ECLI:NL:GHSHE:2026:184

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/288
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet OBArt. 15 lid 4 Wet OBArt. 6:228 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake btw-kwalificatie prestaties en uitnodiging zitting

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afdracht van omzetbelasting over het derde kwartaal van 2017 en vorderde een aanvullende teruggaaf. De rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond en niet-ontvankelijk voor het deel over de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat zij niet correct was uitgenodigd voor de zitting en dat haar prestaties btw-belast waren, waardoor zij recht had op een hogere teruggaaf.

Het hof oordeelde dat de uitnodiging voor de zitting correct was verzonden naar het juiste adres en dat belanghebbende dit vermoeden niet had ontzenuwd, mede gelet op tegenstrijdige verklaringen van haar gemachtigde. Ten aanzien van de btw-kwalificatie stelde het hof vast dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de prestaties aan het buurthuis, de stadswinkel, de bibliotheek en de muziekschool vanaf 1 juli 2017 als btw-belast moesten worden aangemerkt. De feitelijke situatie wees op verhuur met exclusief gebruiksrecht, zonder aanvullende prestaties die normale verhuur te boven gaan.

Het hof verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de inspecteur geen toezegging had gedaan dat het geschil beperkt zou blijven tot het buurthuis of dat de berekeningen van belanghebbende zonder nadere controle zouden worden gevolgd. Belanghebbende voerde geen gegronde bezwaren tegen de belastingrente aan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/288
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 januari 2024, nummer BRE 22/1237, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft over het derde kwartaal van 2017 een bedrag van € 1.595 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt en om een aanvullende teruggaaf verzocht. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het verzoek om de aanvullende teruggaaf gedeeltelijk toegewezen, waarbij een te ontvangen bedrag aan belastingrente is vastgesteld.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende: [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur: [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is ondernemer als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).
2.2.
Belanghebbende is op [datum] 2015 opgericht met als doel de verbouwing en de ontwikkeling van het [complex] te [plaats] (het complex). Belanghebbende is eigenaar van het complex. Na de verbouwing van het [locatie] bevinden zich in het complex onder meer een aantal woningen, een bibliotheek, een stadswinkel, een muziekschool, een buurthuis, een kinderdagverblijf en horeca. Op het terrein van het complex zijn ook nieuwe seniorenwoningen gebouwd.
2.3.
Belanghebbende heeft op 20 november 2015 een overeenkomst gesloten met de gemeente [gemeente] (de gemeente). In deze overeenkomst is overeengekomen dat partijen (belanghebbende als verhuurder en de gemeente als huurder) met betrekking tot een deel van het verbouwde [locatie] een huurovereenkomst (casco-plus-verhuur) zullen aangaan voor 30 jaar.
2.4.
Belanghebbende heeft op 21 juli 2016 de onder r.o. 2.3 genoemde huurovereenkomst (casco-plus-verhuur) gesloten met de gemeente. In de overeenkomst is onder meer vermeld:

DUUR, VERLENGING EN OPZEGGING
3.1.
Deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van 30 jaren, ingaande op het moment waarop de verbouwings- en renovatiewerkzaamheden door Verhuurder afgerond zijn en er sprake is van een Casco Plus verhuur.
(…)
HUURPRIJS, OMZETBELASTING, HUURPRIJSAANPASSING, BETALINGSVERPLICHTING, BETAALPERIODE
4.1.
De aanvangshuurprijs van het Gehuurde op jaarbasis is door partijen vastgesteld op € 175.000,- per jaar.
4.2.
Partijen komen overeen dat Verhuurder
géénomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.
(…)
10.2.
ONDERHUUR
In afwijking van artikel 6.1 van de Algemene Bepalingen zijn Verhuurder en Huurder overeengekomen dat Huurder het recht heeft om het Gehuurde (gedeeltelijk) onder te verhuren aan een derde. Onderverhuur is alleen toegestaan indien het gebruik van het Gehuurde niet afwijkt van artikel 1.2 van deze huurovereenkomst en in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan en de dan geldende wetgeving.
HUURPRIJSONDERBOUWING
De aanvangshuurprijs zoals vermeld in artikel 4.1 van deze huurovereenkomst is door Huurder als volgt onderverdeeld;
- wijkcentrum: € 45.000,- per jaar;
- bibliotheek: € 110.000,- per jaar en
- stadwinkel: € 20.000,- per jaar.
Bovengenoemde huurprijzen gelden voor casco-plus afwerkingsniveau van het Gehuurde, de omschrijving Casco Plus is als bijlage toegevoegd. Huurder zal voor haar rekening en risico zorgdragen voor de inbouw, afbouw en afwerking van het Gehuurde.”
2.5.
Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 13 januari 2017 verzocht om overleg met de inspecteur in verband met het [complex] .
2.6.
De inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende hebben het complex op 6 juni 2017 bezichtigd.
2.7.
Belanghebbende heeft bij brief van 4 mei 2017 en bij e-mailbericht van 23 juni 2017 aan de inspecteur toegelicht dat zal worden afgeweken van de oorspronkelijke huurovereenkomst met de gemeente en dat nieuwe overeenkomsten zullen worden gesloten met de huurders zelf.
2.8.
Het verbouwde [locatie] is in het derde kwartaal van 2017 in gebruik genomen door onder meer de stadswinkel, het buurthuis en de bibliotheek.
2.9.
Belanghebbende heeft op 24 juli 2017 ongetekende concept Service Level Agreements (SLA’s) naar de inspecteur verzonden en daarbij gesteld dat volgens haar geen sprake is van verhuur, maar van een btw-belaste gebruikersvergoeding.
2.10.
De inspecteur heeft bij e-mailbericht van 12 oktober 2017 aan de gemachtigde toegelicht dat de in de SLA’s overeengekomen prestaties volgens hem voor de omzetbelasting kwalificeren als verhuur.
2.11.
Belanghebbende heeft op 26 januari 2018 samen met [b.v.] de SLA met de gemeente ter zake van de stadswinkel ondertekend. De daarin vermelde ingangsdatum is 1 juli 2017. In de SLA is onder meer vermeld:
“1.1.2. De ruimte wordt zoveel mogelijk multifunctioneel door de Bibliotheek, de Stadswinkel,
[b.v.] en [het buurthuis] benut. Hiertoe worden zo min mogelijk afscheidingen
gemaakt De ruimte is publiek toegankelijk en slechts daar waar het uit praktische-, veiligheids-
of gebruiksoverwegingen zoals besloten vergaderingen, voorstellingen of andere activiteiten
onvermijdelijk is, zal sprake zijn van tijdelijk afgesloten ruimten voor exclusief gebruik op dat
moment.
(…)
1.1.4.
Partijen beogen uitdrukkelijk geen huurrecht te vestigen. Er bestaat geen exclusief gebruiksrecht van (delen van) ruimten voor een van de gebruikers. Alle ruimten staan aan hen gezamenlijk voor gedeeld gebruik ter beschikking.
(…)
1.4.2.
[belanghebbende] is van mening dat het gebruik als overeengekomen niet kwalificeert als (van BTW vrijgestelde) verhuur van onroerend goed. Derhalve is over de gebruiksvergoeding BTW verschuldigd.
1.5.4.
Het gebruik van de ruimte is inclusief door [belanghebbende] te verzorgen.
Warmte
Elektriciteit
Water
Gemeentelijke belastingen
Onderhoud
Glasbewassing
Beheer
Gemeenschappelijk gebruik van sanitair
Instandhouding en onderhoud van de afbouw en inrichting
Schoonmaak volgens nader overeen te komen schema (op te stellen door een onafhankelijk schoonmaakbedrijf)”
2.12.
Belanghebbende heeft op 14 maart 2018 en op 27 maart 2018 samen met [b.v.] vergelijkbare SLA’s ondertekend met respectievelijk buurthuis [het buurthuis] (het buurthuis) en de bibliotheek (de bibliotheek). De ingangsdatum is 1 juli 2017. In deze overeenkomsten is onder meer het volgende vermeld:
“1.1.2. De ruimte wordt zoveel mogelijk multifunctioneel door de Bibliotheek, de Stadswinkel, [b.v.] en [het buurthuis] benut. Hiertoe worden zo min mogelijk afscheidingen gemaakt. De ruimte is publiek toegankelijk en slechts daar waar het uit praktische-, veiligheids- of gebruiksoverwegingen zoals besloten vergaderingen, voorstellingen of andere activiteiten onvermijdelijk is, zal sprake zijn sprake van tijdelijk afgesloten ruimten voor exclusief gebruik op dat moment.
(…)
1.1.4.
Partijen beogen uitdrukkelijk geen huurrecht te vestigen. Er bestaat geen exclusief gebruiksrecht van (delen van) ruimten voor een van de gebruikers. Alle ruimten staan aan hen gezamenlijk voor gedeeld gebruik ter beschikking.
(…)
1.4.2.
[belanghebbende] is van mening dat het gebruik als overeengekomen niet kwalificeert als (van BTW vrijgestelde) verhuur van onroerend goed. Derhalve is over de gebruiksvergoeding BTW verschuldigd.
(…)
1.4.3.
Mocht later vast komen te staan dat het gebruik als overeengekomen toch kwalificeert als verhuur van onroerend goed, dan wordt bij deze, voor zover mogelijk, vanaf de ingangsdatum van deze overeenkomst (…) geopteerd voor BTW belaste verhuur zoals bedoeld in artikel 11 lid 1 aanhef Pro onder b, onderdeel 5 van de Wet op de Omzetbelasting. (…)
1.5.4.
Het gebruik van de ruimte is inclusief door [belanghebbende] te verzorgen:
Warmte
Elektriciteit
Water
Gemeentelijke belastingen
Onderhoud
Glasbewassing
Beheer
Gemeenschappelijk gebruik van sanitair
Instandhouding en onderhoud van de afbouw en inrichting
Schoonmaak volgens nader overeen te komen schema (op te stellen door een onafhankelijk schoonmaakbedrijf)
De nadere afspraken daarover tussen de (…), de andere gebruikers en [belanghebbende] zullen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na ondertekening van deze SLA op initiatief van de beheerder worden vastgelegd in de bijlagen bij deze overeenkomst (onder meer in het huishoudelijk reglement, een document met afspraken met betrekking tot de schoonmaak etcetera). Die bijlagen zullen voor alle partijen (waaronder alle gebruikers en [belanghebbende] ) bindend zijn op het moment dat deze door alle partijen zullen zijn ondertekend.”
2.13.
De gemachtigde van belanghebbende heeft de ondertekende SLA’s op 3 juli 2018 aan de inspecteur gezonden.
2.14.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 24 augustus 2018 aan de inspecteur gemeld dat het [complex] zal worden verkocht. Daarna heeft divers overleg en correspondentie plaatsgevonden met betrekking tot de verkoop.
2.15.
Belanghebbende heeft op 4 september 2018 een garantieovereenkomst met de gemeente gesloten. In deze overeenkomst is onder meer vermeld:
“12. De looptijd van deze Service Level Agreements is korter dan 30 jaar waardoor [belanghebbende] er nu niet meer op kan vertrouwen dat zij 30 jaar een vaste huuropbrengst van minimaal € 175.000 per jaar geniet.
13. De Gemeente [gemeente] heeft zich daarom bereid verklaard gedurende 30 jaar een garantie af te geven die inhoudt dat de betreffende 2700 m2 op basis van casco+ verhuur minimaal (afgerond) € 65 per m2 per jaar opbrengt (2700 x € 64.81 (afgerond 65)= € 175.000).
14. Uitgangspunt bij deze garantie is behoud van rechten ten aanzien van looptijd, vergoeding en betaling voor [belanghebbende] ten opzichte van de situatie waarbij voor 30 jaar aan de Gemeente [gemeente] werd verhuurd.
15. Omdat partijen uitgegaan zijn van onjuiste veronderstellingen en feiten hebben zij gedwaald ten aanzien van die feiten In de zin van artikel 6:228 lid 3 BW Pro. Om die reden vernietigen partijen met de ondertekening van deze overeenkomst de tussen hen bestaande huurovereenkomst van 21 september 2016. Aangezien deze vernietiging terugwerkende kracht heeft wordt de huurovereenkomst geacht tussen partijen nooit te hebben bestaan, althans partijen hebben daaraan nooit uitvoering gegeven.”
2.16.
De inspecteur schrijft in een e-mailbericht van 9 juli 2020 onder meer het volgende aan de gemachtigde van belanghebbende:
“Met betrekking tot 'Ons [belanghebbende] ' hadden we als laatste nog open staan de pro rata belast/onbelast welke zijn weerslag heeft op de aftrek van de gemaakte kosten van het totale oudbouwplan.
Punt van discussie is inmiddels geconcentreerd tot de toetsing van de activiteiten van [het buurthuis] en de indeling naar verhuur of verhuur plus.
(…)
Met betrekking tot de diensten van [het buurthuis] ben ik van mening dat zowel de ruimte-indeling als de bijkomende prestaties niet kunnen leiden tot de conclusie verhuur-plus.
(…)
Gezien dit feitencomplex ben ik van mening dat de bijkomende prestaties niet uitstijgen boven de gebruikelijke aanvullingen bij verhuur en dat hierdoor de prestaties met betrekking tot [het buurthuis] onder verhuur valt.
(…)
Berekening
Het lijkt mij dat er bij alle toerekeningsmodellen wel diverse opmerkingen te plaatsen zijn waardoor de lijn telkens weer zal verschuiven. Om dit te voorkomen ben ik vooralsnog uitgegaan van uw praktische methode van toerekening en het berekeningsmodel in de hoop dat we hierdoor ook sneller kunnen schakelen om tot een eindconclusie te komen.
Met betrekking tot uw berekening heb ik enkele opmerkingen met betrekking tot de toedeling. Vervolgens heb ik deze verwerkt in uw berekeningsmodel.”
2.17.
Vanaf 14 september 2020 heeft diverse keren overleg plaatsgevonden tussen de inspecteur en de gemachtigde. Ook heeft de gemachtigde aanvullende informatie aangeleverd. In een brief van 12 juli 2021 heeft de inspecteur aangegeven dat hij in zijn berekening bij de e-mail van 9 juli 2020 ten onrechte de grondoppervlakten van de stadswinkel en de muziekschool en een deel van de gangen had gekwalificeerd als ‘belaste’ vloeroppervlakten. Op 26 oktober 2021 heeft de gemachtigde twee Excel-bestanden aan de inspecteur verzonden: een bestand met een nieuwe berekening en een bestand met een overzicht van de facturen van de (ver)bouwkosten.
2.18.
Belanghebbende heeft in bezwaar verzocht om een teruggaaf van omzetbelasting ten bedrage van (uiteindelijk) € 628.231,28. In de motivering van de uitspraak op bezwaar met dagtekening 20 december 2021 heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar deels gegrond verklaard en een aanvullende teruggaaf vastgesteld over het derde kwartaal van 2017. De inspecteur heeft op 4 februari 2022 overeenkomstig deze motivering uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij (impliciet) een teruggaafbeschikking vastgesteld, waarbij de te ontvangen omzetbelasting is vastgesteld op € 99.333 (€ 1.595 + € 97.738). De te ontvangen belastingrente bedraagt € 12.530.
2.19.
Tot de gedingstukken behoren de verzendgegevens van PostNL ter zake van de uitnodiging van de zitting van de rechtbank van 30 november 2023 om 10.00 uur. In deze verzendgegevens is onder meer vermeld:

Pakket is bezorgd
Bezorgd op 12 oktober 10:21
Hier is je pakket
[kantoornaam]
tav de heer drs. [gemachtigde]
[adres]
[postcode] [gemeente]
Nederland”
2.20.
Bij brief van 21 december 2023 schrijft de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende aan de rechtbank:
“Ik ben hier alleen op kantoor dus er kan niemand anders getekend hebben. 14 oktober viel op een zaterdag en dan is mijn kantoor gesloten. Mijn agenda leert dat ik 12 oktober wel de gehele dag aanwezig was op kantoor.”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In hoger beroep zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
(I) Dient het onderzoek bij de rechtbank te worden heropend, omdat belanghebbende niet op de juiste wijze ter zitting bij de rechtbank is uitgenodigd?
(II) Heeft belanghebbende recht op een aanvullende teruggaaf van omzetbelasting, omdat zij btw-belaste prestaties verrichtte?
(II) Kan belanghebbende een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot restitutie van de door belanghebbende teruggevraagde omzetbelasting. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Zitting rechtbank
4.1.1.
Belanghebbende stelt dat zowel belanghebbende als diens gemachtigde niet op de hoogte waren van de datum en het tijdstip van de zitting van de rechtbank. Belanghebbende voert aan dat het adres uit de verzendgegevens van PostNL niet overeenkomt met het adres van haar gemachtigde en dat op de daarin vermelde datum en het tijdstip niemand op het vermelde adres aanwezig was. Om die reden moet het onderzoek bij de rechtbank volgens belanghebbende worden heropend en heeft de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond verklaard.
4.1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de rechtbank op 30 november 2023. De gemachtigde van belanghebbende is door de griffier van de rechtbank bij aangetekende brief onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit de verzendgegevens van PostNL blijkt dat de aangetekende brief op 12 oktober 2023 op het adres van de gemachtigde van belanghebbende is uitgereikt dat bij de rechtbank bekend is (zie r.o. 2.19). Daarbij overweegt het hof dat dit adres overeenkomt met het adres dat op het briefpapier van het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende staat vermeld. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende in zijn brief van 21 december 2023 aan de rechtbank bevestigd dat hij alleen op kantoor is en hij op 12 oktober 2023 de hele dag op kantoor aanwezig was
.In hoger beroep heeft de gemachtigde een andere verklaring afgelegd, namelijk dat hij die week op vakantie was en niet op kantoor was. Het hof stelt vast dat de gemachtigde tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Tegenover deze tegenstrijdige verklaringen staat de correcte adressering van de brief en de informatie van PostNL. Gelet hierop heeft belanghebbende het vermoeden dat de uitnodiging correct is aangeboden, niet ontzenuwd. Belanghebbendes standpunt faalt.
Kwalificatie prestaties
4.2.1.
Belanghebbende stelt dat de prestaties die zij aan de bibliotheek, het buurthuis, de stadswinkel, de bibliotheek en de muziekschool heeft verleend vanaf 1 juli 2017 dienen te worden gekwalificeerd als btw-belaste prestaties. Om die reden heeft zij recht op een aanvullende teruggaaf van omzetbelasting. Daarbij voert belanghebbende aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende niet gesteld dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat de SLA’s eerder zijn overeengekomen dan de daarin vermelde data. Belanghebbende voert daartoe aan dat als ingangsdatum 1 juli 2017 is genoemd en dat de SLA’s reeds voor 1 juli 2017 in concept aan de inspecteur zijn verstrekt. Dat de definitieve overeenkomsten na ingebruikname zijn getekend, doet niets af aan de omstandigheid dat de SLA’s per 1 juli 2017 van kracht zijn geworden, aldus belanghebbende. Belanghebbende wijst er daarbij op dat het moment van aanvang van het feitelijk gebruik van de diensten voor de btw-kwalificatie leidend is en niet het ondertekenen van de overeenkomst. Voorts verwijst belanghebbende naar de garantieovereenkomst, waarin staat dat de bestaande huurovereenkomst van 21 september 2016 wordt vernietigd.
4.2.2.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 2 van Pro de Wet OB in verbinding met artikel 15, lid 4, Wet OB de aftrek van belasting plaatsvindt overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd. De te weinig afgetrokken belasting wordt aan hem op zijn verzoek teruggegeven.
4.2.3.
Als degene die aanspraak maakt op de aftrek van de voorbelasting is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat en in hoeverre zij recht heeft op een dergelijke aftrek.
4.2.4.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de prestaties die zij aan het buurthuis, de stadswinkel, de bibliotheek en de muziekschool heeft verricht vanaf 1 juli 2017 dienen te worden gekwalificeerd als btw-belaste prestaties. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat met ingang van het derde kwartaal 2017 ruimten ter beschikking zijn gesteld, waarbij een bepaalde hoeveelheid vierkante meters van het complex is verdeeld en toegekend aan de stadswinkel, de bibliotheek en het buurthuis, waarbij de muziekschool volgens belanghebbende onderdeel van het buurthuis is. Volgens belanghebbende betreffen de verdeelde vierkante meters de zogeheten voorkeursmeters die in de basis door één partij worden gebruikt. Daarbij is elke ruimte ingericht voor het specifieke gebruik van de verschillende partijen. Er is daarbij sprake van afsluitbare ruimten. Zo heeft belanghebbende ter zitting toegelicht dat de muziekschool een geluidsdichte ruimte heeft en dat de stadswinkel een ruimte heeft die kan worden afgesloten, waar bijvoorbeeld paspoorten kunnen worden bewaard. Voorts kan de bibliotheek niet na sluitingstijd worden betreden. Onder deze omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat sprake is van het verlenen van een recht door belanghebbende aan verschillende partijen om (een deel van) het complex exclusief te gebruiken. Dat bepaalde ruimtes voor diverse doelen kunnen worden gebruikt en de voorkeursgebruiker soms een (beperkt) nevengebruik door een andere gebruiker toestaat, doet hier niet aan af. De hoofdmoot van de prestatie is het beschikbaar stellen van ruimte tegen een vergoeding (HvJ EU 18 november 2004, ECLI:EU:C:2004:730, punt 34). Daarbij is niet aannemelijk gemaakt dat aanvullende activiteiten worden verricht die normale verhuur te boven gaan. Gelet hierop heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van belastbare prestaties die een hogere teruggaaf rechtvaardigen dan door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar is toegekend.
4.2.5.
Voorts merkt het hof op dat voor zover wel sprake is van een meer dan incidenteel gedeelde ruimte, dit de bibliotheek dan wel de horeca op de begane grond betreft. Ter zake hiervan heeft de inspecteur aan belanghebbende een teruggaaf van btw verleend. Voor zover ter zake van de bibliotheek en de horeca moet worden verondersteld dat sprake is van belaste prestaties, heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere teruggaaf dan door de inspecteur thans is toegekend.
Vertrouwensbeginsel
4.3.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat belanghebbende op grond van eerdere uitlatingen van de inspecteur erop mocht vertrouwen dat het geschil uitsluitend zou worden beperkt tot de kwalificatie van de prestaties aan het buurthuis en dat de inspecteur de standpunten en de berekening van belanghebbende zou volgen. Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar het e-mailbericht van de inspecteur van 9 juli 2020 (zie r.o. 2.16).
4.3.2.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende aan het e-mailbericht van de inspecteur van 9 juli 2020 niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat het geschil uitsluitend zou worden beperkt tot de kwalificatie van de prestaties aan het buurthuis en dat de inspecteur de standpunten en de berekening van belanghebbende voor het overige zou volgen. Dat de inspecteur vanuit praktische overwegingen is aangesloten bij belanghebbendes methode van toerekening en berekeningsmodel in de hoop sneller tot een eindconclusie te komen, zoals in het voornoemde e-mailbericht is toegelicht, leidt niet tot de conclusie dat de inspecteur uitsluitend voornemens is de omzetbelasting met betrekking tot het buurthuis niet terug te geven. Hieruit volgt geenszins dat de inspecteur al tot een eindconclusie is gekomen. Ook uit de daaropvolgende handelingen van de inspecteur volgt niet dat de inspecteur heeft toegezegd dat de prestaties aan de muziekschool of de stadswinkel wel btw-belast zouden zijn en/of dat de berekeningen van belanghebbende zonder nadere controle zouden worden gevolgd of dat anderszins aan alle voorwaarden voor (herziening van aftrek dan wel) teruggaaf van omzetbelasting zou zijn voldaan. De inspecteur heeft nadien zelfs om aanvullende informatie verzocht. Voorts is gebleken dat de diverse documenten die over het gebruik van het complex zijn opgesteld, ieder een andere verdeling van de vierkante meters bevatten. De gegevens waarop de e-mail van de inspecteur was gebaseerd, wijken dus (aanzienlijk) af van de uiteindelijke verdeling van het complex. Gelet op het voorgaande kan belanghebbendes standpunt niet slagen.
Belastingrente
4.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep ook geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten
4.7.
Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.D.M.A. Reijs, voorzitter, A. van Dongen en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van T.S.K.L. Tjon, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026
en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
T.S.K.L. Tjon L.D.M.A. Reijs
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.