ECLI:NL:GHSHE:2026:183

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/171
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.92 Wet IB 2001Art. 6:161 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aftrek afwaardering lening bij bedrijfsoverdracht en voortzetting onderneming

Belanghebbende was directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap die een supermarkt exploiteerde. Hij verstrekte een rekening-courantschuld die later werd omgezet in een achtergestelde lening. De vennootschap droeg de onderneming over aan belanghebbende in privé, die deze voortzette als eenmanszaak. De overnamesom was negatief en de vennootschap bleef deze schuldig.

Belanghebbende waardeerde de vordering op de vennootschap af en bracht dit verlies in mindering op zijn inkomen uit onderneming. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de lening onzakelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en het hof bevestigt dit oordeel.

Het hof stelt vast dat de lening niet onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen, mede vanwege het negatieve eigen vermogen van de vennootschap, het ontbreken van zekerheden en aflossingsschema, en het ontbreken van een ondernemingsvoornemen. Ook de afwaardering van de lening die door vermenging is komen te vervallen kan niet worden afgetrokken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de afwaardering van de lening niet ten laste van het inkomen kan worden gebracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/171
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 december 2023, nummer BRE 21/2955 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende was van 29 maart 2006 tot en met 1 december 2017 directeur en enig aandeelhouder van [b.v.] (hierna: de vennootschap). De vennootschap exploiteerde een supermarkt onder de [supermarkt 1] formule.
2.2.
Omdat de vennootschap in een slechte financiële positie verkeerde, heeft belanghebbende in 2012 een bedrag van € 368.263 vanuit zijn privé vermogen naar de vennootschap overgemaakt. Dit bedrag is als schuld in rekening-courant in de jaarrekening van de vennootschap verwerkt. Van deze rekening-courantschuld is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld.
2.3.
Eind 2013 wordt voor de exploitatie van de supermarkt overgegaan naar de [supermarkt 2] formule. De rekening-courantschuld aan belanghebbende die op dat moment € 364.808 bedroeg, is op verzoek van [supermarkt 2] omgevormd naar een achtergestelde lening. Met betrekking tot deze lening is op 7 maart 2014 een overeenkomst opgemaakt. Hierin staat, voor zover hier van belang, vermeld:
Artikel 1 Schuldomzetting Pro
1. Schuldeiser doet hierbij, doch met ingang van 31 december 2013 ten aanzien van het hierna te noemen bedrag afstand van haar rekening courant vordering op Schuldenaar.
2. De rekening courant schuld van Schuldenaar aan Schuldeiser wordt per gelijke datum voor het een bedrag ad € 364.808 (zegge: driehonderdvierenzestigduizend achthonderd en acht euro's) omgezet in een schuld ten titel van geldlening, dat in het hierna volgende zal worden aangeduid als "de geleende som", welke geacht wordt per voornoemde datum voor Schuldenaar beschikbaar te zijn.
Artikel 2 Rentevergoeding Pro
1. Over de geleende som, althans over het nog niet afgeloste gedeelte daarvan, is Schuldenaar vanaf de in artikel 1 aangeduide Pro datum aan Schuldeiser een naar tijdsgelang te berekenen jaarlijkse rente van 4 procent verschuldigd.
(…)
4. De rentevergoeding zal pas daadwerkelijk worden uitgekeerd indien het eigen vermogen van de Schuldenaar minimaal € 100.000 bedraagt. Tot die tijd zal de rente bij de lening worden bijgeschreven.
(…)
Artikel 3 Duur Pro en Aflossing van de geleende som
1. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en de geleende som behoeft niet te worden afgelost voordat Schuldeiser teruggave van de geleende som vordert. Partijen zullen alsdan een aflossingsschema overeenkomen.
(…)
Artikel 7 Zekerheden Pro
1. Positieve Pandverklaring: Schuldenaar verbindt zich op eerste afroep van Schuldeiser, tot zekerheid voor de voldoening van de hoofdsom, rente, alle kosten die uit hoofde van deze overeenkomst ten laste van de Schuldenaar komen, en al hetgeen ingevolge de bepalingen dezer akte door de Schuldenaar aan de Schuldeiser verschuldigd is of verschuldigd zal worden, ten behoeve van Schuldeiser bij onderhandse geregistreerde akte een bezitloos pandrecht van zo hoog mogelijke rang te vestigen, op alle thans en in de toekomst tot haar bedrijf behorende bedrijfsinventaris, bedrijfsauto's, overige vaste bedrijfsmiddelen en voorraden. Schuldenaar zal tevens bij geregistreerde onderhandse akte ten behoeve van Schuldeiser een stil pandrecht vestigen op alle inventaris, voorraden en huidige en toekomstige vorderingen op (handels)debiteuren.”.
2.4.
Ultimo 2016 had de vennootschap in de vorm van een achtergestelde lening een schuld ter grootte van € 387.380 aan belanghebbende. Aanvullend had de vennootschap dat moment een rekening-courantvordering op belanghebbende ter grootte van € 67.754, resulterend onder verrekening in een netto schuldpositie van € 319.626.
2.5.
Per 1 januari 2017 heeft de vennootschap de onderneming overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft de onderneming voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. Met betrekking tot deze overdracht is op 16 mei 2017 een akte van bedrijfsoverdracht overeengekomen. De akte vermeldt, onder meer, het volgende:
“Artikel 7. Betaling
Koper en verkoper van zijn overgekomen dat verkoper de in artikel 6 genoemde Pro koopsom schuldig zal blijven. Over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente zullen nadere afspraken worden gemaakt.”.
2.6.
De verkoopprijs van de onderneming bedroeg € 438.337 negatief. De vennootschap is deze verkoopprijs aan belanghebbende schuldig gebleven. Dit bedrag, vermeerderd met een bedrag van € 6.793 aan rente, dus totaal € 445.170, staat als vordering op de balans van de eenmanszaak en als schuld op de balans van de vennootschap. In dit bedrag is verdisconteerd het bedrag van € 387.380 (zie 2.4). Blijkens de overnamebalans per 1 januari 2017 is het bedrag van € 445.170 als volgt tot stand gekomen:
Activa
Passiva
Immateriële vaste activa
Kortlopende schulden
Goodwill
- 518.000
Schulden aan kredietinstellingen
- 142.266
Voorfinanciering [supermarkt 2]
- 70.750
Renteloze lening [supermarkt 2] I
- 40.600
Materiele vaste activa
Renteloze lening [supermarkt 2] II
- 45.940
Afbouw
- 122.094
Renteloze lening [supermarkt 2] III
- 146.584
Inventaris
- 32.885
Lening aandeelhouder
- 319.626
Crediteuren
- 690.808
Financiële vaste activa
Te betalen loonbelasting
- 24.444
Inleggeld [supermarkt 2]
- 5.000
Overige schulden
- 30.322
Waarborgsom huur
- 14.652
Kredietspaarrekening [supermarkt 2]
- 114.950
Vlottende activa
Voorraden
- 200.391
Kortlopende vorderingen
Vordering omzetbelasting
- 7.632
Debiteuren
- 10.087
Rekening-courant directie
Overige vorderingen
- 28.927
liquide middelen
liquide middelen
- 718
Overige liquide middelen
- 10.294
Totaal activa
- 1.066.170
Totaal passiva
- 1.511.340
Koopsom onderneming: - € 445.170
2.7.
De vennootschap is per 1 december 2017 geliquideerd.
2.8.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Het verlies uit onderneming wordt veroorzaakt door de afwaardering van de vordering op de vennootschap ter grootte van € 445.170. Onder vermindering van de MKB-vrijstelling van 14% wordt in de aangifte ter zake van deze onïnbare vordering opgenomen een aftrekpost van € 391.415. Het verlies uit aanmerkelijk belang in de aangifte bedraagt € 18.000 negatief.
2.9.
Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor 2017 is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij is de afwaardering van de vordering in box 1 geschrapt. Het verlies uit aanmerkelijk belang is verhoogd met het bedrag aan afwaardering van de verstrekte lening. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.011 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Het bedrag van € 337.626 is het saldo van de vordering van belanghebbende op de vennootschap ter grootte van € 387.380, verminderd met de rekening-courant schuld van belanghebbende aan de vennootschap (€ 67.754) en vermeerderd met het bedrag aan gestort kapitaal (€ 18.000). Tevens is bij beschikking € 378 belastingrente in rekening gebracht. Het verzamelinkomen bedraagt € 312.615 negatief.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is het antwoord op de vraag of de vordering van € 445.170 (zie 2.6) onder zakelijke voorwaarden tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
i) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat voor de winst uit onderneming van belanghebbende worden gebracht?
ii) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?
iii) Kan van de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering het bedrag € 319.626 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?
iv) Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair het belastbaar inkomen uit
werk en woning over het jaar 2017 vast te stellen op € 366.404 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief (conform de ingediende
aangifte), resulterend in een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 366.739 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 384.739. Meer subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 256.260 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 143.544 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 399.804 negatief. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende bij het verstrekken van de lening een onzakelijk debiteurenrisico is aangegaan, oftewel of de lening onzakelijk is, gelden de volgende uitgangspunten. [1] Een afwaarderingsverlies ter zake van een vordering komt niet voor aftrek in aanmerking wanneer sprake is van een onzakelijke lening. Hiervan is sprake indien een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Indien geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, zonder dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening daardoor in wezen winstdelend zou worden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de crediteur een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. In dat geval moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de crediteur dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht.
4.2.
De vraag of sprake is van een onzakelijke lening dient beoordeeld te worden naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden. [2]
4.3.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende een geldlening heeft verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.
4.4.
Het voorgaande heeft ook betrekking op geldleningen, die door de aandeelhouder aan diens vennootschap zijn verstrekt en waarop de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en letter a, Wet IB 2001 van toepassing is. [3]
Ten aanzien van vraag i.
4.5.
Belanghebbende betoogt primair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een onzakelijke lening waardoor het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Hij voert onder meer aan dat de rechtbank voorbij gaat aan het feit dat de vordering een resultante is van een zakelijke bedrijfsoverdracht. Ten tweede gaat volgens belanghebbende de rechtbank voorbij aan het feit dat de door de rechtbank genoemde ‘lening 2’ [4] schriftelijk is vastgelegd in de overeenkomst van 16 mei 2017 (akte van bedrijfsoverdracht). Belanghebbende erkent dat er ten aanzien van deze lening geen separate overeenkomst van geldlening is opgesteld, maar meende dat dit voldoende was benoemd in de overeenkomst van 16 mei 2017.
4.6.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de afwaardering van de vordering op de vennootschap ten bedrage van € 445.170 niet ten laste van de winst uit onderneming, dan wel het resultaat overige werkzaamheden kan worden gebracht, omdat de lening onder zodanige voorwaarden en omstandigheden is verstrekt dat daarmee een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De lening is volgens de inspecteur reeds vanaf de verstrekking ervan in 2017 onzakelijk.
4.7.
Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, en overweegt daartoe het volgende.
4.8.
Belanghebbende is bij de aankoop van de onderneming akkoord gegaan met de voorwaarde dat de verkoper, de vennootschap, de (negatieve) koopsom schuldig zal blijven. Anders dan in artikel 7 van Pro de akte van bedrijfsoverdracht staat vermeld (zie 2.5), zijn partijen niets overeengekomen over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente. Uit de overnamebalans per 1 januari 2017 (zie 2.6) volgt dat de vennootschap op 1 januari 2017 een significant negatief eigen vermogen heeft. Ook de balans van de vennootschap na overdracht van de onderneming toont een negatief eigen vermogen. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de vennootschap ten tijde van het ontstaan van de vordering op de vennootschap ten bedrage van € 445.170 weliswaar de intentie had om de schuld af te lossen, maar dat de vennootschap op dat moment geen ondernemingsactiviteiten uitoefende of voornemens was uit te gaan oefenen, op basis waarvan vermogen kon worden gegenereerd waarmee de schuld kon worden afgelost. Op basis hiervan moet het belanghebbende ten tijde van de overdracht van de onderneming duidelijk zijn geweest dat de schuld ten bedrage van € 445.170 niet door de vennootschap kon en ook niet zou worden voldaan.
4.9.
Een onafhankelijke derde die de vennootschap gelden zou lenen, zou er in zo’n geval niet mee instemmen dat geen zekerheden worden gesteld en geen aflossingsschema wordt overeengekomen. Belanghebbende heeft alsdan een debiteurenrisico gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Onder de gegeven omstandigheden – met name het significante negatieve eigen vermogen van de vennootschap in combinatie met het ontbreken van zekerheden en een aflossingsschema, en het ontbreken van een voornemen om nieuwe activiteiten te starten –concludeert het hof dat de kans op terugbetaling van de lening zeer gering was, en zou een zakelijk handelende derde naar het oordeel van het hof een dergelijke lening niet zijn aangegaan. Er is dus sprake van een onzakelijke lening, zodat het onderhavige afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Ook als er van uit moet worden gegaan dat de koopsom zelf onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen, treft dat geen doel. Niet van belang is of de koopsom op zakelijke gronden tot stand is gekomen, maar of de lening voortvloeiende uit het schuldig blijven van de koopsom onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. Vraag i moet ontkennend worden beantwoord.
Ten aanzien van vragen ii en iii.
4.10.
Subsidiair betoogt belanghebbende dat de vordering ten bedrage van € 445.170 uit twee verschillende leningen bestaat, te weten een deellening ter grootte van € 319.626
en een deellening ter grootte van € 125.544. De deellening van € 319.626 is gelijk aan de ultimo 2016 bestaande netto schuldverhouding van de vennootschap aan belanghebbende en maakt onderdeel uit van de koopsom. De deellening van € 125.544 houdt verband met de schuldig gebleven koopsom ter zake van de overdracht van de onderneming. Naar de mening van belanghebbende vormt de afwaardering van deze twee deelleningen een verlies dat in mindering kan worden gebracht op het resultaat overige werkzaamheden. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat in ieder geval de afwaardering van de deellening van € 319.626 een verlies vormt dat in mindering kan worden gebracht op het resultaat overige werkzaamheden.
4.11.
Het hof stelt vast dat de schuld van de vennootschap aan belanghebbende ten tijde van de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan belanghebbende € 387.380 bedroeg. Belanghebbende had nog een rekening-courantschuld aan de vennootschap ter grootte van € 67.754 zodat het totaalbedrag uitkomt op € 319.626. Met de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan belanghebbende hebben de hoedanigheid van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon, te weten belanghebbende, verenigd. Naar het oordeel van het hof is deze lening daarmee van rechtswege teniet gegaan door vermenging. [5] Van een afwaardering van de vordering ten laste van het resultaat overige werkzaamheden voor het bedrag van € 319.626 door belanghebbende kan reeds hierom geen sprake zijn.
4.12.
De afwaardering van de deellening van € 125.544 kan naar het oordeel van het hof evenmin ten laste van het resultaat overige werkzaamheden worden gebracht op basis van de gronden zoals hiervoor vermeld in rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.9. Vragen ii en iii moeten ontkennend worden beantwoord.
Vraag iv
4.13.
Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door de afwaardering van de vordering niet ten laste van de winst of het resultaat te laten komen bij de liquidatie van de vennootschap. Dit geldt temeer nu ter zake van de liquidatie van de vennootschap overleg is geweest tussen de vennootschap en de inspecteur, aldus belanghebbende.
4.14.
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast voor een beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rusten. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [6] Belanghebbende heeft zulke toezeggingen, uitlatingen en/of gedragingen van de zijde van de inspecteur niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve. Vraag iv moet ontkennend worden beantwoord.
Gevolgen voor het verzamelinkomen
4.15.
Uit bovenstaande volgt dat belanghebbende de afwaardering van de vordering ter grootte van € 445.170, dan wel de vorderingen ter grootte van € 387.380 en/of € 125.544 niet ten laste van de winst uit onderneming, dan wel ten laste van het resultaat overige werkzaamheden kan brengen. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 25.011.
4.16.
Belanghebbende bepleit in zijn primaire en subsidiaire standpunt tot vaststelling van de aanslag IB/PVV 2017 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 18.000 negatief en meer subsidiair naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 143.544 negatief. De inspecteur heeft aanslag IB/PVV 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Omdat belanghebbende niet in een slechtere positie mag komen dan als hij geen bezwaar of (hoger) beroep ingesteld had, zal het hof het hoger beroep ongegrond verklaren.
Tussenconclusie
4.17.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.18.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.19.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, A.M. van Amsterdam en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie onder andere HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1108, HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP8068, HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735 en HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552.
2.Zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.
3.Zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.
4.Volgens de rechtbank is ‘lening 1’ de oude rekening-courantschuld van € 387.380 en is ‘lening 2’ ontstaan bij de overname en als schuld op de balans van de vennootschap blijven staan (zie p-v).
5.Artikel 6:161, lid 1, Burgerlijk Wetboek.