 is aan belanghebbende de navorderingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft hier, bij brief door de inspecteur ontvangen op 30 juni 2022, bezwaar tegen gemaakt.
2.8.
De inspecteur heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de navorderingsaanslag, als gevolg van een beoordelingsfout ten aanzien van de eerder gegeven verminderingsbeschikking, ten onrechte is opgelegd en vernietigd dient te worden. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist.
2.9.
In het kader van deze procedure heeft belanghebbende in zijn woonland verzocht tot het opstarten van een Mutual Agreement Procedure (hierna: de MAP-procedure). Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende verklaard dat de MAP-procedure is afgerond en dat het heffingsrecht over de uitkeringen aan Nederland is toegewezen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding?
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van (immateriële) schade?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van het oordeel over de vernietiging van de navorderingsaanslag en de vergoeding van het griffierecht. Daarnaast verzoekt hij tot toekenning van een (immateriële)schadevergoeding van € 6.500 en toekenning van € 1.925 rentevergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank heeft met dagtekening 14 december 2023 uitspraak gedaan. Een afschrift van de uitspraak is op 19 december 2023 aan partijen toegestuurd.
4.2.
Belanghebbende heeft bij brief, door de rechtbank ontvangen op 17 januari 2024, het volgende geschreven:
“Nadat verdere onderhandeling met de belastingdienst over een schadevergoeding helaas niet mogelijk bleek gaan wij in beroep bij het gerechtshof in Den Bosch. Ter vervollediging van de gerechtelijke stukken verzoek ik u mij van bovengenoemde zaak het zittingsverslag van 2 november 2023 per post te doen toekomen.”
4.3.
De rechtbank heeft bij brief van 13 februari 2024 het volgende aan belanghebbende medegedeeld:
“Uw beroepschrift heb ik op 17 januari 2024 ontvangen. U bent in hoger beroep gegaan.
Deze rechtbank is echter niet bevoegd om uw beroepschrift te behandelen. Daarom heb ik uw beroepschrift doorgezonden aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het gerechtshof zal u over het verdere verloop van de procedure informeren.”
4.4.
Op 6 februari 2024 heeft het gerechtshof een brief van belanghebbende ontvangen met als opschrift: “Pro Forma Beroepschrift”. Dit geschrift is door het hof ontvangen buiten de beroepstermijn.
4.5.
Gegeven de bovenstaande feiten is het hof van oordeel dat belanghebbende tijdig, dan wel verschoonbaar te laat, hoger beroep heeft ingesteld, omdat hij uit de brief van de rechtbank van 13 februari 2024 redelijkerwijs mocht afleiden dat hij hoger beroep had ingesteld. Belanghebbende is ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Ten aanzien van het geschil
1)
Rentevergoeding
4.6.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan en daarbij aangegeven dat hij kwalificerend buitenlands belastingplichtig en premieplichtig is. Daarnaast heeft hij aangegeven gebruik te willen maken van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 33, lid 6, van het belastingverdrag.
4.7.
Met dagtekening 11 oktober 2019 heeft de inspecteur de aanslag vastgesteld. Daarbij heeft de inspecteur belanghebbende aangemerkt als niet-premieplichtig. Dit heeft geleid tot een teruggaaf. Over de teruggaaf is € 634 aan belastingrente vergoed.
4.8.
De aanslag is vervolgens ambtshalve verminderd, waarna een navorderingsaanslag is opgelegd die overeenkomt met de oorspronkelijke aanslag. De rechtbank heeft de navorderingsaanslag wegens formele redenen vernietigd.
4.9.
In de MAP-procedure is bepaald dat Nederland heffingsrecht heeft over de uitkeringen (zie 2.9). Hieruit volgt dat de initieel opgelegde aanslag en de navorderingsaanslag correct waren. De inspecteur heeft onterecht een vermindering toegekend en kon dit, vanwege formele gronden, niet middels een navorderingsaanslag herstellen. Hierdoor is een situatie ontstaan waarin de inkomensbestanddelen noch in Nederland noch in Duitsland in de heffing zijn betrokken.
4.10.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de initiële aanslag terecht was opgelegd. Hoewel belanghebbende belasting heeft teruggekregen in het kader van de hiervoor genoemde onterechte vermindering, kan niet worden gesteld dat belanghebbende onterecht niet over dit geld kon beschikken. Het hof ziet daarom geen reden om de inspecteur te veroordelen tot betaling van rente.
2)
Verzoek tot toekennen schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de rechtbank onvolledig is, omdat, onder meer, de rechtbank ten aanzien van de immateriële schadevergoeding slechts een deel van het geheel heeft beoordeeld. Belanghebbende verzoekt in dat kader, naar het hof begrijpt, om i) vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure(s), en ii) een (aanvullende) schadevergoeding vanwege de zaakzwaarte, de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een wanprestatie van de inspecteur jegens belanghebbende en, in hoger beroep, de onwaarheden die de inspecteur ter zitting in eerste aanleg heeft verteld. Belanghebbende verzoekt het hof om alsnog op dit geschilpunt te beslissen.
4.12.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat i) niet kan worden toegekomen aan de vergoeding van immateriële schade, omdat de redelijke termijn niet is overschreden, en ii) hij geen redenen ziet om op andere gronden een aanvullende schadevergoeding toe te kennen.
4.13.
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan op het verzoek om een aanvullende schadevergoeding. Aangezien de rechtbank heeft nagelaten over dit geschilpunt te oordelen en belanghebbende het hof verzoekt om een inhoudelijke beoordeling, zal het hof de zaak zelf afdoen. Het hof komt daarbij tot de conclusie dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet kan leiden tot toekenning van een (immateriële)schadevergoeding. Het hof merkt daarbij op dat dit niet zonder meer tot een gegrond hoger beroep leidt. Hieronder zal het hof toelichten hoe het tot dat oordeel is gekomen.
i)
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijden redelijke termijn (eerste aanleg)
4.14.
Belanghebbende stelt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden en hij daarom recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. De redelijke termijn vangt aan in het eerste kwartaal van 2018 “na de belofte van een beslissingsbevoegde bij de Nederlandse belastingdienst om binnenkort een (voorlopige)aanslag 2016 op te leggen” dan wel in oktober 2019, aldus belanghebbende.
4.15.
Voor het bepalen van de vergoeding voor immateriële schade in geval van het overschrijden van de redelijke termijn, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [1] Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Als de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
4.16.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ontvangen op 30 juni 2022 (zie 2.7). Op 19 december 2023 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de rechtbank binnen twee jaar na het moment van indiening van het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan en oordeelt dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden.
ii)
Aanvullende schadevergoeding
4.17.
Als motivering voor zijn verzoek om een aanvullende schadevergoeding voert belanghebbende aan dat de zaak bijzonder zwaar was (“
anderhalve ordners aan communicatie”), de inspecteur de belofte van een snelle afwerking niet is nagekomen waardoor het vertrouwensbeginsel is geschonden en de MAP-procedure onnodig lang heeft geduurd. Hoewel de MAP-procedure door het ministerie is gevoerd, acht belanghebbende dit, vanwege de nauwe contacten tussen beide organisaties, ook aan de inspecteur toerekenbaar. Daarnaast zijn de gemaakte fouten in de onderhavige procedure voor belanghebbende aanleiding om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. Tot slot acht belanghebbende het laakbaar dat de inspecteur ter zitting bij de rechtbank een, naar zijn mening, onjuiste verklaring heeft afgelegd en overigens ook niet zorgvuldig heeft gehandeld. Hij verzoekt het hof naast de toekenning van een schadevergoeding, de inspecteur te berispen.
4.18.
Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst belanghebbende op e-mailcorrespondentie tussen hem en de inspecteur. Laatstgenoemde schrijft in een e-mail op een niet nader gespecificeerde datum:
“Om een overlegprocedure op te starten moet er allereerst, daadwerkelijk, sprake zijn van dubbele belastingheffing. De aanslag van 2016 (met de ontslaguitkering) moet dus zijn opgelegd. Dat is nu nog niet het geval. Het is momenteel ook nog niet mogelijk deze aanslag 2016 definitief vast te stellen. Ik zal wel een en ander zo goed mogelijk bewaken om de aanslag met zo min mogelijke vertraging te kunnen vaststellen.”
En in een e-mail van 5 juli 2017:
“Naar mijn mening zijn er geen echte achterstanden! Zoals ik vanmorgen ook al heb aangegeven in mijn mail, zal ik zorgdragen voor een zo spoedig mogelijke verwerking van uw aanslag 2016. Een duidelijk tijdstip van afhandeling kan ik niet geven, maar wel met u mee hopen dat het gelijktijdig zou kunnen gebeuren met de Duitse aanslag.”
4.19.
Voor zover belanghebbende zich op het standpunt heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschaad en dat hij op grond daarvan recht heeft op een schadevergoeding, is het hof van oordeel dat de uitlatingen van de inspecteur, zoals hiervoor in de in 4.18 weergegeven e-mails, onvoldoende concreet zijn om redelijkerwijs vertrouwen aan te kunnen ontlenen.
4.20.
Voor zover belanghebbende betoogt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden en dat deze schending tot een aanvullende schadevergoeding, namelijk naast de schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn, zou moeten leiden, overweegt het hof dat weliswaar is komen vast te staan dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag, maar dat dit reeds heeft geleid tot vernietiging van deze navorderingsaanslag. Naar het oordeel van het hof kunnen de door belanghebbende aangedragen feiten en omstandigheden ook niet leiden tot de gevolgtrekking dat de inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.
4.21.
Het hof is voorts van oordeel dat belanghebbende voor het overige geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die kunnen leiden tot het toekennen van een aanvullende schadevergoeding. Voor het berispen van de inspecteur, voor zover daar al aanleiding toe zou zijn, is in deze procedure bij de belastingrechter geen plaats.
Tussenconclusie
4.22.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding (in hoger beroep)
4.23.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof, behoudens bijzondere omstandigheden, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hogerberoepschrift door het hof is ontvangen. [2]
4.24.
Op 17 januari 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een brief van belanghebbende ontvangen (zie 4.2), deze brief is door de rechtbank aangemerkt als hoger beroep en doorgestuurd aan het hof (zie 4.3). De redelijke termijn is derhalve op zijn vroegst aangevangen op 17 januari 2024. Het hof doet per heden uitspraak. De redelijke termijn is met minder dan zes maanden overschreden.
4.25.
In het arrest van 14 juni 2024 [3] heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt (de zogeheten bagatelgrens), en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Uit overweging 3.3.1. van het arrest volgt dat het financiële belang alleen betrekking kan hebben op een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, lid 1 en 2, AWR. Geen rekening wordt gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters zoals bijvoorbeeld beslissingen over vergoedingen van proceskosten, (immateriële) schadevergoedingen en beslissingen over wettelijke rente.
4.26.
Aangezien het geschil in hoger beroep, nog slechts beperkt is tot de vraag of belanghebbende recht heeft op een (hogere) rentevergoeding en/of vergoeding van (immateriële) schade, volstaat het hof, gelet op het voorgaande, met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.27.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.28.
Belanghebbende heeft niet verzocht om vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, reiskosten of verletkosten. Wel heeft hij gesteld dat hij recht heeft op een vergoeding van de door hem aan de procedure bestede tijd. Deze kosten komen op basis van het besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.