ECLI:NL:GHSHE:2026:1976

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
200.342.252_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:119 BWArt. 3:3 AwbArt. 9:2 AwbArt. 9:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging contactverbod en dwangsommen tegen voormalige ambtenaar wegens onrechtmatig contact met gemeente

De zaak betreft een hoger beroep van een voormalige ambtenaar tegen een vonnis van de rechtbank Limburg waarin een contactverbod van 20 jaar en dwangsommen zijn opgelegd wegens het overtreden van contactverboden met de gemeente. De ambtenaar had ruim 15 jaar na zijn eervol ontslag talloze brieven, klachten en verzoeken ingediend die betrekking hadden op het arbeidsconflict en bejegeningsonderzoek.

De rechtbank oordeelde dat de ambtenaar dwangsommen had verbeurd door de verboden te overtreden en legde een algeheel contactverbod op. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het contactverbod gerechtvaardigd is vanwege het onrechtmatige en stelselmatige karakter van de benaderingen, de buitensporige belasting van de gemeentelijke organisatie en het ontbreken van een gerechtvaardigd doel.

Het hof gaat uitvoerig in op de uitleg van het kortgedingvonnis en beoordeelt diverse brieven en uitlatingen van de ambtenaar als overtredingen van het contactverbod. Ook het indienen van vele Wob-, AVG- en Woo-verzoeken wordt als misbruik van bevoegdheid aangemerkt. Het beroep van de ambtenaar op vrijheid van meningsuiting wordt verworpen omdat de uitlatingen de grenzen van betamelijkheid overschrijden.

Het contactverbod wordt als proportioneel en noodzakelijk gezien, mede gelet op de langdurige en onophoudelijke aard van de contacten. Het hof wijst het hoger beroep af, bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de ambtenaar in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt het contactverbod van 20 jaar en de verbeurde dwangsommen tegen de voormalige ambtenaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.342.252/01
arrest van 28 juli 2026
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs te Helmond,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente [xx] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. F. van de Pol te Breda,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 augustus 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/315993 / HA ZA 23-142 gewezen vonnis van 31 januari 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:384).

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 6 augustus 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2024;
  • de memorie van grieven met producties 11 en 12;
  • de memorie van antwoord met producties 177 tot en met 185;
  • de mondeling behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
  • de bij H3-formulier van 30 oktober 2025 door [appellant] toegezonden producties 13 tot en met 29 en de bij H3-formulier van 11 mei 2026 door [appellant] toegezonden producties 30, 31 en 33 tot en met 36, die [appellant] bij de mondelinge behandeling bij aktes in het geding heeft gebracht;
  • de bij H12-formulier van 24 oktober 2025 door de gemeente toegezonden producties 186 tot en met 204, de bij H12-formulier van 13 april 2026 door de gemeente toegezonden producties 205 tot en met 207 en de bij H12-formulier van 16 april 2026 door de gemeente toegezonden productie 208, die de gemeente bij de mondelinge behandeling bij aktes in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6.De beoordeling

De kern van het geschil
6.1.1.
[appellant] is een voormalige werknemer van de gemeente. Hij is 17 jaar geleden eervol ontslagen. Rondom en na dat ontslag hebben zich verschillende zaken voorgedaan waarmee [appellant] het niet eens is en/of waarover hij ontevreden is. Sindsdien heeft [appellant] talloze brieven, verzoeken en klachten gestuurd aan de gemeente en heeft er een veelheid aan procedures gelopen. In 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg [appellant] op verzoek van de gemeente diverse contactverboden op straffe van een dwangsom opgelegd. In 2020 hebben partijen in een hoger beroepsprocedure tegen dat vonnis bij dit hof een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten, waarin tussen partijen nadere afspraken zijn gemaakt. In deze procedure gaat het enerzijds om de vraag of [appellant] dwangsommen heeft verbeurd door verboden uit het vonnis in kort geding te overtreden en afspraken uit de vaststellingsovereenkomst niet na te komen. Anderzijds gaat het om de vraag of er aanleiding bestaat om een nieuw - naar inhoud, sanctionering en tijd meer verstrekkend - contactverbod op te leggen.
6.1.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er inderdaad dwangsommen zijn verbeurd: alle door de gemeente gestelde feiten betroffen volgens de rechtbank overtredingen van de opgelegde verboden. Daarnaast heeft de rechtbank een algeheel contactverbod aan [appellant] opgelegd voor de duur van 20 jaar en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt. Daartegen is [appellant] in hoger beroep gekomen.
6.1.3.
Het hof realiseert zich hoe verstrekkend die veroordeling is, maar laat haar toch in stand. Hierna wordt verder uitgelegd hoe het hof tot dat oordeel is gekomen.
De feiten
6.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
De gemeente heeft ruim 17.000 inwoners. [appellant] is niet woonachtig in de gemeente. Bij de gemeente werken ongeveer 135 mensen (112 fte).
6.2.2.
[appellant] is op 1 maart 1978 in dienst getreden bij de gemeente en heeft daar verschillende functies vervuld. De laatste functie van [appellant] betrof de functie van beleidsmedewerker. Op 27 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college van B&W) [appellant] eervol ontslag verleend.
6.2.3.
Hierop volgden verschillende (bestuursrechtelijke) procedures betreffende het ontslagbesluit en de gronden van het ontslag. Na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) van 2 augustus 2012 waarin - kort gezegd - is geoordeeld dat [appellant] mocht worden ontslagen vanwege ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen, is het ontslag van [appellant] onherroepelijk komen vast te staan.
6.2.4.
[appellant] heeft nadien diverse procedures gevoerd om het ontslag opnieuw ter beoordeling/toetsing voor te leggen, waaronder herzieningsverzoeken en andere procedures om de grondslagen van het onherroepelijk ontslagbesluit (nogmaals) tot onderwerp van debat te kunnen maken. Daarna heeft [appellant] nog diverse andere procedures aanhangig gemaakt, zoals onder andere klachtprocedures bij de gemeente en diverse andere instanties, een (handhavings)procedure bij de Autoriteit Persoonsgegevens, tuchtrechtelijke procedures tegen personen die betrokken waren bij het ontslag (ook is tegen diverse personen die betrokken waren bij het ontslag aangifte gedaan) en civielrechtelijke procedures tegen de gemeente en individuele ambtenaren ter vergoeding van geleden schade.
6.2.5.
Op 1 juli 2016 heeft [appellant] een verzoekschrift ingediend bij het Huis voor Klokkenluiders (hierna: HvK) strekkend tot het uitvoeren van een bejegeningsonderzoek. Op 1 mei 2019 heeft het HvK haar onderzoek gepubliceerd. Het HvK heeft geconcludeerd dat de rapportage van [appellant] over illegale stortingen van gemeentelijke groenafval niet is aan te merken als een interne melding in de zin van de Wet Huis voor Klokkenluiders, aangezien het opstellen daarvan deel uitmaakte van de normale werkzaamheden als beleidswerker. Ook was de rapportage van [appellant] volgens het HvK niet de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie en het ontslag van [appellant] in 2009.
6.2.6.
De gemeente heeft [appellant] meerdere malen verzocht niet meer met (organen van en/of personen werkzaam binnen) de gemeente te communiceren over het ontslag. Daarnaast heeft de gemeente gemeld dat zij klachten en meldingen van misstanden niet in behandeling zal nemen.
6.2.7.
Op 6 september 2012 heeft de burgemeester [appellant] verzocht om geen brieven over het ontslag aan de gemeenteraad te sturen.
6.2.8.
Op 31 januari 2013 heeft mr. Kerkhof (de toenmalige advocaat van de gemeente) bij brief aan [appellant] verzocht om in zijn brieven niet meer in te gaan op het ontslag en aangegeven dat het college van B&W niet meer zal reageren op brieven en e-mails over de arbeidsrechtelijke kwestie. Deze boodschap is bij brieven van 13 en 27 november 2013 herhaald.
6.2.9.
Bij brief van 16 augustus 2016 is aan [appellant] medegedeeld dat zijn klachten die direct of indirect in verband staan met het ontslag niet meer in behandeling worden genomen.
6.2.10.
Bij brief van 18 februari 2019 heeft de gemeentesecretaris aan [appellant] bericht dat zijn meldingen van (een vermoeden van) misstanden niet meer in behandeling werden genomen.
6.2.11.
Sinds 2 oktober 2012 heeft [appellant] (tot het moment van dagvaarden in het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 5 september 2019, zie hierna onder rov. 6.2.14) 96 verzoeken ingediend bij de gemeente op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (hierna: Wob) en heeft hij 54 verzoeken ingediend op grond van de Wbp en AVG.
6.2.12.
Van 16 juni 2009 tot eind 2018 heeft [appellant] (tot het moment van dagvaarden in het kort geding, zie hierna onder rov. 6.2.14) 771 brieven, e-mailberichten, klachten en verzoeken verzonden aan bestuursorganen en personen werkzaam bij de gemeente. Van deze brieven waren er 239 gericht aan de gemeenteraad. Ook zijn er door [appellant] brieven gestuurd naar de burgemeester, de gemeentesecretaris, wethouders, de raadsvoorzitter en diverse ambtenaren. Sinds 2019 tot aan de kort geding procedure heeft [appellant] 100 brieven, klachten en verzoeken aan de Gemeente verstuurd.
6.2.13.
Bij besluit van 5 augustus 2019 is de na-wettelijke uitkering van [appellant] per 10 november 2019 beëindigd. De rechtmatigheid van het besluit tot stopzetting is na de uitspraak van de CRvB van 27 oktober 2022 onherroepelijk komen vast te staan. Ook ten aanzien van dit besluit heeft [appellant] zich (tevergeefs) tot de gemeente gewend met een herzieningsverzoek.
6.2.14.
Bij vonnis in kort geding van 5 september 2019 van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2019:10535) (hierna: het kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter [appellant] - samengevat - een aantal verboden opgelegd. De verboden hebben alle - kort gezegd - betrekking op het tussen [appellant] en de gemeente bestaand arbeidsconflict en/of het uitgevoerd bejegeningsonderzoek en/of andere procedures tussen [appellant] en de gemeente. Aan die verboden heeft de voorzieningenrechter een termijn van twee jaar verbonden en aan de diverse verboden is telkens een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00, verbonden.
6.2.15.
De gemeente heeft tegen voormeld kortgedingvonnis hoger beroep ingesteld bij dit hof en [appellant] heeft tegen dat vonnis incidenteel hoger beroep ingesteld.
6.2.16.
Op 24 november 2020 heeft in die hogerberoepsprocedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij dit hof en hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat partijen berusten in het kortgedingvonnis van 5 september 2019, dat [appellant] in mei 2021 een persoonlijk gesprek zal hebben met de burgemeester of een door hem aangewezen bestuurder, dat in de periode tot aan het gesprek [appellant] geen brieven, e-mails of andere communicatie aan de gemeente zal richten en dat er gedurende deze afkoelingsperiode radiostilte is van de kant van [appellant] , dat de gemeente de - volgens de gemeente verbeurde en nog niet geïnde - dwangsommen ter hoogte van € 7.000,00 tot de datum van het gesprek niet zal innen, dat als [appellant] zich heeft gehouden aan de radiostilte die dwangsommen niet worden geïnd en het eerste gedeelte van de reeds volgens de gemeente verbeurde en geïnde dwangsommen van € 17.000,00 aan [appellant] worden terugbetaald, dat de in het kortgedingvonnis verbonden termijn van twee jaren zal worden verlengd in die zin dat die termijn vanaf 24 november 2020 opnieuw voor een termijn van twee jaren zal lopen en dat als [appellant] zich gedurende die twee jaren aan de verboden heeft gehouden ook het tweede gedeelte van de volgens de gemeente reeds verbeurde en geïnde dwangsommen ter hoogte van € 17.000,00 zal worden terugbetaald. Partijen zijn geen finale kwijting overeengekomen, in die zin dat de procedures die [appellant] heeft ingesteld ter zake van herziening en schadevergoeding niet door hem worden ingetrokken.
6.2.17.
Bij brief van 24 januari 2022 heeft de gemeente aan [appellant] meegedeeld, onder andere, dat zij sinds 1 juni 2021 weer verschillende brieven van [appellant] heeft ontvangen, dat [appellant] daardoor de in het vonnis opgelegde verboden heeft overtreden en dat de gemeente daarom de tweede helft van de eerder geïnde dwangsommen ter hoogte van
€ 17.000,00 niet zal terugbetalen. Voorts heeft de gemeente [appellant] gesommeerd om uiterlijk op 31 januari 2022 om 13.00 uur een bedrag van € 5.000,00 aan nieuw verbeurde dwangsommen te betalen.
6.2.18.
Bij brief van 22 april 2022 heeft (de gemachtigde van) de gemeente aan [appellant] meegedeeld, onder andere, dat zij sinds 24 januari 2021 weer verschillende brieven van [appellant] heeft ontvangen, dat [appellant] daardoor de in het vonnis opgelegde verboden heeft overtreden en heeft de gemeente [appellant] gesommeerd om uiterlijk op 29 april 2022 om 13.00 uur een bedrag van € 2.000,00 aan nieuw verbeurde dwangsommen te betalen.
6.2.19.
[appellant] heeft aan de gemeente een bedrag van € 7.000,00 betaald.
6.2.20.
In zijn brieven van 17 en 18 oktober 2022 aan de advocaat van de gemeente heeft [appellant] aan deze gevraagd om overleg te plegen met de gemeente over de vraag of het indienen van klachten over het stopzetten van de na-wettelijke uitkering en over de juistheid/volledigheid van de dagvaarding van de gemeente van 2 augustus 2019 al dan niet vallen onder het vonnis. Beide brieven zijn afgesloten met de opmerking:
“Afhankelijk van het antwoord zal ik me beraden wanneer ik klacht zal indienen: vóór of na 24 november 2022.”
6.2.21.
Na afloop van de termijn van het verbod is het aantal brieven dat [appellant] heeft gestuurd, weer toegenomen. Ten tijde van het indienen van de akte wijziging van eis in de procedure in eerste aanleg op 8 maart 2023 ging het om in totaal 981 berichten/schriftelijke stukken, waaronder onder andere 110 Wob- en Woo-verzoeken, 61 Wbp- en AVG-verzoeken, 39 klachten en honderden brieven en mails aan varia. Ook heeft [appellant] zich inmiddels 27 keer tot verschillende gerechtelijke instanties gewend en veelvuldig tot andere instanties (zoals het HvK, de Autoriteit Persoonsgegevens, de Commissaris van de Koning van de Provincie Limburg en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties). Intussen is het aantal brieven opgelopen tot ruim 1000.
De vorderingen van partijen en de beslissingen van de rechtbank
6.3.1.
In de onderhavige procedure (die grotendeels gekarakteriseerd kan worden als een executiegeschil) heeft [appellant] in conventie gevorderd:
1. te verklaren voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en zich onrechtvaardig heeft verrijkt en dat sprake is van onverschuldigde betaling van
€ 7.000,00 en dat dit bedrag aan hem zo spoedig mogelijk terugbetaald dient te worden conform de op 24 november 2020 bij dit hof overeengekomen vaststellingsovereenkomst;
2. te verklaren voor recht dat bij toewijzing van de vordering onder 1 de gemeente verplicht is, direct na afloop op 24 november 2022 van het vonnis van de voorzieningenrechter, uitbetaling te doen van € 17.000,00 aan dwangsommen conform de vaststellingsovereenkomst van 24 november 2020 tussen de gemeente en [appellant] ; en
3. de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding.
6.3.2.
Hetgeen [appellant] aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door de gemeente gevoerde verweren, zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.3.3.
De gemeente heeft in eerste aanleg in reconventie, na wijziging van eis, samengevat gevorderd:
I. primair: [appellant] te veroordelen tot betaling van € 3.000,00 aan verbeurde dwangsommen;
subsidiair: te verklaren voor recht dat [appellant] door het laten uitbrengen van de dagvaarding en het sturen van de daaropvolgende brieven van 19 september 2022 en 28 september 2022 aan de gemeente het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 september 2019, althans de nadien gesloten vaststellingsovereenkomst, niet heeft nageleefd;
II. primair: [appellant] een algeheel contactverbod op te leggen zonder dat daaraan een termijn is verbonden, althans subsidiair gedurende een periode van 7 jaar, meer subsidiair 5 jaar dan wel (nog meer subsidiair) een door de rechtbank te bepalen termijn, welk verbod er kort gezegd uit bestaat dat het [appellant] wordt verboden om zich na betekening van het vonnis met brieven, e-mails of andere vormen van communicatie, verzoeken en/of klachten en/of meldingen en/of het betreden van het gemeentehuis enzovoorts tot de gemeente te richten, dit telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom;
subsidiair: hetzelfde als onder II primair, maar dan uitsluitend voor contact betrekking hebbend op en/of in enige mate te herleiden tot het arbeidsconflict en/of de gevolgen daarvan en/of het bejegeningsonderzoek en/of andere lopende en/of afgeronde procedures tussen partijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
meer subsidiair:
1. [appellant] te verbieden om gedurende 5 jaar, althans, 3 jaar, althans een door de rechtbank te bepalen termijn na betekening van het vonnis, vaker dan eens per jaar een verzoek op grond van de Woo bij de gemeente in te dienen en/of door middel van andere communicatievormen personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor de gemeente te benaderen met een verzoek om informatie en/of openbaarmaking van informatie, voor zover deze verzoeken betrekking hebben op en/of in enige mate te herleiden zijn tot het arbeidsconflict en/of de gevolgen daarvan en/of het bejegeningsonderzoek en/of andere procedures die nog lopen en/of zijn afgerond op straffe van een dwangsom;
2. [appellant] te verbieden om gedurende 5 jaar, althans 3 jaar, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, na betekening van het vonnis, vaker dan eens per jaar een verzoek op grond van de AVG bij de gemeente in te dienen en/of door middel van andere communicatievormen personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor de gemeente [xx] te benaderen met een verzoek om inzage van persoonsgegevens, voor zover deze verzoeken betrekking hebben op en/of in enige mate te herleiden zijn tot het arbeidsconflict en/of de gevolgen daarvan en/of het bejegeningsonderzoek en/of andere procedures tussen [appellant] en de gemeente op straffe van een dwangsom;
3. [appellant] te verbieden om gedurende 5 jaar, althans 3 jaar, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, na betekening van het vonnis, een klacht of melding van vermoeden van een misstand bij de gemeente in te dienen en/of door middel van andere communicatievormen personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor de gemeente te benaderen met een klacht of melding van een vermoeden van een misstand, voor zover deze communicatie betrekking heeft op en/of in enige mate te herleiden is tot het arbeidsconflict en/of de gevolgen daarvan en/of het bejegeningsonderzoek en/of andere procedures tussen partijen op straffe van een dwangsom;
4. [appellant] te verbieden om zich gedurende 5 jaar, althans 3 jaar, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, na betekening van het vonnis, in brieven, e-mails, verzoeken, klachten en/of meldingen naar de gemeente en/of personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor de gemeente en/of derden beledigingen of beschuldigingen te uiten over personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor de gemeente op straffe van een dwangsom;
met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.
6.3.4.
Hetgeen de gemeente aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [appellant] gevoerde verweren, zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.3.5.
In het eindvonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank in dit executiegeschil - kort weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant - overwogen dat doel en strekking van het kortgedingvonnis is dat het veelvuldig misbruik maken van bevoegdheden en het onrechtmatige handelen door [appellant] moet stoppen. Dat misbruik maken van bevoegdheid en onrechtmatig handelen had betrekking op het indienen van Wob, Wbp en AVG-verzoeken, klachten, meldingen en het voeren van onnodig grievende correspondentie, dan wel correspondentie die betrekking heeft op het arbeidsconflict en/of het bejegeningsonderzoek (rov. 5.5). De rechtbank heeft de door de gemeente gestelde zeven overtredingen gekwalificeerd als overtredingen van de in dat kortgedingvonnis opgelegde verboden, zodat de gemeente terecht aanspraak heeft gemaakt op betaling van € 7.000,00 wegens verbeurde dwangsommen (rov. 5.8 en 5.25). Ook de drie in reconventie door de gemeente gestelde overtredingen zijn door de rechtbank aangemerkt als overtredingen van het vonnis, zodat de gemeente terecht aanspraak heeft gemaakt op een bedrag van € 3.000,00 wegens verbeurde dwangsommen (rov. 5.31 en 5.38). De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de gemeente de onbewezen, ernstige en stelselmatige beschuldigingen en beledigingen niet (met een beroep op vrijheid van meningsuiting) hoeft te dulden, dat [appellant] met het indienen van zijn vele verzoeken op grond van onder meer de Woo en de AVG stelselmatig misbruik maakt van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW Pro en dat [appellant] niet de indruk heeft gewekt voornemens te zijn met zijn handelen te stoppen. In dit al 14 jaar voortdurende handelen van [appellant] heeft de rechtbank na een afweging van de belangen geoordeeld dat aanleiding bestaat om een contactverbod voor zeer lange duur op te leggen (rov. 5.42-5.44).
Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en de primaire vorderingen onder I en II van de gemeente toegewezen, met dien verstande dat het contactverbod niet voor onbepaalde tijd is opgelegd, maar voor de duur van 20 jaar. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.
Het geschil in hoger beroep
6.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en heeft zijn eis gewijzigd. Zijn grieven komen er in de kern op neer dat de rechtbank het dictum van het kortgedingvonnis te ruim zou hebben uitgelegd en dat de rechtbank te beperkt zou hebben weergegeven wat het dictum inhield (grief 1), dat de rechtbank de door de gemeente aangewezen uitlatingen van [appellant] ten onrechte als overtredingen van het dictum heeft aangemerkt (grieven 2 en 3) en dat het door de rechtbank opgelegde algehele contactverbod met de gemeente voor de duur van 20 jaar geen stand kan houden (grief 4). [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn gewijzigde vorderingen:
I. te verklaren voor recht dat [appellant] niet heeft gehandeld in strijd met het vonnis van 5 september 2019 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, in samenhang met de op 24 november 2020 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij dit hof gesloten vaststellingsovereenkomst en dat [appellant] derhalve geen dwangsommen heeft verbeurd;
II. de gemeente te veroordelen aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 7.000,00 uit hoofde van onverschuldigde betaling, althans een zodanig bedrag door het hof in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
III. de gemeente te veroordelen aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 17.000,00 uit hoofde van onverschuldigde betaling, althans een zodanig bedrag door het hof in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
IV. de gemeente te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
6.4.2.
De gemeente heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] in het hoger beroep, althans de door hem aangevoerde grieven ongegrond te verklaren en af te wijzen, en vonnis waarvan beroep, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.
6.4.3.
De gemeente heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
De omvang van het geding
6.5.
[appellant] is in zijn (aanvullende) processtukken en tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig ingegaan op zijn wens om met de gemeente in gesprek te komen, bij voorkeur in een mediation traject. Voor de gemeente is dat een gepasseerd station. Het hof heeft in dit hoger beroep binnen de omvang van het door de grieven ontsloten gebied te beslissen op de vorderingen van partijen. Die zien op 1) de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd doordat [appellant] de aan hem opgelegde verboden al dan niet heeft overtreden, en 2) of er voldoende grondslag is voor het door de rechtbank aan [appellant] opgelegde algehele contactverbod. De tussen partijen gevoerde discussie of er al dan niet eerder voldoende serieuze pogingen zijn ondernomen om de zaak op te lossen en of de weigering van de gemeente om daar in dit stadium van de procedure nog aan mee te werken al dan niet te billijken is, maakt geen onderdeel uit van het geschil zoals dat aan het hof ter beoordeling voor ligt. Die standpunten blijven daarom hierna verder onbesproken.
Executiegeschil: de uitleg van de veroordelingen
6.6.1.
Partijen verschillen van opvatting over de maatstaf die geldt voor de uitleg van het kortgedingvonnis, waarin dwangsommen zijn opgelegd. Het hof overweegt als volgt.
6.6.2.
Het is vaste rechtspraak dat in een executiegeschil, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een veroordeling onvoldoende is nageleefd, de executierechter niet tot taak heeft de door de rechter in de hoofdzaak besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De executierechter dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de uitgesproken veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld, een en ander in het licht van redelijkheid en billijkheid. Bij de uitleg van een veroordeling dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (vgl. o.a. HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367, HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400, en HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0431).
6.6.3.
De rechter moet het dictum uitleggen in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid (vgl. o.a. HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369, en HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532). Daarnaast geldt bij een in algemene bewoordingen geformuleerd verbod met dwangsomsanctie dat dit verbod niet beperkt is tot de herhaling van de handelingen die aanleiding vormden voor het opleggen van dat verbod. Met betrekking tot de in een executiegeschil vereiste afbakening van de reikwijdte van zo een in algemene termen vervat verbod geldt, voor zover het betreft toekomstige handelingen, als maatstaf dat de draagwijdte van het verbod beperkt is te achten tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken, als door de rechter verboden, opleveren (de aan HR 3 januari 1964, NJ 1964, 445 ontleende zogeheten Lexington-norm; vgl. HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5238). Indien de bewoordingen van een veroordeling ruimte laten voor verschillende interpretaties, kan dit eveneens nopen tot een terughoudende uitleg van de reikwijdte van een veroordeling ten gunste van de partij tegen wie de veroordeling is uitgesproken, en alleen een inbreuk op de veroordeling aan te nemen indien een zodanige inbreuk in ernst niet kan worden betwijfeld.
6.6.4.
Met inachtneming van die maatstaf komt het hof tot de volgende uitleg van het dictum.
6.6.5.
In het kortgedingvonnis is -voor zover relevant - in het dictum het volgende bepaald:
“(…)
5.3.
verbiedt [appellant] om gedurende 2 jaar na betekening van dit vonnis, een klacht of melding van vermoeden van een misstand bij de Gemeente in te dienen voor zover betrekking hebbend op het arbeidsconflict en/of bejegeningsconflict die betrekking heeft op personen die betrokken zijn geweest bij het arbeidsconflict en/of het bejegeningsonderzoek en/of andere procedures tussen [appellant] en de gemeente die zijn afgerond en waarin geen rechtsmiddelen meer kunnen worden aangewend zoals opgenomen zoals opgenomen in productie 1, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00, per overtreding met een maximum van € 100.000,00,
5.4.
verbiedt [appellant] om gedurende 2 jaar na betekening van dit vonnis, in brieven,
e-mails, verzoeken, klachten en/of meldingen naar de Gemeente en/of derden beledigingen of beschuldigingen te uiten zoals genoemd in rechtsoverweging 4.7 van dit vonnis over personen werkzaam (geweest) bij of voor de Gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 100.000,00,
(…)”
De rechtsoverweging waarnaar in rov. 5.4 wordt verwezen, en die dus onlosmakelijk deel uitmaakt van de veroordeling, luidt als volgt:
“4.7. Uit de door de Gemeente overgelegde citaten uit de correspondentie van [appellant] (productie 7 bij dagvaarding), waarvan de inhoud niet is betwist, blijkt dat [appellant] zich onnodig grievend uitlaat over personen die werkzaam zijn bij en voor de Gemeente gedurende de periode augustus 2012 tot heden. Deze grievende uitlatingen bestaan voornamelijk uit beschuldigingen en beledigingen van ambtenaren werkzaam bij of voor de Gemeente en hebben betrekking op het arbeidsconflict en/of het bejegeningsonderzoek.
De termen die [appellant] in zijn correspondentie gebruikt zijn onder andere: valsheid in geschrift, smaad, integriteitsschendingen, liegen, ambtsmisdrijven, corruptie, langdurig onwettig blokkeren van behandelingen van bezwaarschriften en brieven, pesten, mobbing, intimideren, bewust schenden van de afgelegde eed of belofte, mentaal kapot maken om arbeidsongeschiktheid te veroorzaken, discriminatie, misstanden op grond van de Wet Huis voor Klokkenluiders, schending van de ambtelijke gedragscode integriteit, psychische mishandeling, misbruik van overheidsgeld, misbruik van recht en macht, verzaken van elementaire zorgplichten, het met opzet schenden van regelgeving en intentioneel kwaadaardig gedrag en meineed.”
6.6.6.
De overwegingen die tot die veroordelingen hebben geleid zijn:
“4.8. [appellant] stelt dat hij het volste recht heeft om personen die hem benadelen (of hebben benadeeld) aan te spreken. Desgevraagd heeft hij tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij zich beschuldigend uitlaat over en naar medewerkers van de Gemeente of mensen die voor de Gemeente werken maar dat hij deze beschuldigingen - in zijn visie - kan staven met objectieve informatie, zoals diverse getuigenverklaringen en verschillende deskundigenberichten. De Gemeente heeft echter gemotiveerd betwist dat de in dit kader door [appellant] overgelegde producties objectief zijn, nu zij in opdracht van [appellant] en enkel op grond van de eenzijdig door [appellant] verstrekte informatie tot stand zijn gekomen. Verder is ook uit de gevoerde procedures niet gebleken dat de beschuldigingen van [appellant] waar zijn.
4.9.
Hierbij komt dat [appellant] , ondanks meerdere verzoeken van de Gemeente om hiermee op te houden, is doorgegaan met het doen van stelselmatige beschuldigingen en beledigingen aan het adres van de Gemeente en haar medewerkers. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] aangegeven niet met deze beschuldigingen te zullen stoppen als hij dit nodig acht.
4.10.
Gelet op het hiervoor overwogene onder randnummer 4.7 tot en met 4.9 is de voorzieningenrechter van oordeel dat berichten in de correspondentie van [appellant] de grenzen van de vrijheid van meningsuiting overschrijden. Te gelden heeft dat die vrijheid van meningsuiting begrensd wordt door de beginselen van zorgvuldigheid die eenieder jegens een ander in acht dient te nemen. [appellant] heeft met zijn berichten de grenzen van betamelijkheid zodanig overschreden dat dit een onrechtmatige aantasting is van de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers en organen van de Gemeente. Gelet daarop dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrecht het recht van de Gemeente zwaarder te wegen dan het recht van [appellant] .
Handelen [appellant] onevenredig
4.11.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voorts sprake van misbruik van bevoegdheid zijdens [appellant] en handelt hij onrechtmatig jegens de Gemeente gezien de onevenredigheid tussen zijn belang bij het indienen van Wob, Wbp en AVG-verzoeken, klachten en meldingen en overige correspondentie met betrekking tot het arbeidsconflict en/of het bejegeningsonderzoek en het belang dat hij daarmee schaadt, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn bevoegdheden had kunnen komen. Daarvoor is het volgende van belang.
4.12.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aard van de verhouding tussen overheid en burger met zich brengt dat minder snel mag worden aangenomen dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid dan in de verhouding tussen burgers onderling. Echter, hiertegenover staat dat misbruik van bevoegdheid kan worden aangenomen in gevallen wanneer de uitoefening van deze bevoegdheden evident onredelijk is. Een Gemeente mag dan maatregelen treffen om de belasting die hiermee gepaard gaat te beperken. In dit geval is er sprake van een evidente onredelijke uitoefening van de bevoegdheden door [appellant] . De verzoeken en correspondentie (96 Wob-verzoeken, 54 Wbp en AGV-verzoeken en in totaal 771 brieven en e-mailberichten) van [appellant] hebben namelijk een buitensporig beslag gelegd op het openbaar bestuur. Dit blijkt uit het feit dat er zich van de 112 fte er in totaal 0,75 tot 1 fte bezighoudt met de verzoeken en correspondentie van [appellant] . Ook brengen deze werkzaamheden kosten met zich mee die bestaan uit € 323.228,58 aan personeelskosten en € 376.682,29 aan advocaatkosten. Hierbij komt dat [appellant] geen inwoner is van de Gemeente en als voormalig ambtenaar van de Gemeente had moeten weten of had behoren te weten dat hij met zijn verzoeken en correspondentie een onevenredig grote druk op de Gemeente en haar medewerkers heeft gelegd. Voorts zijn de verzoeken van [appellant] uitgeoefend met een ander doel, is een groot deel van de correspondentie onnodig grievend en heeft deze betrekking op de onherroepelijk geworden arbeidsrechtelijke procedure, dan wel op het afgeronde bejegeningsonderzoek van het Huis voor Klokkenluiders.
(…)”
6.6.7.
In de vaststellingsovereenkomst bij het hof zijn partijen, voor zover hier relevant, overeengekomen dat zij berusten in het kortgedingvonnis. Daarnaast zijn zij overeengekomen dat de aan het vonnis verbonden termijn van twee jaren zal worden verlengd in die zin dat die termijn vanaf 24 november 2020 opnieuw voor de duur van twee jaar zal lopen. Daarmee is de termijn van de door de voorzieningenrechter opgelegde verboden verlengd tot 24 november 2022.
6.6.8.
Het hof leidt - met de rechtbank in dit executiegeschil - uit het kortgedingvonnis af dat doel en strekking van de veroordeling is dat het veelvuldig misbruik maken van bevoegdheden door [appellant] en het onrechtmatig handelen van [appellant] moesten stoppen. Het handelen van [appellant] zoals dat tot aan het kortgedingvonnis gedurende vele jaren had plaats gevonden, diende volgens de voorzieningenrechter geen redelijk te rechtvaardigen doel en de ermee gepaard gaande belasting van de medewerkers en de organen van de gemeente was buitensporig hoog, zowel in persoonlijk opzicht voor de betrokken medewerkers als financieel voor de gemeentelijke organisatie. In dat oordeel heeft [appellant] berust. Het misbruik maken van bevoegdheid en onrechtmatig handelen had betrekking op het indienen van Wob, Wbp en AVG-verzoeken, klachten, meldingen en het voeren van onnodig grievende - met beledigingen en/of beschuldigingen - correspondentie, dan wel van correspondentie die betrekking heeft op het arbeidsconflict, en/of het bejegeningsonderzoek en/of op andere procedures tussen [appellant] en de gemeente die zijn afgerond en waarin geen rechtsmiddelen meer kunnen worden aangewend.
6.6.9.
[appellant] moest onder andere 1) stoppen met het indienen van klachten of meldingen bij de gemeente ten aanzien van de genoemde onderwerpen (rov. 5.3 van het kortgedingvonnis), en 2) zich in correspondentie naar de gemeente of derden onthouden van grievende uitingen over personen werkzaam bij of voor de gemeente (rov. 5.4 jo. 4.7 van het kortgedingvonnis). De verboden zelf zijn niet in algemene bewoordingen geformuleerd: concrete gedragingen en uitlatingen met betrekking tot concrete onderwerpen vallen hieronder. Het hof leidt uit het kortgedingvonnis af dat het verbod onder 1) niet slechts zag op sec “het ontslag en de gronden daarvan” of enkel het bejegeningsonderzoek zelf, maar ook op alles wat zich daar omheen heeft afgespeeld. Dat is immers waarover [appellant] zich al jaren beklaagt en die uitlatingen waren aanleiding voor de verboden. De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.16 van het kortgedingvonnis expliciet overwogen dat uit hetgeen naar voren is gekomen
“blijkt dat de correspondentie van [appellant] (in welke vorm dan ook) uitsluitend ziet op het arbeidsconflict en/of het bejegeningsonderzoeken alles wat daarmee samenhangt(onderstreping hof). Daarbij komt dat ook expliciet is verwezen naar andere afgeronde procedures. Ook het verbod onder 2) is concreet: niet alleen is aangegeven dat de grievende uitlatingen voornamelijk bestaan uit beschuldigingen en beledigingen, maar ook is een opsomming gegeven van daarbij in eerdere stukken door [appellant] gebruikte termen. Het hof zal daar bij de bespreking van de verschillende uitlatingen nader op ingaan. Daarbij geldt dat niet relevant is of aan [appellant] al dan niet een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt: het gaat uitsluitend om de vraag of hij de aan hem door de voorzieningenrechter opgelegde verboden heeft overtreden.
6.6.10.
In het kortgedingvonnis is de voorzieningenrechter al ingegaan op de vraag of het recht op vrijheid van meningsuiting in de weg staat aan oplegging van de verboden. Geconcludeerd is dat [appellant] met zijn berichten de grenzen van betamelijkheid zodanig heeft overschreden dat dit een onrechtmatige aantasting is van de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers en organen van de gemeente, zodat het recht van de gemeente zwaarder weegt dan het recht van [appellant] op vrijheid van meningsuiting (rov. 4.10 van het kortgedingvonnis). Het hof treedt als executierechter niet opnieuw in die beoordeling (vgl. rov. 6.6.2 hiervoor), zodat de daarop betrekking hebben onderdelen van grief 2 geen verdere bespreking behoeven. Datzelfde geldt voor de vraag of de uitingen berusten op objectieve feiten: dat is voor de beoordeling van de vraag of de verboden zijn overtreden niet relevant.
6.6.10.
Het hof zal hierna in het licht van al het voorgaande per gedraging beoordelen of sprake is van een overtreding van de veroordelingen.
De uitlatingen van [appellant] in brieven en andere stukken
6.7.
Het hof komt tot het oordeel dat in alle door de gemeente genoemde, door [appellant] opgestelde stukken sprake is van één of meer overtredingen van het kortgedingvonnis, zodat een bedrag van € 10.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De eerste gestelde overtreding: de brief van 20 augustus 2021 (productie 5 gemeente)
6.7.1.
In deze door [appellant] aan het college van burgemeester en wethouders verzonden brief zijn onder meer de volgende passages opgenomen:
“Re-integratie naar een nieuwe baan in 2010 mislukte door de continue weigering van de
gemeente om met mij in gesprek te gaan, het enkel schriftelijk communiceren en het niet
met de re-integratiecoach en mij bespreken van het evaluatierapport d.d. 27 september
2010”,
en
“In 2013 schakelde de gemeente een re-integratiebureau in dat me wilde verplichten 10 keer per week te solliciteren. UWV berichtte mij dat de wettelijke norm 1 sollicitatie per week was”.
6.7.2.
Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een overtreding van het in rov. 5.3. van het vonnis uitgesproken verbod. Deze passage komt immers neer op een uiting van ongenoegen (en dus een klacht) die betrekking heeft op het arbeidsconflict en alles wat daarmee samenhangt, zoals het re-integratietraject. Bovendien heeft de passage betrekking op personen die vanuit de zijde van de gemeente betrokken zijn geweest bij het arbeidsconflict (het door de gemeente ingeschakelde re-integratiebureau). De brief betreft een reactie op een verzoek van het college van B&W om inzicht in zijn financiële situatie, naar het hof begrijpt ter beoordeling van het verzoek om herziening van het besluit tot stopzetten van zijn na-wettelijke uitkering. [appellant] had antwoord kunnen geven op dat verzoek zonder het kortgedingvonnis te overtreden.
De tweede gestelde overtreding: nog een brief van 20 augustus 2021 (productie 6 gemeente)
6.7.3.
In deze door [appellant] aan de gemeente verzonden brief zijn onder meer de volgende passages opgenomen:
“In beide procedures gaat het onder meer om het in strijd met de Awb en klokkenluider-regelingen niet correct omgaan met mijn meldingen/klachten vanaf 2009. De zorgplicht tot behoorlijke klachtafhandeling in art. 9:2 Awb Pro is aantoonbaar niet nagekomen.”,
en
“Beweringen van de gemeente dat deze aspecten aan de orde zijn gekomen tijdens de
ontslagprocedure zijn onjuist nu de rechtbank en CRvB niet hebben geoordeeld over verzaken van de zorgplicht, niet optreden tegen ongewenst gedrag en onvolledig informeren
van de rechtbank etc.”,
en
“Mijn meldingen en klachten werden behandeld door bij procedures tegen mij betrokken c.q. niet onpartijdige functionarissen. Dit is in strijd met de geest van klokkenluiderregelingen en art. 9:7 Awb Pro”.
6.7.4.
Daarmee is sprake van een klacht die betrekking heeft op het arbeidsconflict en/of bejegeningsconflict en alles wat daarmee samenhangt. De klacht ziet op personen die vanuit de gemeente betrokken zijn geweest bij andere procedures tussen [appellant] en de gemeente zoals bedoeld in rov. 5.3. van het dictum van het kortgedingvonnis. [appellant] uit immers in deze passage zijn ongenoegen over “niet onpartijdige” functionarissen van de gemeente. Daarmee is sprake van een overtreding van het verbod in rov. 5.3 van het dictum. Ook beschuldigt [appellant] de gemeente van liegen, hetgeen een overtreding is van het verbod in rov. 5.4 van het dictum.
De derde gestelde overtreding: de brief van 30 augustus 2021 (productie 7 gemeente)
6.7.5.
Het gaat om een herzieningsverzoek van 30 augustus 2021 dat door [appellant] is ingediend bij de CRvB. Uit het verbod als bedoeld in rov. 5.4 volgt dat het verbod om beledigingen of beschuldigingen te uiten als genoemd in rov. 4.7 van het kortgedingvonnis over personen werkzaam (geweest) bij of voor de gemeente óók betrekking had op brieven, verzoeken, klachten, meldingen naar derden.
6.7.6.
In het herzieningsverzoek heeft [appellant] onder meer de volgende passages opgenomen:
“De teamcoördinator P&K was nauw betrokken bij de beoordeling- en ontslagprocedure en
stelde de brief d.d. 15 september 2009 (novum 1) op. Gelijktijdig had hij een zorgplicht over mij en was hij officieel (de enige) vertrouwenspersoon ingevolge de Regeling klokkenluiders 2001 welke taken door betrokkene in mijn casus aantoonbaar niet zijn nagekomen”,
en
“De juridisch controller AJBZ, mijn afdelingshoofd in 2008-2010, behandelde mijn klacht in juli 2016 aan de raad en was betrokken bij alle procedures tegen mij, o.a. een kort geding-procedure (2019) waarbij de rechter onware en onvolledige informatie kreeg.”,
en
“De juridisch controller 2013-2021 behandelde in 2013 en 2016 twee klachten over gedragingen waarbij zij zelf nauw bij betrokken was. Hierdoor handelde zij in strijd met artikel 9:7 Awb Pro. Dat het gedrag van deze functionarissen bekend was bij en (kennelijk) werd gedekt door de secretaris en B&W doet niets af aan hun eigen verantwoordelijkheid en mijns
inziens verwijtbaar nalaten.”
6.7.7.
[appellant] beschuldigt hier medewerkers van de gemeente van het liegen tegen de voorzieningenrechter (het de rechter voorhouden van “onware en onvolledige” informatie) en beschuldigt functionarissen van belangenverstrengeling, van het niet naleven van een zorgplicht en van handelen in strijd met de wet. Daarmee is sprake van een geuite beschuldigingen zoals genoemd in rov. 4.7. van het kortgedingvonnis over personen die werkzaam zijn (geweest) bij de gemeente. Dat brengt mee dat sprake is van een overtreding van rov. 5.4. van het dictum. Het kortgedingvonnis heeft [appellant] niet beperkt in zijn recht om rechtsmiddelen in te stellen: hij diende zich in zijn processtukken echter wel te onthouden van het doen van uitlatingen als bedoeld in rov. 4.7 van het kortgedingvonnis.
De vierde gestelde overtreding: de brief van 22 december 2021 (productie 8 gemeente)
6.7.8.
In deze brief aan de voorzitter van de commissie bezwaarschriften van de gemeente heeft [appellant] onder meer het volgende opgenomen:
“De gemeente zond op 27 september 2010 een onvolledig procesdossier aan de rechtbank. De rechtbank noch de CRvB oordeelde over de (hoger) beroepsgrond onthouden van re-integratie na ziekte en paste (doordat de rechtbank een onvolledig procesdossier kreeg) vaste jurisprudentie van de Raad dat niet nakomen van de zorgplicht ontslag in de weg staat niet toe.”
6.7.9.
De strekking van het schrijven is dat [appellant] (medewerkers van) de gemeente ervan beschuldigt dat zij moedwillig een onvolledig procesdossier zou(den) hebben toegezonden aan de rechtbank, waardoor de rechtbank niet op juiste gronden zou hebben geoordeeld over zijn ontslag. Zoals hij concludeert in de brief meent hij dat sprake is van
“procedureschendingen en onthouden van informatie voor de commissie en rechters”.Daarmee beklaagt [appellant] zich over (personen werkzaam bij de gemeente en betrokken bij) het arbeidsconflict en alles wat daarmee samenhangt. Daarmee is sprake van overtreding van rov. 5.3 van het vonnis.
De vijfde gestelde overtreding: de brief van 4 januari 2022 (productie 9 gemeente)
6.7.10.
In deze brief gericht aan de commissie bezwaarschriften en burgemeester en wethouders van de gemeente heeft [appellant] onder meer het volgende vermeld:
“Indien [persoon A] het ‘goede’ had gedaan - de beoordeling 2007 uitvoeren zoals was opgedragen, mijn POP faciliteren en adviezen van bedrijfsartsen opvolgen - was ik niet ziek geworden en was het bij een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit tot ontslag kunnen komen.”,
en
“Met 1-2 valideer ik dat [persoon A] en team P&K niet neutraal tegenover mij staan. Ik
beroep me op het verbod op vooringenomenheid in artikel 3:3 Awb Pro, de gedragscode integriteit (2006) en de Nota integriteit (2006): 'Ook in het kader van de administratieve procedures is het van belang nadrukkelijk in bepaalde processen in te bouwen dat niemand alleen een hele keten kan beheersen (functiescheiding). Niemand zou vele jaren achtereen op een kwetsbare functie moeten functioneren (functieroulatie)”.
6.7.11.
Deze brief betreft een aanvulling van het bezwaarschrift van [appellant] en een reactie op het verzoek van de commissie bezwaarschriften van de gemeente om nadere stukken in te dienen die betrekking hebben op de beëindiging van de na-wettelijke uitkering van [appellant] . Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, had [appellant] dit kunnen doen zonder het kortgedingvonnis te overtreden. In deze passage uit [appellant] echter zijn ongenoegen over het handelen dan wel nalaten van een medewerker van de gemeente en verwijt zij haar dat zij daardoor zijn ziekte en ontslag heeft veroorzaakt. Ook worden medewerkers van de gemeente beschuldigd van integriteitsschendingen. Daarmee is sprake van een beschuldiging en/of belediging als bedoeld in rov 4.7 van het kortgedingvonnis en van een overtreding van rov. 5.4 van het dictum.
De zesde gestelde overtreding: de brief van 11 april 2022 (productie 11 gemeente)
6.7.12.
Het betreft een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit. In deze aan burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de gemeente gerichte brief heeft [appellant] onder meer het volgende opgenomen:
“Indien de Gemeente aan de wettelijke zorgplicht had voldaan, had het bij een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit tot gezondheidsklachten, ziekte en ontslag kunnen komen. Door de houding en het gedrag van de Gemeente heb ik een ernstig trauma opgelopen. Er is sprake van een rechtstreeks causaal verband tussen de houding van de Gemeente en het opgelopen trauma.”,
en
“Hieronder valideer ik dat de Gemeente regelgeving die er juist is om mij als werknemer/
ambtenaar te beschermen tegen gezondheidsklachten, ziekte en rauwelijks ontslag,
vanaf 2006 willens en wetens en zonder een rechtvaardigingsgrond heeft geschonden en
mij nimmer toegezegde mentale hulp heeft gegeven. Het betreft de volgende acht punten.”
6.7.13.
[appellant] beschuldigt de gemeente (en dus ook de medewerkers van de gemeente) van het mentaal kapot maken om arbeidsongeschiktheid te veroorzaken en van het opzettelijk schenden van regelgeving. Daarmee is sprake van een beschuldiging en/of belediging als bedoeld in rov. 4.7 van het kortgedingvonnis. Dat levert een schending op van het verbod als bedoeld in rov. 5.4 van het dictum.
De zevende gestelde overtreding: de bijlage bij de brief van 11 april 2022 (productie 12 gemeente)
6.7.14.
Deze bijlage maakt onderdeel uit van voornoemde brief van 11 april 2022. In de betreffende bijlage heeft [appellant] onder meer het volgende geschreven:
Onderbouwing niet onafhankelijke klachtbehandeling (strijd met art. 9:7 Awb Pro)
Onderstaande klachten en brieven zijn (naar mijn weten) behandeld resp. opgesteld door juridisch controller en mijn voormalig afdelingshoofd. Aangezien deze functionaris nauw betrokken was bij gedragingen, vooral nalaten, die tot mijn ontslag leidden, is de behandeling onwettig geweest”,
en
“Mijn klachten en meldingen zijn procedureel en inhoudelijk nimmer (correct) behandeld/beantwoord. Tegen het onthouden van een vertrouwenspersoon en niet toepassen van de Klokkenluidersregeling heb ik in 2010 geen beroep ingesteld omdat het geen Awb-besluiten waren doch feitelijke gedragingen. Het instellen van beroep bij de bestuursrechter had derhalve geen enkele zin. Op 23 juli 2009 kreeg ik van de ene op de andere dag een toegangsverbod terwijl het ontslag per 1 november 2010 inging. Daardoor had ik geen toegang tot Intranet, ambtenaren en bestuurders. Klachten en meldingen werden behandeld door ambtenaren die zelf betrokken c.q. niet onpartijdig waren, waardoor in strijd werd gehandeld met art. 9:7 Awb Pro en de geest van klokkenluiderregelingen.”
6.7.15.
Met deze uitingen is volgens het hof sprake van een overtreding van het in rov. 5.3 van het kortgedingvonnis opgelegde verbod. Het gaat immers om een klacht (uiting van ongenoegen) over (personen) betrokken bij het arbeidsconflict en/of bejegeningsconflict en alles wat daarmee samenhangt (de juridisch controller en het voormalig afdelingshoofd van [appellant] ).
De achtste gestelde overtreding: het sturen van de inleidende dagvaarding
6.7.16.
In de door [appellant] zelf opgestelde inleidende dagvaarding ten behoeve van deze procedure (oorspronkelijk aangebracht bij de kantonrechter) heeft [appellant] onder meer het volgende opgenomen:
“ [persoon B] zorgde er in 2006-2010 niet voor dat personeel- en re-integratieregels in het dossier ‘ [appellant] ’ werden nageleefd, dat hij in 2009 een toegezegde vertrouwenspersoon kreeg en dat de rechtbank in 2010 een volledig procesdossier kreeg”,
en
“Uit een objectief onderzoek van de werksituatie d.d. 12 november 2014 van een arbeidspsycholoog blijkt dat vanaf 2006 sprake was van pestgedrag door de werkgever.”,
en
“Twee getuigen, die in januari 2018 onder ede zijn gehoord door afdeling onderzoek van
het Huis voor Klokkenluiders, hebben - zo blijkt uit verslagen van getuigenverhoren in januari 2018 van het Huis voor Klokkenluiders (hierna Huis) - [persoon B] aangewezen als feitelijke veroorzaker van diens ontslag.”
6.7.17.
[appellant] beschuldigt hiermee een medewerker van de gemeente ervan om in strijd te hebben gehandeld met wet- en regelgeving, van het achterhouden van informatie voor de rechtbank, van pestgedrag en van het persoonlijk veroorzaken van het ontslag van [appellant] . Het hof concludeert dat daarmee sprake is van een beschuldiging als bedoeld in rov. 4.7 van het kortgedingvonnis en van overtreding van het verbod zoals opgenomen onder rov. 5.4 van het dictum. Voor zover [appellant] meent dat het hem vrij staat om in kritische bewoordingen aan het licht te stellen dat procedures niet zijn gevolgd en dat een andersluidend oordeel zou inhouden dat bij ‘monddood’ wordt gemaakt, faalt dat standpunt. Het stond hem inderdaad vrij om in een executiegeschil aan de orde te stellen of al dan niet sprake is van een of meer overtredingen van het kortgedingvonnis en daarbij aan de hand van het recht en de feiten uiteen te zetten om welke reden de gestelde overtredingen van ná het kortgedingvonnis volgens hem niet zouden vallen onder de verboden. Daarvoor is echter niet noodzakelijk om - opnieuw - de discussie over de volgens hem laakbare gedragen van een medewerker van de gemeente die zich 15 tot 20 jaar geleden zouden hebben voorgedaan aan de orde te stellen, welke beschuldigingen overigens verder gaan dan alleen het melden dat procedures niet zijn gevolgd. Dat stadium is reeds lang gepasseerd, precies om welke reden de verboden zijn opgelegd.
De negende gestelde overtreding: de brief van 19 september 2022 (productie 17 gemeente)
6.7.18.
In deze brief gericht aan de burgemeester en de raadsgriffier van de gemeente heeft [appellant] onder andere het volgende opgenomen:
“Waarom schrijf ik deze brief nu?
Deze brief schrijf ik ter duiding, onderbouwing en rechtvaardiging van procedures en brieven, die ik heb aangespannen resp. geschreven na en naar aanleiding van gebeurtenissen vanaf 2019:
1. het door de Gemeente impliciet instemmen met stopzetting van mijn na-wettelijke uitkering terwijl de Gemeente wist of redelijkerwijs kon weten dat dit in strijd was met de eigen mandaatregeling;
2. het aanspannen van een kort geding, terwijl de vereiste instemming van de raad ontbrak;
3. het in strijd met de feiten door de Gemeente in de dagvaarding vermelden dat mijn brieven, klachten en verzoeken in de periode na ontslag steeds zorgvuldig afgehandeld zouden zijn.”
6.7.19.
[appellant] beschuldigt personen die werkzaam zijn voor de gemeente in deze passage ervan dat “in strijd met de feiten” zaken worden vermeld aan de rechtbank. “Liegen” is in rov. 4.7 van het kortgedingvonnis expliciet als voorbeeld aangehaald van beschuldigingen die [appellant] aan het adres van de gemeente maakt. Daarmee is sprake van strijd met rov. 5.4 van het vonnis. Verder verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in rov. 6.7.17 is vermeld.
De tiende gestelde overtreding: de brief van 28 september 2022 (productie 18 gemeente)
6.7.20.
In deze door [appellant] aan de gemeenteraad van de gemeente gerichte brief staat onder meer:
“Het door het college niet willen beantwoorden en bespreken van de eenvoudige vraag ‘Waarom’ heeft de samenleving, rekening houdend met tijdsbesteding door externe instanties (rechterlijke macht, klachtinstanties, gezondheidszorg etc.), nu mogelijk bijna € 2.000.000,= gekost. Ik ben benieuwd hoe de Gemeente dat in het openbaar en naar de gemeenschap toe kan verklaren”,
en
“Een door de secretaris in januari 2009 toegezegde externe vertrouwenspersoon werd voor mij niet geregeld. Ook al mijn brieven na het voornemen ontslag 21 juli 2009 aan secretaris(sen), raad en B&W waren bedeeld als klachten/meldingen over ongewenst gedrag, vermoede misstanden en integriteitschendingen. In mijn eerste melding vroeg ik om een vertrouwenspersoon (VP) waar ik recht op had. Ik kreeg geen VP. In het openbaar bestuur is het door een melder of klager een beroep kunnen doen op een VP een basisnorm. De voorgeschreven procedure werd nooit gevolgd: ik werd niet gehoord en kreeg geen bescherming. De raad heeft geen enkele brief, melding of klacht inhoudelijk behandeld. Dat is in strijd met wet- en regelgeving.”
6.7.21.
Niet alleen beschuldigt [appellant] de gemeente in feite van het inzetten van gemeenschapsgeld zonder doel, waarmee hij de gemeente verwijt misbruik te maken van overheidsgeld, maar ook wordt opnieuw bij de gemeente geklaagd over de gang van zaken rondom het arbeidsconflict en/of bejegeningsonderzoek. In rov. 4.7 van het kortgedingvonnis wordt “misbruik van overheidsgeld” expliciet als voorbeeld genoemd. In deze brief worden daarmee de verboden als neergelegd in rov. 5.3 en rov. 5.4 van het kortgedingvonnis overtreden.
Tussenconclusie (ten aanzien van de gestelde overtredingen)
6.8.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 tot en met 3 niet slagen. Aan bewijslevering behoeft niet te worden toegekomen. [appellant] heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Het algehele contactverbod voor de duur van 20 jaar
6.9.1.
Met grief 4 richt [appellant] zich tegen het in rov. 6.4 van het beroepen vonnis opgelegde contactverbod. Dit verbod is door de rechtbank als volgt geformuleerd:
“6.4. verbiedt [appellant] om zich gedurende een periode van 20 jaar na betekening van dit vonnis, met brieven, faxen, e-mails, andere vormen van communicatie (waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen sms, Whatsapp, telefonisch, contact aan de balie van het gemeentehuis, verzoeken op grond van de Woo, verzoeken op grond van de AVG, het indienen van klachten, etc.) of door betreding van het gemeentehuis van de gemeente [xx] ( [adres] ) en/of daartoe behorende dependances te richten tot
- leden van de - organen van en/of personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor De Gemeente (waaronder in ieder geval, doch niet uitsluitend, begrepen leden van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, tot een maximum van
€ 250.000,00 is bereikt”.
6.9.2.
[appellant] heeft gesteld dat de gemeenteraad op grond van artikel 169 lid 4 Gemeentewet Pro door het college van B&W van de gemeente had moeten worden geraadpleegd ter zake van de eis in reconventie. Nu dat niet is gebeurd, is de eis in reconventie nietig. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat, onder meer gelet op aard van de verhouding tussen overheid en burger, een algemeen contactverbod (veel) te ver strekt. Met het contactverbod wordt een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op het recht van meningsuiting en het meld- en klachtrecht. Het betredingsverbod en verbod om in te spreken in een raadsvergadering gaat veel te ver en is onwettig. Volgens de Klachtregeling ongewenst gedrag (2011) en Regeling Melden Vermoeden Misstand (2016) van de gemeente kan ook een ex-werknemer een beroep doen op een externe vertrouwenspersoon: het vonnis maakt onaanvaardbaar inbreuk op dat recht. Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat ook het verbod om Woo-, AVG- en inzageverzoeken in te dienen en nadere stukken te overleggen in procedures te ver gaat, temeer omdat er momenteel nog diverse (bestuursrechtelijke) procedures lopen tussen [appellant] en de gemeente.
De gemeente weerspreekt de stellingen.
6.9.3.
Het hof overweegt als volgt.
Het beroep op artikel 169 lid 4 Gemeentewet Pro
6.9.4.
Op grond van artikel 160, lid 1 aanhef en onder e Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd te besluiten namens de gemeente, het college of de raad rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. Krachtens artikel 169 lid 4 Gemeentewet Pro geven het college en de afzonderlijke leden de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
6.9.5.
Uit die bepalingen volgt dat het college van B&W zelfstandig bevoegd was tot het instellen van de eis in reconventie. Een besluit daartoe van de gemeenteraad of een bekrachtiging van het door het college van B&W genomen proces-besluit is daartoe niet vereist (MvT, kamerstukken II, 2000-2001, 27751, nr. 3, p. 61 en 112). Wel schrijft artikel 169 lid 4 Gemeentewet Pro voor dat de gemeenteraad vooraf wordt ingelicht. Deze bepaling heeft echter uitsluitend interne werking (vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6254). Indien het college van B&W zich van zijn inlichtingenplicht betreffende het instellen van de eis in reconventie in onderhavige procedure jegens de gemeenteraad niet tijdig of volledig heeft gekweten, heeft dit geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de gemeente in rechte; een geschil over de toepassing van de informatieverplichting moet volgens de wetgever op politiek niveau worden uitgevochten (vgl. MvT, kamerstukken II, 2000-2001, 27751, nr. 3, p. 31 en MvA I, kamerstukken II, 2002-2003, 28243, nr. 34a, p. 3, met verwijzing naar eerdere rechtspraak van bestuursrechters). Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737, waar [appellant] op wijst, kan niet iets anders worden afgeleid. Uit het feit dat de Hoge Raad overweegt dat in dat geval - waarin het ging om het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst - het hof wel had getoetst of aan artikel 169 lid 4 Gemeentewet Pro voldoende is voldaan, volgt in het licht van de parlementaire geschiedenis niet dat het niet voldoen aan de voorhangplicht ten aanzien van het instellen van een eis in reconventie betekent dat de gemeente niet in die vordering kan worden ontvangen.
6.9.6.
Daar komt nog bij dat [appellant] , in het licht van het daartegen door de gemeente gevoerde verweer, onvoldoende heeft geconcretiseerd dat het instellen van de eis in reconventie ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. Van een plicht om de gemeenteraad voorafgaand aan het instellen van de eis in reconventie is derhalve geen sprake.
Het contactverbod strekt in de bijzondere omstandigheden van dit geval niet te ver
6.9.7.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld met het stelselmatig en veelvuldig uiten van onbewezen en ernstige beschuldigingen en beledigingen richting (medewerkers van) de gemeente, zonder dat daarmee een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en zonder dat ondanks het starten van tal van procedures waarin [appellant] steeds in het ongelijk is gesteld en waarin niet is gebleken van enig bewijsmateriaal waarin steun kan worden gevonden voor de juistheid van de aan de gemeente gemaakte verwijten. Waar het naar het oordeel van het hof in de kern op neer komt, is dat [appellant] op verschillende manieren en via verschillende ingangen bij de gemeente en bij verschillende andere instanties aandacht blijft vragen voor zaken die zich - ver - in het verleden hebben afgespeeld en die allemaal hun grondslag hebben in het ontslag en wat zich daarna heeft voorgedaan. Ook al heeft [appellant] in nog geen enkele procedure gelijk gekregen, hij blijft volhouden dat hij dat wel heeft. En op het krijgen van dat gelijk en een vorm van - financiële - genoegdoening zijn al zijn acties richting de gemeente gericht. De wijze waarop hij dat doet is onrechtmatig. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij de gemeente zal blijven benaderen om dat doel te bereiken. Nu [appellant] ondanks de berusting in het kortgedingvonnis blijft volhouden dat zijn uitlatingen niet onnodig grievend zijn, dat deze zijn gebaseerd op objectieve feiten en dat deze vallen onder zijn recht op vrijheid van meningsuiting, vreest de gemeente terecht dat de inhoud en teneur van de berichten niet zal wijzigen. Nu alle officiële ingangen bij de gemeente zijn uitgeput - de besluiten waar het nog om zou gaan zijn onherroepelijk of liggen nog ter beoordeling voor bij de hoogste bestuursrechter - en gezien het onrechtmatige karakter van de gedragingen, is het hof met de gemeente van oordeel dat dit dient te stoppen. Een algeheel contactverbod is zeer verstrekkend. [appellant] heeft echter geen enkele andere reden gesteld waarom hij zich nog tot de gemeente zou moeten wenden dan - uiteindelijk - het bereiken van voormeld doel, hetgeen in het licht van het op dit punt door de gemeente ingenomen standpunt en de overwegingen van de rechtbank wel op zijn weg had gelegen. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof juist aangegeven dat hij verder niets met de gemeente te maken wil hebben. [appellant] is geen inwoner van de gemeente. Alle kwesties die te maken hebben met zijn werkverleden bij de gemeente en de daarop gevolgde procedures, zijn door de gemeente afgehandeld. Het enkele feit dat hij een meld- of klachtrecht heeft of recht op contact met een externe vertrouwenspersoon van de gemeente zou hebben, zou dit al zo zijn, maakt - in de bijzondere omstandigheden van dit geval - niet dat hij daar zonder meer en grenzeloos en decennia nádat de feiten waarover [appellant] zich wenst te beklagen hebben plaatsgevonden, gebruik van zou moeten mogen maken. Gegeven de enorme jarenlange belasting van het gemeenteapparaat en het feit dat het verleden geleerd heeft dat [appellant] zich niet (volledig) aan minder verstrekkende verboden houdt en/of de grenzen daarvan opzoekt of blijft bediscussiëren, steeds met - uiteindelijk - hetzelfde doel voor ogen, is dit algehele contactverbod aangewezen. Een kortere termijn leidt na het verstrijken ervan tot een opleving in de stroom van berichten, zo is gebleken uit de talloze producties die de gemeente heeft overgelegd. Het hof wijst er ten overvloede nog op dat het verbod zich beperkt tot contact met - leden van - de organen van en/of personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor
de gemeente. De nog lopende bestuursrechtelijke procedures kunnen gewoon worden afgerond en in die procedures staat het hem vrij om nadere stukken in te dienen. De vrees van [appellant] dat hij het verbod overtreedt als de gemeente die stukken zou aanmerken als overtredingen van het verbod, is niet gegrond: hij overtreedt het verbod pas als hij zich tot de gemeente wendt. [appellant] wordt niet in zijn rechtsbescherming beperkt.
6.9.8.
Dat [appellant] zich in het verleden immer correct heeft gedragen wanneer hij in het gemeentehuis een brief bij de receptie afgaf of een hoorzitting of raadsvergadering als toehoorder of inspreker bijwoonde en dat hij in het gemeentehuis in het verleden voor niemand ooit een fysieke of verbale bedreiging geweest, kan zo zijn maar doet aan het vastgestelde onrechtmatige karakter van de gedragingen van [appellant] niet af.
Het verbod om Woo-, AVG- en inzageverzoeken in te dienen
6.9.9.
Niet in geschil is dat de vele Wbp-, AVG-, Wob- en Woo-verzoeken die [appellant] in de jaren sinds zijn ontslag bij de gemeente heeft ingediend steeds betrekking hebben (gehad) op de (procedures over) het arbeidsconflict en/of het bejegeningsonderzoek en alles wat daarmee samenhangt. De gemeente heeft aangevoerd dat [appellant] op zoek blijft naar informatie die al is verstrekt, of die er niet is. Dat [appellant] niet op zoek is of wil gaan naar overheidsinformatie met als doel dat een ieder daarvan kennis kan nemen, zoals neergelegd in de Woo, of op grond van de AVG wenst in te zien welke persoonsgegevens over hem zijn verwerkt en of dit rechtmatig is gebeurd of om zijn correctierecht uit te oefenen, blijkt al uit de door hem toegelichte reden voor de verzoeken. In zijn memorie van grieven heeft hij aangevoerd dat hij op zoek moet kunnen gaan naar informatie om die in de nog lopende bestuursrechtelijke procedures in te dienen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat hij zich tot de gemeente blijft wenden met zijn verzoeken totdat hij heeft bereikt wat hem voor ogen staat: een vorm van rehabilitatie in een bestuurlijk gesprek, terugbetalingen van dwangsommen en een financiële compensatie. Daarna pas zal hij zijn activiteiten beëindigen, zo heeft hij toegelicht. Daaruit volgt dat de verzoeken om informatie een ander doel dienen dan de doelen van de Woo respectievelijk de AVG. Weliswaar is het enkele gegeven dat de informatie wordt opgevraagd om die in een andere procedure - waarin die informatie niet beschikbaar is - in te brengen niet voldoende zwaarwegend om misbruik van recht aan te nemen, maar in de bijzondere bijkomende omstandigheden van dit geval is daar naar het oordeel van het hof wel sprake van. In de door [appellant] zelf toegelichte redenen ligt besloten dat hij zich tot de gemeente blijft wenden als drukmiddel om de door hem gewenste financiële vergoeding te verkrijgen. Als hij dat doel heeft bereikt, hoeft hij de gemeente niet meer te benaderen, zo volgt uit zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling bij het hof. De informatie waar [appellant] naar zoekt is er niet, zo heeft de gemeente herhaaldelijk aangegeven. [appellant] heeft overigens ook niet voldoende concreet toegelicht om welke specifieke informatie het dan zou gaan die hij nog nodig zou hebben in de nog lopende procedures: hij heeft volstaan met de stelling dat hij “simpelweg het recht” heeft om “nadere stukken” in te dienen. Tot slot gaat het niet om een enkel herhaald verzoek, maar om talloze - intussen meer dan 100 - verzoeken, en is er sprake van een onevenredige belasting van de gemeentelijke organisatie.
6.9.11.
Dat leidt het hof tot de slotsom dat [appellant] zijn rechten of bevoegdheden zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. [appellant] heeft er geen blijk van gegeven uit eigener beweging met dit gedrag te zullen stoppen. In die omstandigheden is er voldoende grondslag voor het opgelegd verbod en de duur daarvan.
Tussenconclusie (ten aanzien van het algehele contactverbod)
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat grief 4 niet slaagt. Aan bewijslevering behoeft niet te worden toegekomen. [appellant] heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Tot slot
6.11.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en de gewijzigde vorderingen van [appellant] worden afgewezen.
6.11.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen vastgesteld worden op:
  • griffierechten € 2.175,00
  • salaris advocaat € 5.010,00 (3 punt(en) x tarief III)
  • nakosten
Totaal € 7.374,00
6.11.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 7.374,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, C.M.E. Lagarde en J.G.A. Struycken en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juli 2026.
griffier rolraadsheer