ECLI:NL:GHSHE:2026:190

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/501
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter p Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over beëindiging gewekt vertrouwen bij toepassing omzetbelastingvrijstelling voor cursussen ouderen

Belanghebbende biedt onder de naam [naam 1] cursussen aan voor ouderen, waarvoor zij aanvankelijk een vrijstelling van omzetbelasting toepaste op grond van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De inspecteur heeft dit standpunt in 2015 herzien en per 1 september 2016 de vrijstelling ingetrokken, waarbij hij belanghebbende hierover schriftelijk heeft geïnformeerd.

Belanghebbende heeft desondanks omzetbelasting voldaan over het tijdvak september 2016 en bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot nihil, mede vanwege het gewekte vertrouwen door de inspecteur. De inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het hof oordeelt dat de inspecteur het gewekte vertrouwen rechtsgeldig heeft opgezegd door een duidelijke en gerichte brief van 11 augustus 2016. De rechtbank heeft ten onrechte het bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd. Het hoger beroep van de inspecteur wordt daarom gegrond verklaard, waarbij de overige beslissingen van de rechtbank, zoals de dwangsombeschikking en proceskosten, in stand blijven.

Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt deels vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/501
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 26 november 2020, nummer LEE 18/104, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Bij arrest van 5 april 2024 (nr. 22/02807) heeft de Hoge Raad het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak naar het hof verwezen, na vernietiging van de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- [plaats 1] van 21 juni 2022 (nr. 21/00009) op het hoger beroep van de inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank. Het geding betreft het door belanghebbende voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2016
tot en met 30 september 2016.
1.2.
Het procesverloop tot en met het arrest van de Hoge Raad is te kennen uit dat arrest en uit voornoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- [plaats 1] van 21 juni 2022.
1.3.
Na de verwijzing door de Hoge Raad hebben beide partijen een schriftelijke conclusie ingediend.
1.4.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Voor deze zitting hebben belanghebbende en de inspecteur beide laten weten niet te zullen verschijnen, zonder om verdaging te verzoeken.
1.5.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende biedt onder de naam [naam 1] , oftewel Hoger Onderwijs voor Ouderen, cursussen aan. Daarover is in de door belanghebbende uitgegeven “ Studiegids najaar 2016 ” het volgende vermeld:
“ [belanghebbende] biedt in de [aantal] [provincies] van Nederland [naam 3] aan. Deze vorm van onderwijs is bedoeld voor mensen van vijftig jaar en ouder. [belanghebbende] is gelieerd aan [aantal] instellingen voor hoger onderwijs in de provincies [vestigingsplaats] , [provincie 1] en [provincie 2] : de [universiteit] , [hogeschool 1] en [hogeschool 2] in [plaats 1] en [plaats 2] . De administratie wordt verzorgd in [vestigingsplaats] .”
2.2.
Bij brief van 31 maart 2011 heeft de inspecteur aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat de door haar aangeboden cursussen zijns inziens van omzetbelasting zijn vrijgesteld als voordrachten in de zin van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
2.3.
In 2015 heeft [vereniging] in Nederland (hierna: [naam 2] ), waarvan belanghebbende lid is, met de inspecteur gesproken over de behandeling van [naam 3] in het kader van de omzetbelasting. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat overleg bij brief van 9 oktober 2015 aan [naam 2] geschreven dat [naam 3] zijns inziens niet onder de (onderwijs)vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel o, ten eerste, van de Wet valt, en dat “de Wet (…) ook overigens geen bepalingen bevat op grond waarvan de onderwerpelijke prestaties zijn vrijgesteld van btw”. De inspecteur concludeert dat “de bij [naam 2] aangesloten instellingen naar ons oordeel als ondernemer normaal btw verschuldigd [zijn] tegen het algemene tarief van thans 21% over de door hen in rekening gebrachte vergoedingen.” Bij brief van 9 november 2015 heeft de inspecteur aan [naam 2] geschreven dat de bij [naam 2] aangesloten instellingen per 1 september 2016 rekening moeten houden met zijn standpunt dat [naam 3] belast is. Daarbij is vermeld dat dit standpunt “voor sommige [naam 4]
(…) de expliciete intrekking betreffen van een eerder door de Belastingdienst ingenomen standpunt”.
2.4.
Bij brief van 14 juni 2016 heeft belanghebbende de inspecteur bericht dat zij kennis heeft genomen van zijn onder 2.3 vermelde brief aan [naam 2] van 9 november 2015 en de inspecteur verzocht te bevestigen dat zij nog steeds de vrijstelling van artikel 11, letter p, van de Wet kan toepassen.
2.5.
Met dagtekening 11 augustus 2016 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd over “bevestiging ingenomen btw-standpunt [naam 3] ”, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Volgens mijn gegevens bent u als instelling aangesloten bij (…) [naam 2] . Door [naam 2] is uw instelling conform de met de Belastingdienst gemaakte afspraak in de vergadering van 10 november 2015 op de hoogte gesteld van het door de Belastingdienst in zijn brieven van 9 oktober en 9 november 2015 ingenomen standpunt betreffende de btwbehandeling van de cursussen, zoals die door de verschillende bij [naam 2] aangesloten instellingen aan iedereen van vijftig jaar en ouder worden aangeboden. Deze brieven van 9 oktober en 9 november 2015 zijn conform de door de Belastingdienst met [naam 2] gemaakte afspraak aan uw instelling verstrekt.
Het door de Belastingdienst in zijn brieven van 9 oktober en 9 november 2015 ingenomen btw-standpunt luidt dat de door uw instelling aangeboden [naam 1] -cursussen belast zijn tegen het algemene tarief van thans 21 %. Met [naam 2] is hierbij afgestemd en bericht (brief van 9 november 2015) dat dit btw-standpunt van de Belastingdienst geldt vanaf
1 september 2016, althans het nieuwe [naam 1] -cursusjaar 2016-2017 .
[naam 2] heeft de Belastingdienst verzocht om de competente inspecteur voor uw instelling het ingenomen btw-standpunt, waarvan u reeds op de hoogte bent, eveneens afzonderlijk te laten berichten. Aan dit verzoek kom ik in deze brief tegemoet.”
2.6.
Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de inspecteur op de brief van belanghebbende van 14 juni 2016 (zie 2.4) gereageerd en het volgende laten weten:
“In uw brief geeft u aan dat [belanghebbende] van oordeel is dat zij, gelet op de aard en inhoud van haar activiteiten, aanspraak kan maken op de vrijstelling als bedoeld in artikel 11 lid Pro 1, onderdeel p Wet op de omzetbelasting, zoals ook besloten in de brief van mijn collega (31 maart 2011, kenmerk joz/K12/Nrd 5e). Per 1 juli 2013 geldt de algehele vrijstelling echter niet meer voor volksuniversiteiten en andere instellingen met een vergelijkbaar aanbod. Deze BTW-goedkeuring voor volksuniversiteiten, waar ook [naam 4] gebruik van maakten (brief van 5 juli 1993, nr. WV/21/ welke verlengd is op 31 mei 1994, nr. VB 94/1631) is ingetrokken na klachten dat deze goedkeuring marktwerking en concurrentie zou verstoren. ”
2.7.
Belanghebbende heeft op 13 december 2016 € 4.525 omzetbelasting op aangifte voldaan die is begrepen in ontvangen betalingen, of althans in rekening gebrachte bedragen, voor de door haar aangeboden [naam 1] -cursussen per 1 september 2016.
2.8.
Het tegen die voldoening op aangifte gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Voor het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur daarnaast bij beschikking vastgesteld dat hij een dwangsom van € 280 heeft verbeurd.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard op de grond dat de cursussen die belanghebbende aanbiedt zouden zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet en op de grond dat de inspecteur de verbeurde dwangsom tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. De beslissing van de rechtbank luidt als volgt:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de over het tijdvak 1 september 2016 tot en met 30 september 2016 verschuldigde omzetbelasting tot nihil;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de dwangsombeschikking;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom is verschuldigd van € 1.260;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde dwangsombeschikking;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.311.”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
De Hoge Raad heeft het geding verwezen voor de behandeling van het door de rechtbank onbehandeld gelaten geschilpunt over het antwoord op de vraag of de inspecteur het jegens belanghebbende gewekte vertrouwen over toepassing van artikel 11, lid 1, letter p, van de Wet voor het onderhavige tijdvak (september 2016) rechtsgeldig heeft opgezegd.
3.2.
De inspecteur concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak en derhalve tot gegrondverklaring van het door hem ingestelde hoger beroep. De bestreden uitspraak moet volgens de inspecteur in stand blijven voor zover het de beslissingen betreft over de dwangsombeschikking en de te vergoeden kosten voor de beroepsfase (zie het (initiële) hogerberoepschrift). Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank op de grond dat de inspecteur het in 2011 gewekte vertrouwen nog gestand moet doen, en derhalve tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De inspecteur kan het door een toezegging zijnerzijds gewekte vertrouwen beëindigen door een uitdrukkelijke, tot de desbetreffende belastingplichtige gerichte opzegging. De brief van de inspecteur aan belanghebbende van 11 augustus 2016 (zie 2.5) is onder de gegeven omstandigheden als zodanig aan te merken. De aan de inhoud van die brief redelijkerwijs door belanghebbende te ontlenen betekenis is dat de toezegging uit 2011 wat de inspecteur betreft per 1 september 2016 niet langer geldt. De inspecteur schrijft immers dat vanaf 1 september 2016 zijn standpunt is dat [naam 1] -cursussen belast zijn. Daarbij verwijst hij onder meer naar de brief aan [naam 2] van 9 oktober 2015, waarin is vermeld dat de inspecteur geen enkele vrijstelling van toepassing acht, en met de brief van 9 november 2015, waarin de intrekking van andersluidende standpunten is aangekondigd (zie 2.3). Tevens schrijft de inspecteur dat de brieven van 9 oktober en 9 november 2015 eerder al aan belanghebbende zijn verstrekt, hetgeen belanghebbende niet heeft betwist (zie ook 2.4).
4.2.
De door belanghebbende verdedigde opvatting dat de inspecteur voldoende relevant moet motiveren welke gewijzigde inzichten tot de opzegging van het eerder gewekte vertrouwen leiden, vindt geen steun in het recht.
Tussenconclusie
4.3.
Mede in aanmerking genomen het arrest van de Hoge Raad, leidt het oordeel in 4.1 tot de slotsom dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. Anders dan de rechtbank heeft beslist, bestaat geen grond om de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de verschuldigde omzetbelasting te verminderen. Daarmee bestaat ook geen grond om de inspecteur te veroordelen in € 261 kosten van belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar. De beslissingen van de rechtbank kunnen voor het overige in stand blijven.
Ten aanzien van de proceskosten
4.4.
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond, en
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissingen betreft met betrekking tot (i) de vernietiging van de uitspraak op bezwaar, (ii) de vermindering van de verschuldigde omzetbelasting en (iii) de veroordeling van de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het meerdere van € 1.050.
De uitspraak is gedaan door W.J. Blokland, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de raadsheer is verhinderd deze te ondertekenen.
De voorzitter,
W.J. Blokland
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.