ECLI:NL:GHSHE:2026:1987

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
20-000750-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a WvSArt. 38 WvSArt. 38a WvSArt. 38v WvSArt. 38z WvS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling, bedreiging en verminking ex-partner met tbs

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor de eendaadse samenloop van zware mishandeling met voorbedachten rade en poging tot zware mishandeling, alsmede bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling jegens zijn ex-partner. Het hof sprak hem vrij van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs.

De feiten betreffen een gewelddadige aanval op 18 juni 2022 waarbij de verdachte zijn ex-partner met een keukenmes bedreigde en een snijwond toebracht, haar meermalen hard tegen het hoofd schopte terwijl zij weerloos op de grond lag, en haar via WhatsApp-berichten ernstig bedreigde. Het bewijs bestond uit verklaringen, forensisch onderzoek, DNA-sporen op het mes en letselrapportages.

De verdachte voerde een alternatief scenario aan dat het letsel door een val tegen een schroef was ontstaan, maar dit werd door het hof verworpen. Het hof oordeelde dat de verdachte met voorbedachten rade handelde, mede gelet op de WhatsApp-berichten van een week eerder. De verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis met agressieregulatieproblemen, waardoor de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof legde een gevangenisstraf van 4 jaar op, met aftrek van voorarrest, en een maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden, waaronder een contactverbod en meldplicht bij de reclassering. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden. De vrijheidsbeperkende maatregel van de rechtbank werd opgeheven. De verdachte moet meewerken aan behandeling en toezicht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf en tbs met voorwaarden wegens zware mishandeling, poging zware mishandeling en bedreiging van ex-partner.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000750-23
Uitspraak : 29 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 maart 2023 in de strafzaak met parketnummer 01-150607-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1980,
thans verblijvende in de [penitentiaire inrichting] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de onder feit 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘eendaadse samenloop van zware mishandeling met voorbedachten rade en poging tot zware mishandeling’ (feit 1 en feit 2) en ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 3), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, bijzondere voorwaarden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.
Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (WvS) opgelegd, te weten een contactverbod met [slachtoffer] en met zijn twee kinderen – behalve met tussenkomst van een hulpverleningsorganisatie zoals Veilig Thuis – voor de duur van 5 jaren, waarbij is bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. De rechtbank heeft deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Ten slotte heeft de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelast van de onder hem inbeslaggenomen kleding (shirt en broek) en schoeisel (slipper).
Namens de verdachte en door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, waarbij rekening is gehouden met een korting van een half jaar in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege zal opleggen, waarbij het dient te gaan om een ongemaximeerde tbs. De advocaat-generaal heeft voorts het hof verzocht aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v WvS op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 5 jaren en te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat de verdachte het verbod overtreedt. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, indien het hof niet overgaat tot oplegging van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege maar oordeelt dat een tbs met voorwaarden passend is, het hof aan de verdachte tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z WvS zal opleggen. Daarbij heeft de advocaat-generaal verzocht om in het arrest op te nemen dat, in het geval de tbs met voorwaarden wordt omgezet in een tbs met verpleging van overheidswege, het gaat om een ongemaximeerde tbs. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis geschorst kan worden tot het moment dat de verdachte wordt opgenomen in [kliniek 1] . Ten slotte heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen aan hem kunnen worden teruggegeven.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde bepleit. Indien het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde zou komen, heeft de verdediging het hof verzocht deskundige [deskundige 1] , forensisch arts, als getuige te horen. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft hij het hof verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 18 juni 2022 te Oss aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote snijwond op/over het voorhoofd heeft toegebracht door met een (keuken)mes, althans scherp voorwerp in/over/op het (voor)hoofd van voornoemde [slachtoffer] te snijden en/of te steken;
2.hij op of omstreeks 18 juni 2022 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met geschoeide voet en met kracht tegen het hoofd heeft geschopt (terwijl voornoemde [slachtoffer] weerloos op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 11 juni 2022 te Oss [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] via whatsapp-berichten dreigend de woorden toe te voegen “binnenkort stamp ik jouw nog eenmaal goed in mekaar maar deze keer echt goed als definitief afscheid” en/of “jouw kop ga ik helemaal verbouwen vieze kanker duivel” en/of “ik ga graag een half jaar zitten voor de mishandeling die ik jouw als laatste ga geven. Deze mishandeling zal alles overtreffen. Jouw hoofd ga ik dusdanig beschadigen dat je er voor altijd last van zal hebben” en/of “ik ga jouw gezicht opensnijden. Zo ernstig dat je jezelf op den duur van kant gaat maken. Niet dodelijk maar extreem verminkt. Ik ga wel een paar jaar zitten geen probleem.” en/of “Een mes in beide ogen ga ik bij jouw doen.” en/of “Heel Oss noemt jouw straks scareface, of ik maak jouw gewoon dood. Ik heb scheit”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van de onder feit 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag
Het hof zal, evenals de rechtbank en in navolging van het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, de verdachte van de onder feit 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag vrijspreken. Daartoe overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft bekend dat hij zijn ex-partner [slachtoffer] op 18 juni 2022 in haar woning in Oss hard heeft geslagen, dat zij daarna viel en dat hij haar vervolgens heeft getrapt terwijl zij op de grond lag. Uit de letselbeschrijvingen van de forensisch geneeskundige en de verklaringen van [slachtoffer] over het letsel volgt dat [slachtoffer] onder meer een wond op het achterhoofd en diverse blauwe plekken op haar hoofd, in haar gezicht en op diverse plekken van haar lichaam heeft opgelopen door het slaan en schoppen door de verdachte.
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft getrapt terwijl hij slippers droeg. [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op een gegeven moment op de grond lag en zag en voelde dat de verdachte haar hard begon te trappen en dat zij wist dat hij sneakers droeg. Daarnaast verklaarde zij dat de verdachte haar vaak heeft geschopt op haar lijf en hoofd. Bij de rechter-commissaris verklaarde [slachtoffer] vervolgens dat het op een gegeven moment zwart werd voor haar ogen, dat zij op de grond lag toen zij bij kwam en dat zij op dat moment werd geschopt. Ze wist niet of de verdachte schoenen droeg en ze verklaarde dat zij in haar aangifte heeft verklaard wat anderen daarover hadden verklaard.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte op 18 juni 2022 te Oss zijn ex-partner [slachtoffer] meermalen met de voet en met kracht tegen het hoofd heeft geschopt terwijl zij op de grond lag. Het hof kan echter niet vaststellen of de verdachte daarbij slippers of sneakers droeg en of de verdachte zodanig hard en vaak tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt dat er een aanmerkelijke kans bestond dat zij hierdoor zou komen te overlijden. Het hof acht daarom de onder feit 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij omstreeks 18 juni 2022 te Oss aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote snijwond op het voorhoofd, heeft toegebracht door met een keukenmes op het voorhoofd van voornoemde [slachtoffer] te snijden;
2.hij omstreeks 18 juni 2022 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met de voet en met kracht tegen het hoofd heeft geschopt terwijl voornoemde [slachtoffer] weerloos op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op tijdstippen op of omstreeks 11 juni 2022 te Oss [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] via whatsapp-berichten dreigend de woorden toe te voegen “binnenkort stamp ik jouw nog eenmaal goed in mekaar maar deze keer echt goed als definitief afscheid” en “jouw kop ga ik helemaal verbouwen vieze kanker duivel” en “ik ga graag een half jaar zitten voor de mishandeling die ik jouw als laatste ga geven. Deze mishandeling zal alles overtreffen. Jouw hoofd ga ik dusdanig beschadigen dat je er voor altijd last van zal hebben” en “ik ga jouw gezicht opensnijden. Zo ernstig dat je jezelf op den duur van kant gaat maken. Niet dodelijk maar extreem verminkt. Ik ga wel een paar jaar zitten geen probleem.” en “Een mes in beide ogen ga ik bij jouw doen.” en “Heel Oss noemt jouw straks scareface, of ik maak jouw gewoon dood. Ik heb scheit”.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, zaakregistratienummer PL2100-2022129636, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 3 augustus 2022, doorgenummerde dossierpagina’s 1-216, alsmede het proces-verbaal aanvulling einddossier, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en gesloten d.d. 2 november 2022, doorgenummerde dossierpagina’s 1-150, beide bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 juni 2022, dossierpagina’s 11-12, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: Oss
Ik doe aangifte van zware mishandeling gepleegd door mijn ex-partner [verdachte] .
Op 11 juni 2022 heeft hij
[het hof begrijpt: [verdachte] ]mij bedreigd via WhatsApp. Hij zei dat hij mijn gezicht zou gaan opensnijden en ik als Scarface door het leven zou gaan. 5 printscreens van dit gesprek zal ik bijvoegen.
Op 17 juni 2022 omstreeks 24:00 uur zat ik in de voortuin. Ik zag dat [verdachte] aan kwam rijden, uitstapte en naar mij toe kwam lopen. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: “Nu naar binnen!” Ik hoorde dat hij dit op een boze toon zei en ik zag dat hij ook opgefokt was. Ik ben met hem de woning in gelopen. Ik zag dat [verdachte] helemaal doordraaide en een mes in zijn rechterhand beet had. Ik zag dat dit een zilverkleurig keukenmes was waarmee je groente en/of vlees kan snijden. Ik herkende het niet als een mes uit mijn woning. Ik zag dat [verdachte] het mes op mijn keel zette en tegen mij begon te schreeuwen. Op een gegeven moment lag ik op de grond. Ik zag en voelde dat hij mij hard begon te trappen. Ik weet niet hoe vaak hij mij heeft geschopt, maar dit is wel vaak geweest. Ik probeerde mijn hoofd te beschermen door mijn armen voor mijn gezicht te brengen. Ik voelde dat hij mij op mijn lijf en hoofd trapte. Iedere trap deed veel pijn. Tussen het trappen door stopte hij hier ook even mee en begon dan weer iets tegen mij te schreeuwen. Na enige tijd zag ik dat [verdachte] mijn woning verliet.
Ik zag dat mijn kleding die ik droeg en de keuken helemaal onder het bloed zaten. Toen ik in de spiegel keek zag ik dat er een grote snee zat in mijn voorhoofd. Volgens de dokter is deze snee veroorzaakt door een snijwond. Op mijn achterhoofd zat ook een snee die is gehecht. Volgens de dokter is deze snee veroorzaakt door een trap. Ik heb ook diverse blauwe plekken opgelopen in mijn gezicht. Ook op de rest van mijn lijf heb ik diverse blauwe plekken opgelopen.
2.
Het schriftelijk bescheid, te weten printscreens van een WhatsApp-gesprek d.d. 11 juni 2022, dossierpagina’s 18-22, opgenomen als bijlagen bij de aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende:
Als de tijd rijp is pak ik één voor één jouw kankerfamilie onthoud dat goed!
Binnenkort stamp ik jouw nog eenmaal goed in mekaar maar deze keer echt goed als definitief afscheid!
Jouw kop ga ik helemaal verbouwen vieze kanker duivel.
Ik ga graag een halfjaar zitten voor de mishandeling die ik jouw als laatste ga geven. Deze mishandeling zal alles overtreffen. Jouw hoofd ga ik dusdanig beschadigen datje er voor altijd last van zal hebben! Ik geef er niks meer om maar jouw pak ik. Hoerenkind!
Ik ga jullie allemaal pakken. Ik weet dat ik dat ga doen! (…) ik pak jullie allemaal één voor één!!!
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook.
Maar ik begin met jouw!!! Jij bent de eerste.
Ik ga heel jouw gezicht opensnijden! Zo ernstig dat je jezelf op den duur van kant gaat maken. Niet dodelijk maar extreem verminkt! Ik ga wel paar jaar zitten geen probleem.
Kankerduivel!
Een mes in beide ogen ga ik bij jouw doen. De ultieme straf!!!
100 procent blindheid dat verdien jij!!
Heel snel zul je weten wat ik met jouw ga doen. Ik weet dat woorden jouw geen pijn doen maar straks als het zover is wil ik dat je nu vast weet ‘hij zei het nog’.
Ik ga ervoor zorgen dat jouw jij en je moeder en oma voor de rest van hun leven gestrest zijn door hetgeen wat ik jouw aan ga doen! Ik zal lachen in de gevangenis want zo ben ik.
Heel Oss noemt jouw straks ‘scareface’.
Of ik maak jouw gewoon dood.
Ik heb scheit.
3.
Het schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage forensische geneeskundige GGD Brabant ZuidOost d.d. 24 juni 2022 betreffende [slachtoffer] , ondertekend door forensisch arts [deskundige 1] , dossierpagina’s 6-22 van het proces-verbaal aanvulling einddossier, voor zover inhoudende:
p. 6:
Datum incident 18-06-2022 omstreeks 00:00.
Gemelde toedracht: haar ex kwam bij haar aan de deur en heeft haar mishandeld.
Geslagen en geschopt en met mes op haar voorhoofd gesneden.
Zorgverlener: huisarts
Gemelde behandeling/toelichting: is naar de huisartsenpost in [plaats 1] gegaan: “Daar hebben ze de snee in mijn voorhoofd gehecht. Volgens de dokter is deze snee veroorzaakt door een snijwond. Verder is er een CT-scan gemaakt van mijn hoofd en nek omdat ik diverse klappen en/of trappen tegen mijn hoofd heb gehad. Ik heb ook diverse blauwe plekken opgelopen in mijn gezicht. Ook op de rest van mijn lijf heb ik diverse blauwe plekken opgelopen.”
p. 8:
Lichaamsdeel: hoofd.
Beschrijving: Dwars op het voorhoofd is een snijwond zichtbaar, met wijkende wondranden (foto uit het ziekenhuis aangeleverd door de politie). De wond heeft een lengte van ongeveer 6 cm. Op de foto uit het ziekenhuis is het gelaat met bloed bedekt.
Soort: snijwond.
Gemelde toedracht: met een mes op het voorhoofd gesneden.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 9:
Lichaamsdeel: rug.
Beschrijving: Links op de rug, deel over het schouderblad links, is een grote geelbruine huidverkleuring zichtbaar, ruwweg ovaal met een gedeeltelijke centrale uitsparing. Binnen in deze huidverkleuring is een wond zichtbaar, met gestold bloed, een barstwond.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht bij letsel: mevrouw heeft klappen en schoppen tegen haar lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 10:
Lichaamsdeel: rug.
Beschrijving: aan de rechterzijde van de rug zien we verschillende bloeduitstortingen.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht bij letsel: mevrouw heeft klappen en schoppen tegen haar lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 11:
Lichaamsdeel: rug.
Beschrijving: op de rug, bij het schoudergewricht cq kop van de rechterarm, zien we een ovale roodbruine huidverkleuring van ongeveer 6 x 8 cm. Binnen deze huidverkleuring zien we een horizontaal lopende, streepvormige gedeeltelijk genezen wond met een lengte van ongeveer 4 cm. Op foto’s van het ziekenhuis zien we dat de wond nog open is, waarschijnlijk een schaafwond.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht bij letsel: mevrouw heeft klappen en schoppen tegen haar lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 15:
Lichaamsdeel: linkerarm.
Beschrijving: aan de buitenzijde van de linker bovenarm zien we drie ovale rood-bruine huidverkleuringen, boven elkaar gerangschikt. De huidverkleuringen hebben elk een grootte van ongeveer 4 x 2 cm.
Soort: bloeduitstorting.
p. 16:
Lichaamsdeel: linkerarm.
Beschrijving: aan de binnenzijde (buigzijde) van de onderarm zien we allereerst de restanten van een gewiste tattoo, en daar onder een grote, ovale, paarsbruine huidverkleuring, met een grootte van ongeveer 5 x 7 cm.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht bij letsel: mevrouw heeft klappen en schoppen tegen haar lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 17:
Lichaamsdeel: rechterarm
Beschrijving: aan de buitenzijde van de bovenarm, bij de schouder, zien we drie boven elkaar gerangschikte ronde rood-bruine huidverkleuringen, met een grootte van ongeveer 1 x 1 cm.
Soort: bloeduitstorting.
p. 19:
Lichaamsdeel: hoofd.
Beschrijving: net boven het linkeroog, binnen de oogkas, een paarse ovale huidverkleuring, geel omzoomd, ongeveer 1 x 0,5 cm.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht: mevrouw heeft klappen en trappen op het lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 20:
Lichaamsdeel: hoofd.
Beschrijving: aan de rechterzijde van het gelaat, bij de buitenste rechterooghoek, bij de haargrens, een bruine huidverkleuring van ongeveer 1 x 0,5 cm.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht: mevrouw heeft klappen en trappen op het lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
p. 21:
Lichaamsdeel: hoofd.
Beschrijving: op de oorschelp van het rechteroor. Ongeveer op de 8 uur positie ten opzichte van de gehoorgang, een paarsbruine huidverkleuring op de oorschelp.
Soort: bloeduitstorting.
Gemelde toedracht: mevrouw heeft klappen en trappen op het lichaam gekregen.
Past gemelde toedracht bij letsel: zeer goed.
4.
Het schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage forensische geneeskundige GGD Brabant ZuidOost d.d. 1 februari 2023 betreffende [slachtoffer] , ondertekend door forensisch arts [deskundige 1] , los opgenomen, pagina 18, voor zover inhoudende:
Lichaamsdeel: hoofd.
Beschrijving: gehechte wond op de behaarde hoofdhuid: op de behaarde hoofdhuid, aan de achterzijde van het hoofd, is een verwonding zichtbaar, die met een enkele hechting is gehecht.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2022, dossierpagina 53, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 18 juni 2022 was ik in de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] vanwege een doorzoeking met de rechter-commissaris. Nadat de zoeking was geopend trof ik in een hoge witte kast in de hal van de woning een zilverkleurig mes. Dit mes was ongeveer 30 cm lang en had een smal lang lemmet. Het handvat was eveneens zilverkleurig. Het mes leek niet op zijn plaats in deze kast in de hal van de woning. Dit mes is door collega [verbalisant 4] veiliggesteld: SIN-nummer AAOL1983NL.
6.
Het proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 1 september 2022, dossierpagina’s 23-27 van het proces-verbaal aanvulling einddossier, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
In verband met een onderzoek naar zware mishandeling te Oss werd op verzoek van de Eenheid Oost-Brabant door ons forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager:
Goednummer: PL2100-2022128052-1945565
SIN: AAOL1983NL
Object: Mes
Kleur: Zilverkleurig

Veiliggestelde sporen

SIN: AAOM6511NL
Relatie met SIN: AAOL1983NL
Plaats veiligstellen: Op bloed gelijkend achterkant heft
SIN: AAOM6509NL
Relatie met SIN: AAOL1983NL
Plaats veiligstellen: Bloed op heft, links, 3 cm vanaf lemmet en 1 cm bovenrand
7.
Het schriftelijk bescheid, te weten het rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident in Oss op 18 juni 2022, dossierpagina’s 31-34 van het proces-verbaal aanvulling einddossier, opgemaakt door dr. [deskundige 2] d.d. 18 oktober 2022, voor zover inhoudende:
Politie Eenheid Oost-Brabant heeft verzocht de vijf door hen aangeleverde bemonsteringen te onderwerpen aan een DNA-onderzoek. Tevens is verzocht om de DNA profielen van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] te betrekken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of de bemonsteringen DNA bevatten en, zo ja, van wie dat DNA afkomstig kan zijn.
AAOM6509NL#01: bloed op heft, links, 3 cm vanaf lemmet en 1 cm bovenrand.
DNA kan afkomstig zijn van één vrouw, [slachtoffer] . Bewijskracht meer dan 1 miljard.
AAOM6511NL#01: op bloed gelijkend achterkant heft.
DNA kan afkomstig zijn van één vrouw, [slachtoffer] . Bewijskracht meer dan 1 miljard.
8.
Het schriftelijk bescheid, te weten het Forensisch geneeskundig onderzoek herzien rapport d.d. 6 juni 2024 van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door forensisch arts KNMG dr. [deskundige 3] , los opgenomen, voor zover inhoudende:
Het ontvangen fotomateriaal bestaat uit 21 foto’s, waarop een vrouw met meerdere letsels zichtbaar is. Op drie foto’s (‘DSC_0045’, ‘DSC_0047’ en ‘foto 1’), is een huidbeschadiging aan het voorhoofd zichtbaar.
‘Foto 1’ betreft een portretopname van de vrouw. Het gelaat is bedekt met een op bloed gelijkende substantie. Deze foto is tevens opgenomen in de letselrapportage en betreft waarschijnlijk de ‘foto uit het ziekenhuis aangeleverd door de politie’, oftewel van kort na het incident. Midden op het voorhoofd, circa 2 cm onder de haargrens is een naar schatting circa 5 cm lange boogvormige huidbeschadiging zichtbaar, met (naar schatting) circa 1 cm uiteenwijkende wondranden. Beide wondhoeken lijken scherp.
‘DSC_0045’ en ‘DSC_0047’ (tevens opgenomen in de letselrapportage) betreffen foto’s die volgens de metadata vervaardigd zijn op 20 juni 2022, oftewel twee dagen na het incident. De verwonding is op dit fotomateriaal voorzien van 8 chirurgische hechtdraden en heeft een lengte van circa 5 cm. In de omgeving van de verwonding is donkere, op gestold bloed gelijkende substantie zichtbaar.
Beantwoording vraagstelling
Hoe waarschijnlijk is het bij aangeefster geconstateerde letsel op het voorhoofd onder de volgende hypothesen:
Hypothese 1: De verwonding op het voorhoofd van aangeefster is veroorzaakt door met een keukenmes in/over/op het (voor)hoofd te snijden of te steken;
Hypothese 2: De verwonding op het voorhoofd van aangeefster is veroorzaakt door een val tegen een op 40 cm hoogte uitstekende schroef in een deurkozijn.
Het aantreffen van de huidbeschadiging aan het voorhoofd is iets waarschijnlijker onder een hypothese van scherprandig geweld zoals snijden met een mes, dan onder een hypothese van bewegen met en/of langs een (puntige en/of kantige) uitstekende schroef in een deurkozijn.
9.
Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik ben naar [slachtoffer] gegaan en met [slachtoffer] naar binnen gegaan. Ik sloeg haar. Ik heb haar wel hard geslagen, want ik had twee vingers gebroken. Ze is toen gevallen. Ik heb haar geschopt.
De voorzitter houdt mij de berichten voor die ik naar [slachtoffer] heb gestuurd en die in de tenlastelegging staan. Ik heb die berichten gestuurd.
10.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 juli 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb haar niet op mijn hardst getrapt, maar het was ook niet zacht. Het klopt dat ik haar heb geslagen en een gebroken vinger had. Ik heb haar geslagen, ik denk tegen haar hoofd. Ik heb haar hard geslagen. Ze viel op de grond. Ik heb haar ook een paar keer getrapt. Ik denk op de plekken waar het letsel is.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1, het onder feit 2 impliciet subsidiair en het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op grond van de aangifte, printscreens van het WhatsApp-gesprek van 11 juni 2022, het aangetroffen mes in de woning van de verdachte en het DNA daarop van aangeefster, de letselrapportage van forensisch arts dr. [deskundige 1] , het letselonderzoek van het NFI en de verklaringen van de verdachte inhoudende dat hij de WhatsApp-berichten heeft gestuurd en aangeefster heeft geslagen en getrapt. Uit de WhatsApp-berichten en de wijze van handelen op de dag zelf volgt voldoende dat de verdachte handelde volgens een plan. Aldus was er sprake van voorbedachten rade ten aanzien van feit 1. Daarbij acht de advocaat-generaal de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar, nu zij steeds consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Het alternatieve scenario van de verdachte moet volgens de advocaat-generaal kritisch worden beschouwd, gelet op zijn wisselende verklaringen en het moment waarop hij hierover heeft verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde bepleit.
Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde is bepleit dat de verdachte aangeefster niet met een mes in het voorhoofd heeft gesneden en dat daarbij ook geen sprake is geweest van voorbedachten rade. Het idee van het mes is uit de conclusies van het ziekenhuis ontstaan. De verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat aangeefster is gevallen waarbij haar hoofd vermoedelijk tegen een schroef is gevallen, waardoor het letsel op haar voorhoofd is ontstaan. Het onderzoek is onvoldoende geweest omdat het scenario van de verdachte niet werd onderzocht, waardoor de waarheidsvinding onherstelbaar is gehinderd. Daarbij is geen sprake geweest van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het alternatieve scenario van de verdachte vindt steun in de verklaringen van de verdachte, het nadere forensisch geneeskundige onderzoek en de verklaringen van anderen, waaronder aangeefster en getuige [getuige] . Indien het hof evenwel tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde zou komen, heeft de verdediging verzocht deskundige [deskundige 1] , forensisch arts, als getuige te horen.
Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde is bepleit dat de berichten die de verdachte heeft gestuurd geen reële en werkelijk authentieke dreiging, dan wel een reële en/of werkelijke beleving/angst daarvan bij aangeefster teweeg hebben gebracht. Daarbij wijst de raadsman op de context van de gehele communicatie, waaronder de omstandigheid dat zij na de betreffende berichten beiden zijn doorgegaan met het bespreken van onder andere hun seksuele relatie en zij daarbij heel expliciet en intiem zijn.
Het oordeel van het hof
Feit 1
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte in de nacht van 18 juni 2022 naar de woning van zijn ex-partner [slachtoffer] is gereden. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar begon te schreeuwen, dat ze naar binnen moest, dat hij een keukenmes in zijn hand had dat zij niet herkende als een mes uit haar keuken en dat de verdachte het mes op haar keel heeft gezet. De verdachte heeft [slachtoffer] geslagen, waarna zij op de grond terecht is gekomen, en heeft haar op de grond meermalen hard getrapt. Nadat de verdachte de woning van [slachtoffer] verliet, zag [slachtoffer] dat de kleding die zij droeg en haar keuken onder het bloed zaten. Toen zij in de spiegel keek, zag zij dat er een grote snee op haar voorhoofd zat. Volgens de dokter was de snee veroorzaakt door een snijwond.
Uit de letselbeschrijving van de forensisch arts dr. [deskundige 1] in zijn rapport van 24 juni 2022 volgt dat [slachtoffer] een snijwond met een lengte van ongeveer zes centimeter dwars op haar voorhoofd heeft opgelopen, waarvan de gemelde toedracht is dat er met een mes over haar voorhoofd is gesneden, hetgeen volgens dr. [deskundige 1] zeer goed bij het letsel past. [slachtoffer] verklaarde in haar aangifte dat het om een zilverkleurig keukenmes ging, welk mes later bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 18 juni 2022 is aangetroffen in een hoge kast in de hal. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat er bloed van [slachtoffer] op het mes is aangetroffen.
Uit het NFI-rapport van 6 juni 2024 volgt dat het aantreffen van de huidbeschadiging aan het voorhoofd iets waarschijnlijker is onder een hypothese van scherprandig geweld zoals snijden met een mes, dan onder een hypothese van bewegen met en/of langs een (puntige en/of kantige) uitstekende schroef in een deurkozijn.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte een keukenmes heeft meegebracht naar de woning van [slachtoffer] , dat hij haar met dit mes heeft bedreigd en het mes op haar keel heeft gezet en dat hij [slachtoffer] met dit mes op haar voorhoofd heeft gesneden. Het hof acht de verklaring van [slachtoffer] hieromtrent betrouwbaar, nu de verklaringen die zij bij de politie en bij de rechter-commissaris heeft afgelegd consistent zijn. Zij heeft telkens verklaard dat zij niet wist hoe zij aan de wond op haar voorhoofd kwam, maar dat de dokter tegen haar heeft gezegd dat het een snijwond was. Dat zij ook heeft verklaard dat ze zich niet kan herinneren dat de verdachte haar met een mes op haar voorhoofd heeft gesneden, kan naar het oordeel van het hof verklaard worden in de beangstigende omstandigheden waarin zij verkeerde en dat zij terwijl zij op de grond lag zich met haar armen voor haar gezicht heeft geprobeerd te verweren tegen de harde klappen en trappen. Bovendien wordt haar verklaring ondersteund door de overige bewijsmiddelen.
Het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat de verwonding op het voorhoofd van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat zij is gevallen tegen een op 40 centimeter hoogte uitstekende schroef in een deurkozijn, acht het hof niet aannemelijk geworden. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte diverse verklaringen heeft afgelegd over de oorzaak van de wond op het voorhoofd van [slachtoffer] . Zo verklaarde hij in zijn politieverhoor op 18 juni 2022 dat hij zich kon herinneren dat [slachtoffer] was gevallen en dacht dat dit tegen een hondenkist was met haar hoofd. Vervolgens verklaarde hij in zijn politieverhoor op 20 juni 2022 dat [slachtoffer] tegen de voorkant van de hondenbak was gevallen. Pas ter terechtzitting bij de rechtbank op 16 februari 2023 verklaarde de verdachte dat [slachtoffer] naast het barretje viel, dat daar schroeven uitsteken en dat ze daar tegenaan is gevallen. Tijdens de regiezitting bij het hof op 31 oktober 2023 verklaarde de verdachte dat het letsel is ontstaan door een schroef op 40 centimeter hoogte in het deurkozijn van een doorgang van de keuken naar de woonkamer. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus niet consistent heeft verklaard over de oorzaak van het letsel bij [slachtoffer] . Het alternatieve scenario van de verdachte past daarnaast niet bij de verklaring van [slachtoffer] inhoudende dat zij met haar rug tegen de deur aanstond toen de verdachte het mes tegen haar keel drukte (verklaring [slachtoffer] bij de rechter-commissaris) en de door haar gemaakte foto van de keuken waar het incident heeft plaatsgevonden (dossierpagina 30). Daarbij merkt het hof op dat [slachtoffer] een foto van de bebloede plaats in haar keuken heeft gemaakt en zij er geen belang bij heeft gehad om het deurkozijn waarover de verdachte heeft verklaard bewust niet te fotograferen. Voorts blijkt uit het in hoger beroep nader verricht forensisch geneeskundig onderzoek door forensisch arts dr. [deskundige 3] dat het aantreffen van de huidbeschadiging aan het voorhoofd iets waarschijnlijker is onder een hypothese van scherprandig geweld zoals snijden met een mes, dan onder een hypothese van bewegen met en/of langs een (puntige en/of kantige) uitstekende schroef in een deurkozijn. Het alternatieve scenario van de verdachte vindt derhalve onvoldoende steun in het nader onderzoek.
Daarnaast overweegt het hof dat de verdachte tevens verschillende verklaringen heeft afgelegd over de reden waarom hij een keukenmes in een hoge kast in de hal van zijn woning heeft bewaard. Zo verklaarde hij ter terechtzitting bij de rechtbank op 16 februari 2023 dat het mes daar pas anderhalve week lag ter beveiliging voor zijn hennepkwekerij, terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde dat hij het mes na het incident met [slachtoffer] uit de keuken had gepakt en in de kast had gelegd ter beveiliging voor zichzelf voor een eventueel bezoek van [betrokkene 2] , de man waar [slachtoffer] volgens de verdachte mee vreemd was geweest. Het hof overweegt daaromtrent dat uit het politiedossier volgt dat het niet [betrokkene 2] was die de verdachte zou hebben bedreigd, maar dat het juist de verdachte is geweest die [betrokkene 2] bedreigde met het bericht “Jij gaat er aan vriend” (dossierpagina 78). Gelet daarop acht het hof de verklaring van de verdachte over de reden dat hij een keukenmes bewaarde op een opvallende plek, namelijk in een hoge kast in zijn hal, ook niet aannemelijk geworden. De verklaring van de verdachte dat het DNA van [slachtoffer] op het mes is aangetroffen doordat hij mogelijk bloed van [slachtoffer] op zijn handen had toen hij het mes in de hal legde, acht het hof gelet op de gebezigde bewijsmiddelen evenmin aannemelijk geworden.
Het hof stelt voorts vast dat de snijwond op het voorhoofd van [slachtoffer] is gehecht en zal leiden/heeft geleid tot een blijvend en ontsierend litteken in het gelaat van [slachtoffer] . Gelet op de aard van het letsel, de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het gelaat van [slachtoffer] ontsiert, is het hof van oordeel dat dit kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Ten slotte ziet het hof zich nog voor de vraag gesteld of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verdachte zich bewust is geweest van de betekenis en de gevolgen van zijn daad. Immers blijkt uit de WhatsApp-berichten van 11 juni 2022 dat hij zich had voorgenomen [slachtoffer] ernstig ontsierend letsel toe te brengen en dat hij wist wat dergelijk letsel teweeg zou kunnen brengen. De verdachte heeft ook de tijd gehad om zich te beraden. Tussen het voornemen en de daad zit een tijdsspanne van maar liefst zeven dagen. Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld, nu hij heeft gehandeld uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling op 18 juni 2022 die werd veroorzaakt door het kennisnemen van de berichten tussen [slachtoffer] en haar (ex-)zwager [betrokkene 2] , gaat naar het oordeel van het hof niet op. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin geen tijd was om zich te kunnen beraden op het besluit. Uit de WhatsApp-berichten blijkt immers ontegenzeggelijk dat de verdachte zich al op 11 juni 2022, zeven dagen voor het tenlastegelegde, had voorgenomen om [slachtoffer] ontsierend letsel toe te brengen. Daarnaast is de verdachte na het zien van de berichten in de auto gestapt en naar [slachtoffer] toegereden, uitgestapt en naar de woning van [slachtoffer] gelopen en samen met haar de woning ingegaan, terwijl hij een mes uit zijn woning had meegenomen. Op elk van deze momenten had de verdachte zich kunnen beraden over het genomen besluit, te meer gezien de omstandigheid dat de verdachte kennelijk al besefte wat de betekenis en de gevolgen van zijn handelen zouden zijn. Immers stuurde de verdachte voordat hij naar [slachtoffer] reed naar haar zus op 17 juni 2022 om 23.47 uur het bericht: “Ik ben hard aan het janken nu voor hetgeen ik ga doen” (dossierpagina 43), hetgeen het hof sterkt in de overtuiging dat hij zich bewust was van het door hem genomen besluit.
Gelet op het vorenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte omstreeks 18 juni 2022 te Oss aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten raad zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote snijwond op het voorhoofd, heeft toegebracht door met een keukenmes op het voorhoofd van [slachtoffer] te snijden.
Voorwaardelijk verzoek
Indien het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde zou komen, heeft de verdediging verzocht deskundige dr. [deskundige 1] , forensisch arts, als getuige te horen. De raadsman heeft in dat kader aangevoerd dat de verdediging de betrouwbaarheid van de door dr. [deskundige 1] gedane vaststelling met een belastende strekking wenst te onderzoeken. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 18 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1711). De verdediging betwist de vaststelling van dr. [deskundige 1] dat er sprake is van een snijwond en dat het zeer goed kan dat het letsel op het voorhoofd van [slachtoffer] is ontstaan doordat er met een mes op het voorhoofd is gesneden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt vast dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM Pro het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om de betrouwbaarheid te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Een verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Wel zal de verdediging moeten benoemen welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast moet worden toegelicht waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen.
Door dr. [deskundige 1] , forensisch arts, is op 24 juni 2022 en op 1 februari 2023 een letselrapportage opgesteld met betrekking tot het letsel dat [slachtoffer] had opgelopen tijdens het incident op 18 juni 2022. In de rapportage is onder de ‘gemelde behandeling/toelichting’ opgenomen dat de snee in het voorhoofd van [slachtoffer] is gehecht en dat volgens de dokter van de huisartsenpost van het ziekenhuis de snee is veroorzaakt door een snijwond (pagina 6 van het proces-verbaal aanvulling einddossier). Vervolgens heeft dr. [deskundige 1] het letsel op het voorhoofd van [slachtoffer] onderzocht. Volgens dr. [deskundige 1] past de door [slachtoffer] gemelde toedracht ‘met een mes op het voorhoofd gesneden’ zeer goed bij het letsel. Daarbij is tevens vermeld dat ‘alternatieve scenario’s betreffende de toedracht zijn daarmee niet uitgesloten’ (pagina 8 van het proces-verbaal aanvulling einddossier). Dr. [deskundige 1] heeft dan ook niet de conclusie getrokken dat de snijwond op het voorhoofd van [slachtoffer] is veroorzaakt door een mes.
Het hof overweegt voorts dat er gedurende het hoger beroep op verzoek van de verdediging nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de toedracht van de snee in het voorhoofd van [slachtoffer] . In dat kader heeft forensisch arts dr. [deskundige 3] in het Forensisch geneeskundig onderzoek Herzien rapport d.d. 6 juni 2024 het letsel bij [slachtoffer] aan de hand van foto’s beschreven en onderzocht. Daaruit is geconcludeerd dat het aantreffen van de huidbeschadiging aan het voorhoofd iets waarschijnlijker is onder een hypothese van scherprandig geweld zoals snijden met een mes, dan onder een hypothese van bewegen met en/of langs een (puntige en/of kantige) uitstekende schroef in een deurkozijn.
Zoals het hof reeds heeft overwogen, is – gelet op deze vaststellingen ten aanzien van het letsel in het voorhoofd van [slachtoffer] , in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte een keukenmes heeft meegebracht naar de woning van [slachtoffer] alsook de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen – het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat de verwonding op het voorhoofd van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat zij is gevallen tegen een op 40 centimeter hoogte uitstekende schroef in een deurkozijn, niet aannemelijk geworden.
Mede in aanmerking genomen dat er gedurende het hoger beroep op verzoek van de verdediging nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar het letsel op het voorhoofd bij [slachtoffer] , waardoor de vaststellingen van deskundige dr. [deskundige 1] op andere wijze getoetst konden worden, is het hof van oordeel dat de procedure, ook zonder dat de verdediging de gelegenheid is geboden dr. [deskundige 1] te doen horen, in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
In het licht van het vorenoverwogene acht het hof het horen van deskundige dr. [deskundige 1] niet noodzakelijk en zal het voorwaardelijk verzoek van de verdediging aldus worden afgewezen.
Feit 2
Zoals eerder onder ‘Vrijspraak van de onder feit 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag’ is overwogen, stelt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 18 juni 2022 te Oss zijn ex-partner [slachtoffer] meermalen met de voet en met kracht tegen het hoofd heeft geschopt terwijl zij weerloos op de grond lag. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of deze gedraging strafrechtelijk kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.
Het hof overweegt dat het meermalen met kracht schoppen door de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. Immers heeft de verdachte [slachtoffer] meermalen hard tegen het hoofd geschopt terwijl zij weerloos op de grond lag waarbij zij allerlei verwondingen heeft opgelopen. De verdachte heeft door die handelwijze minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermalen met kracht schoppen tegen een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd zwaar lichamelijk letsel teweeg kan brengen. Dat dit letsel zich niet daadwerkelijk heeft voorgedaan en dat het daarom bij een poging is gebleven, doet daar niet aan af.
Feit 3
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op tijdstippen op of omstreeks 11 juni 2022 naar [slachtoffer] diverse WhatsApp-berichten heeft gestuurd met daarin de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen, te weten:
“binnenkort stamp ik jouw nog eenmaal goed in mekaar maar deze keer echt goed als definitief afscheid”,
“jouw kop ga ik helemaal verbouwen vieze kanker duivel”,
“ik ga graag een half jaar zitten voor de mishandeling die ik jouw als laatste ga geven. Deze mishandeling zal alles overtreffen. Jouw hoofd ga ik dusdanig beschadigen dat je er voor altijd last van zal hebben”,
“ik ga jouw gezicht opensnijden. Zo ernstig dat je jezelf op den duur van kant gaat maken. Niet dodelijk maar extreem verminkt. Ik ga wel een paar jaar zitten geen probleem.”,
“Een mes in beide ogen ga ik bij jouw doen.”en
“Heel Oss noemt jouw straks scareface, of ik maak jouw gewoon dood. Ik heb scheit.”
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangeefster [slachtoffer] .
Het hof stelt voorop dat, naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, voor een veroordeling van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
Niet vereist is dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het ten uitvoer leggen van de bedreiging, bijvoorbeeld op het daadwerkelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel indien bedreiging met zware mishandeling is ten laste gelegd (HR 5 november 2013, ECLI:NL:2013:1106). Evenmin is vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk vrees voor de aantasting van de persoonlijke vrijheid is ontstaan. Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen (HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309). De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het enkele feit dat de bedreigde deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd voelt, wil nog niet zeggen dat die vrees ook redelijk is (HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096). Het zich bedreigd voelen door de bedreigde moet dus ook door de rechter redelijkerwijs voorstelbaar worden geacht.
In het licht van bovenstaande vooropstelling is het hof van oordeel dat de door de verdachte gestuurde bewoordingen op zichzelf en objectief bezien zonder meer dreigend van aard zijn en geschikt zijn om in de gegeven omstandigheden bij [slachtoffer] vorenbedoelde redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen dan wel dat zij door de verdachte zwaar mishandeld zou worden. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte – zo blijkt uit de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – [slachtoffer] al eerder in december 2021 heeft mishandeld door haar op haar hoofd te slaan, waarna hij in beide handen iets had gebroken. Ook de zus van aangeefster, [betrokkene 1] , heeft bij de politie verklaard dat de verdachte iedere week het leven van haar zus [slachtoffer] kapot maakt, dat haar zus bang is om aangifte te doen en dat haar zus erg bang is dat ze wordt vermoord of dat er iets met de familie gebeurt (dossierpagina 43). De enkele omstandigheid dat de verdachte en [slachtoffer] de volgende dag met elkaar gesprekken hebben over alledaagse onderwerpen en dat zij tevens seksueel getinte berichten naar elkaar sturen, doet aan de aard en context van de berichten die de verdachte op 11 juni 2022 heeft gestuurd niet af.
In de gegeven omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof opzet gehad op het daadwerkelijk op de hoogte raken van de bedreiging door [slachtoffer] als op het ontstaan van de redelijke vrees bij [slachtoffer] dat zij het leven zou kunnen verliezen dan wel dat zij door de verdachte zwaar mishandeld zou worden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met het sturen van deze WhatsApp-berichten zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer] .
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
de eendaadse samenloop van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade en poging tot zware mishandeling.
Het onder feit 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Op grond van de hierna onder het kopje ‘Op te leggen sancties’ weergegeven bevindingen en conclusies van onder meer de deskundigen [deskundige 4] , GZ-psycholoog, [deskundige 5] , eveneens GZ-psycholoog en [deskundige 6] , psychiater, is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de op te leggen sancties.
Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sancties
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft – zakelijk weergegeven – gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal opleggen. De advocaat-generaal heeft voorts het hof verzocht aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v WvS op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 5 jaren en te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat de verdachte het verbod overtreedt. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, indien het hof niet overgaat tot oplegging van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege maar oordeelt dat een tbs met voorwaarden passend is, het hof aan de verdachte tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z WvS zal opleggen. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur de reeds ondergane detentie overschrijdt. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn consequenties dient te hebben bij de strafbepaling. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht aan de verdachte geen tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen, maar aan hem een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. De verdachte is bereid in het kader van een mogelijke straf en/of maatregel mee te werken aan een ambulante behandeling en is tevens bereid zich aan een contactverbod te houden, indien nodig via elektronische monitoring.
Ten slotte heeft de raadsman het hof verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen gelet op het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Op te leggen straf
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachten rade door met een mes over het voorhoofd van het zijn ex-partner [slachtoffer] te snijden en daarbij een snijwond van ongeveer 6 centimeter te veroorzaken. Deze snijwond heeft tot een ontsierend litteken op het voorhoofd geleid. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer] met kracht meermalen tegen het hoofd te schoppen, terwijl zij weerloos op de grond lag. Ook heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer] met de dood en met zwaar lichamelijk letsel.
Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Het gewelddadig karakter van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om zwaar geweld te gebruiken. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die de advocate van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen, volgt tevens dat de zware mishandeling en de bedreigingen een grote impact op haar en haar kinderen hebben gehad. Zij ondervinden nog steeds dagelijks de gevolgen van het handelen van de verdachte. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. De verdachte is daarbij – weliswaar lang geleden – onherroepelijk voor ernstige geweldsdelicten veroordeeld.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelt het hof voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, moet de zaak telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 18 juni 2022 in verzekering is gesteld en dat hij sindsdien in voorarrest zit. Namens de verdachte en door de officier van justitie is op 15 maart 2023 hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof heden (op 29 juli 2026) – en derhalve niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Aldus is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 24 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de passend en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal matigen met in totaal zes maanden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
Op te leggen maatregelen
De maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het WvS gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel die behoort tot een van de misdrijven omschreven in artikel 37a, eerste lid, onder 2 van het WvS. Voorts dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het WvS). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, van het WvS).
In dat kader heeft het hof kennisgenomen van de volgende de verdachte betreffende rapportages:
het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 7 oktober 2022, opgesteld door [deskundige 7] , klinisch psycholoog;
de pro Justitia rapportage, locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van 4 juni 2024, opgesteld door [deskundige 8] , klinisch neuropsycholoog, [deskundige 9] , psychiater, en [deskundige 10] , GZ-psycholoog;
de pro Justitia rapportage, locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van 20 april 2026, opgesteld door [deskundige 4] en [deskundige 5] , GZ-psychologen, en [deskundige 6] , psychiater.
Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 7 oktober 2022 komt – voor zover hier relevant – als conclusie het volgende naar voren:
“Er is bij betrokkene sprake van een stoornis in zijn agressieregulatie- en stemming. Van bovengenoemde psychische problematiek was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Van een dergelijke beïnvloeding lijkt sprake te zijn geweest. (…) Onderzoeker acht een verband tussen de geconstateerde psychische problematiek, de agressieregulatieproblematiek, en de tenlastegelegde feiten, voor zover betrokkene deze bekent. Het gebruik en het steken van het mes, alsmede het hebben van de intentie om de ander van het leven te beroven is atypisch gedrag voor betrokkene, maar wanneer er sprake van is geweest, lijkt ook hier de agressieregulatieproblematiek aan ten grondslag te liggen. Betrokkene moet verstandelijk in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien. Echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek kan hij niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt om de tenlastegelegde feiten – indien bewezen – betrokkene in verminderde mate toe te rekenen.”
De pro Justitia rapportage, locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van 4 juni 2024 houdt voorts – zover hier relevant – het volgende in:
“Dit onderzoek leidt tot de conclusie dat er bij betrokkene, die beschikt over een gemiddeldeintelligentie, sprake is van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Dit betekent datwel aan de algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen wordt voldaan (zie verder),maar niet aan een voldoende aantal kenmerken van een specifieke persoonlijkheidsstoornisom tot een nadere specificering te komen. In geval van betrokkene worden met name antisociale en narcistische kenmerken gezien. Tevens is er sprake van verslavingsproblematiek, die tot enkele maanden voorafgaand aan het onderzoek in het PBC tot uiting kwam in het gebruik van een hoge dosering sederende medicatie. De diagnostische conclusies zijn in lijn met de diagnostische vermoedens zoals beschreven in verslaglegging van hulpverlening, voorafgaand aan het ten laste gelegde. De conclusies gaan echter verder dan op basis van het ambulante psychologisch onderzoek pro Justitia van [deskundige 7] getrokken konden worden. De problematiek die in dat rapport wordt geschetst, zich met name toespitsend op de verstoorde agressieregulatie bij betrokkene, wordt ook door onderzoekers gezien, maar nu geplaatst binnen een breder kader van persoonlijkheidsproblematiek.”
Het rapport Pro Justitia, locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van 20 april 2026 houdt – eveneens voor zover hier relevant – het volgende in:
“Met betrekking tot de persoonlijkheid en het interpersoonlijk functioneren wordt bij betrokkene een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale- en narcistische trekken gediagnosticeerd. Als betrokkenes stressniveau laag is en hij zich voldoende gesteund voelt, hoeft zijn kwetsbaarheid niet zichtbaar te zijn. Onder toenemende druk is hij echter steeds minder goed in staat zijn emoties en gedrag te reguleren. Betrokkene is een man die zichzelf en zijn eigen gevoelens vooropstelt waarbij er sprake is van een gebrekkige gewetensfunctie, bestaande uit beperkte empathie en ontbrekende schuld- en schaamtegevoelens. Er is wel sprake van normbesef: betrokkene is zich bewust van de heersende normen en waarden in de maatschappij. Wanneer het echter zijn eigen ontoelaatbare gedrag en handelen betreft, houdt hij er een andere maatstaf op na waarbij hij de schuld van zijn gedrag bij de ander legt of het kleiner maakt door te zeggen dat iedereen zou reageren zoals hij. Zijn zelfbeeld is fragiel waardoor hij bovenmatig gevoelig is voor wat zijn omgeving van hem denkt en het oordeel van anderen snel als negatief zal ervaren, wat leidt tot achterdocht, schaamte en krenking. Tevens leidt dit tot een onvermogen om zichzelf kritisch te beschouwen; dit is te bedreigend voor zijn broze zelfbeeld. Hiertegen moet betrokkene zich ‘verdedigen’ om aantasting van zijn zelfbeeld te voorkomen. Er is sprake van een narcistische afweer ofwel ‘verdediging’ waarbij hij zich ‘groter’ maakt om zo zijn eigen gevoelens van inferioriteit, boosheid en teleurstelling weg te maken. Wanneer deze gevoelens aangeraakt worden, kan betrokkene hier niet mee omgaan. Hij reageert hier in eerste instantie op door de ander te devalueren of te beschuldigen waarbij hij zichzelf als slachtoffer neerzet. Er is sprake van zelfoverschatting, een gebrek aan zelfkritiek en een ontbrekend probleembesef. Tezamen met een gestoorde agressieregulatie en impulscontrole, leidt dit bij aanhoudende druk of spanning tot impulsdoorbraken met agressie. De mate waarin betrokkene overtuigd is van zijn eigen gelijk en de rechtvaardigheid van zijn handelen is dusdanig groot en komt bovendien in alle aspecten van zijn denken en handelen terug (ook wanneer dit het beeld dat hij van zichzelf wil geven schaadt). Dit voert verder dan zijn ingenomen procespositie en is geïntegreerd in zijn persoonlijkheid. Deze patronen, waarbij betrokkene onvoldoende in staat is om zijn gedrag aan te passen in verschillende sociale situaties en belangrijke levensdomeinen, zijn langdurig aanwezig en veroorzaken ernstige beperkingen in zijn functioneren op meerdere levensgebieden zoals werk, wonen en relaties.
(…)
Het is aannemelijk dat de krenking en het gevoel van onrechtvaardigheid bij betrokkene, bij directe confrontaties en in een minder gecontroleerde omgeving, dusdanig groot wordt dat betrokkene over kan gaan tot agressie. Er is daarbij sprake van een gebrek aan zelfinzicht, zelfcontrole en adequate copingvaardigheden waardoor de spanning snel oploopt en betrokkene hierdoor overvallen wordt. Er is sprake van reactieve agressie (agressie voortkomend uit een emotie en impulsief van aard). Daarnaast is niet uit te sluiten dat betrokkene agressie op momenten ook inzet om een doel te bereiken (instrumentele agressie), bijvoorbeeld om zijn gelijk te krijgen.
(…)
De geconstateerde persoonlijkheidsstoornis betreft een patroon van duurzame aard en was dan ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezen. (…) De diagnostische bevindingen komen overeen met die van het pro Justitia onderzoek in 2024.
(…)
Betrokkene was in de ogen van onderzoekers vanuit zijn psychopathologie ten tijde van het ten laste gelegde beperkt in het maken van afwegingen en keuzes. De persoonlijkheidsstoornis en de daaruit voortvloeiende agressie- en impulscontrolestoornis leiden tot een beperking in de zelfregulatie en gedragssturing bij betrokkene. Het voorgaande in ogenschouw nemend, adviseren ondergetekenden betrokkene de feiten 1, 2 en 3 verminderd toe te rekenen.
(…)
Het recidiverisico op soortgelijke gewelddadige delicten als het huidige ten laste gelegde wordt door ondergetekenden als hoog ingeschat. (…) De persoonlijkheidsstoornis en zeer beperkte copingvaardigheden zullen zonder behandeling ook in de toekomst van grote invloed zijn op het recidivegevaar. Vanuit zijn opgeblazen zelfbeeld, het niet kunnen verdragen van aantasting van dit zelfbeeld en gebrek aan empathie wordt in het verleden een patroon gezien van een inadequate agressie- en impulsregulatie in het uitgaansleven. De laatste veroordeling hiervoor vond plaats in 2003. De rol van het middelengebruik in die periode blijft onduidelijk. Een patroon van agressie binnen de relationele sfeer is niet uit te sluiten noch vast te stellen. Door betrokkenes weigering om referenten te benaderen is het niet mogelijk geweest andere ex-partners van betrokkene te spreken. Wel hebben in de relatie met aangeefster vaker agressie-incidenten plaatsgevonden. Hij gebruikt naar eigen zeggen op dat moment geen alcohol en drugs meer. De beschreven stoornissen in de persoonlijkheid en agressie- en impulsregulatie zijn met elkaar verweven: bij toename van stress en druk op de kwetsbaarheden in de persoonlijkheid van betrokkene neemt het risico op agressie toe. Daarnaast is ook betrokkenes coping beperkt; bij aantasting van zijn opgeblazen zelfbeeld zal hij zich snel gekrenkt voelen, leidend tot emotionele en gedragsmatige instabiliteit waarbij betrokkene geweld inzet om zijn zelfbeeld intact te houden en een gevoel van controle over de situatie te houden.
De dynamiek lijkt zich de laatste jaren met name voor te doen in de intieme relatie waarin betrokkene een emotionele band en verwachtingen opbouwt met zijn partner. Tegelijkertijd schatten ondergetekenden de kans groot dat, vanwege het chronische karakter van betrokkenes ernstige en complexe pathologie, de beschreven dynamiek op de (middel)lange termijn zich opnieuw zal ontwikkelen, zeker indien betrokkene zonder behandeling terugkeert in de samenleving. Bij betrokkene is sprake van ontbrekend ziektebesef en -inzicht. Hij geeft aan geen behandeling nodig te hebben. Spanningen vergroten de emotieregulatie problematiek en zullen gemakkelijk kunnen toenemen. Door zijn gebrekkige perceptie van zijn omgeving en zichzelf loopt bovendien de spanning gemakkelijk bij hem op. In relatie tot aangeefster en hun kinderen is er reeds sprake van een verstoorde relatie die leidt tot verhoogde spanning bij betrokkene. Momenteel heeft betrokkene hoop dat het contact met zijn kinderen hersteld zal worden. Indien dit niet het geval is of er moeilijkheden op dit gebied ontstaan, is de inschatting dat dit een belangrijke risicofactor is die leidt tot een hoog recidiverisico. De kans op escalerend geweld wordt ook hoog ingeschat.
(…)
Vanwege het voorgaande (de complexe en moeilijk te veranderen pathologie, alsmede het van daaruit beschreven hoge recidiverisico op de middellange en lange termijn) wordt op basis van de thans beschikbare informatie geadviseerd om te starten met een klinische behandeling om de persoonlijkheidspathologie van betrokkene voldoende te kunnen bewerken. Na de klinische behandeling dient stapsgewijs resocialisatie plaats te vinden. Begeleiding, toezicht en externe structuur zijn daarbij belangrijk. Voorts is controle op eventuele partnervorming en een adequaat sociaal netwerkcontrole noodzakelijk. Gedurende de behandeling is het verstrekken van psycho-educatie aangewezen betreffende zijn persoonlijkheidsproblematiek en welke kwetsbaarheden, valkuilen en risico’s hiervan uitgaan. Het is van belang dat betrokkene zicht krijgt op zowel zijn vaardigheden als zijn beperkingen en dat hij vaardigheden ontwikkelt om met tegenslagen en problemen om te gaan. Daarnaast is het van belang dat betrokkene meer inzicht krijgt in zijn relationele vorming en kwetsbaarheden binnen liefdesrelaties. Betrokkene dient meer zicht te krijgen op zijn emotionele binnenwereld en handvatten te krijgen om zijn emoties te hanteren en te reguleren. Zijn copingvaardigheden dienen te worden uitgebreid en verstevigd onder andere door middel van agressie regulatie training. Eveneens dient de behandeling zich te richten op het leren nemen van verantwoordelijkheid voor zijn eigen gedrag. Gezien het ontbreken van passende maatschappelijke inbedding in de vorm van financiële zelfstandigheid en dagbesteding is het ten slotte wenselijk dat hier binnen de behandeling ook ondersteuning in geboden wordt.
Aangezien het acute risico op gevaar of escalatie laag wordt ingeschat is wat onderzoekers betreft plaatsing in het hoogste beveiligingsniveau (lees een FPC) niet noodzakelijk. De hardnekkigheid van de pathologie maakt echter dat het beveiligingsniveau en de psychiatrische expertise van een FPK wel passend worden geacht bij de start van de behandeling. Gelet op de aanwezige psychopathologie bij betrokkene en de daaruit voortvloeiende, zoals hierboven beschreven, onverminderd grote kans op herhaling van gedragingen zoals het thans ten laste gelegde (indien bewezen), met gevaar voor escalatie, is er behandeling nodig om dit gevaar terug te dringen. Er is sprake van zeer rigide denkbeelden en denkpatronen met daarbij herhaaldelijke agressie- en impulsdoorbraken. Onderzoekers achten een tbs-maatregel aangewezen en zijn van mening dat een minderingrijpend juridisch kader vanuit gedragskundig oogpunt onvoldoende stevigheid biedt in het beheersen of het terugdringen van het recidivegevaar bij betrokkene. Zo biedt een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf onvoldoende spreekwoordelijke stok achter de deur. Indien betrokkene zich niet aan de voorwaarden zou houden, resteert er niets anders dan het uitzitten van het voorwaardelijke strafdeel en staat men de facto qua behandeling met lege handen.
Wegens betrokkenes ontbrekend zelfinzicht, probleeminzicht en zeer beperkte behandelmotivatie hebben onderzoekers een tbs met bevel tot verpleging overwogen. Het gebrek aan probleeminzicht is in betrokkenes geval inherent aan de persoonlijkheidsproblematiek. Hoewel een klinische aanvang van de behandeling wegens de hardnekkigheid van de problematiek nodig wordt geacht, is het volgens ondergetekenden van belang dat de behandeling zich ook toelegt op gedragsmatige interventies waarbij betrokkene de geleerde vaardigheden binnen afzienbare tijd in de samenleving oefent. Onderzoekers zien daarom meer mogelijkheden om het beschreven behandeltraject op te leggen binnen het kader van tbs met voorwaarden.”
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van de reclasseringsadviezen d.d. 20 juni 2022, 14 november 2022, 17 november 2022, 2 februari 2023, 31 januari 2025 en 8 juli 2026.
Uit de rapportage van 31 januari 2025 komt naar voren dat de kans op recidive door de reclassering als hoog wordt ingeschat. Om de kans op recidive te verlagen is behandeling geïndiceerd. De reclassering adviseert positief over tbs met voorwaarden, maar heeft wel twijfels of de verdachte inhoudelijk mee zal gaan werken aan de voorwaarden die zij nodig achten om de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De verdachte is aangemeld en op de wachtlijst geplaatst bij FPK [kliniek 1] te Eindhoven. Hij kan daar geplaatst worden in het kader van tbs met voorwaarden. Daar de verdachte opgenomen kan worden in een FPK maakt dat de reclassering wel positief adviseert voor tbs met voorwaarden. Een FPK heeft een hoog beveiligingsniveau wat maakt dat het recidiverisico op geweld lager zal zijn daar de verdachte zich niet vrij in de maatschappij kan bewegen en er controle is op contacten die de verdachte heeft. De door de reclassering geadviseerde voorwaarden betreffen: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, niet naar het buitenland gaan, een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, een drugs- en alcoholverbod, een contactverbod met [slachtoffer] en zijn twee kinderen, een locatieverbod voor het huisadres van [slachtoffer] , dagbesteding en geen andere huisvesting hebben zonder toestemming.
In het aanvullend rapport van de reclassering d.d. 8 juli 2026 is voorts opgenomen dat de verdachte heeft uitgesproken mee te werken aan het toezicht en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Hij staat inmiddels bovenaan de wachtlijst bij FPK [kliniek 1] te Eindhoven. Voorts adviseert de reclassering om een locatieverbod te ondersteunen met elektronische monitoring, daar de verdachte eerder het contactverbod heeft overtreden.
Het hof verenigt zich met de bevindingen en conclusies van de deskundigen met betrekking tot het recidiverisico en de noodzaak van een langdurige behandeling en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.
Het hof stelt op grond van de rapportages vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de bewezenverklaarde feiten hem in verminderde mate zijn toe te rekenen. Verder constateert het hof dat de door de verdachte begane strafbare feiten misdrijven betreffen als vermeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2 van het WvS. Daarnaast is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. In dit verband wijst het hof in het bijzonder op de omstandigheid dat het risico op recidive – met name in relationele sfeer – zonder passende behandeling door alle deskundigen als hoog wordt ingeschat. Mitsdien is voldaan aan de (wettelijke) vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geboden is, dan wel volstaan kan worden met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Het hof overweegt in dat kader dat het standpunt van de advocaat-generaal, inhoudende dat aan de verdachte tbs met dwangverpleging dient te worden opgelegd, omdat – kort gezegd – het terugdringen van het recidiverisico en het beschermen van de maatschappij, in het bijzonder het slachtoffer in deze zaak, tegen de verdachte niet anders kan worden gerealiseerd dan door middel van oplegging van een dergelijke maatregel, niet wordt gedeeld door de deskundigen die over de verdachte hebben gerapporteerd. Weliswaar zijn er vraagtekens bij de intrinsieke motivatie van de verdachte voor behandeling in het kader van tbs met voorwaarden, doch wordt door de deskundigen behandeling in het kader van tbs met voorwaarden passender geacht gelet op de omstandigheid dat die behandeling zich ook toelegt op gedragsmatige interventies waarbij de verdachte de geleerde vaardigheden binnen afzienbare tijd in de samenleving oefent.
Het hof acht het evenals de deskundigen noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld in een forensisch kader zodat er, naast het behandelen van de stoornissen zelf, ook genoeg aandacht is voor het voorkomen van recidive. Het hof is – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat, gelet op de uitgebrachte rapportages, het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden voorshands afdoende lijkt te zijn voor de noodzakelijke behandeling van de verdachte ter beteugeling van het recidivegevaar. Het hof sluit zich voor wat betreft de op te leggen voorwaarden aan bij de door de reclassering in de reclasseringsrapportages van 31 januari 2025 en 8 juli 2026 geformuleerde voorwaarden en aan de op te leggen maatregel zullen deze voorwaarden dan ook worden verbonden, zoals in het dictum weergegeven. De verdachte heeft zich ook ter terechtzitting in hoger beroep bereid verklaard de door de reclassering geformuleerde voorwaarden na te leven.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden – in aanmerking genomen de ernst van het bewezenverklaarde en de ernst van het ziektebeeld van de verdachte – met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de samenleving is omkleed. De door het hof te stellen voorwaarden strekken ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen.
De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden brengt met zich dat als de verdachte de door het hof gestelde voorwaarden niet naleeft of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, de maatregel op vordering van het Openbaar Ministerie kan worden omgezet in de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) bepaalt dat als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het arrest dit onder opgave van redenen aangeeft. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt voorts dat, met het oog op deze mogelijkheid van omzetting van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden naar een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, in het geval terbeschikkingstelling met voorwaarden is opgelegd, voormeld motiveringsvoorschrift eveneens geldt. In het licht van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte zich onder meer heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade en poging tot zware mishandeling. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt dan ook gelast ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat ingeval van omzetting van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden naar een terbeschikkingstelling met dwangverpleging de duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet op voorhand gemaximeerd is.
Het hof zal – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het gewelddadig karakter van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, het hoge recidiverisico voor soortgelijke gewelddadige delicten en het advies van de deskundigen om de verdachte in het kader van de behandeling te plaatsen op een FPK – de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden bevelen, zodat direct kan worden begonnen met de uitvoering van de voorwaarden, waardoor ook met verdachtes benodigde behandeling zo snel mogelijk een aanvang kan worden gemaakt.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding over te gaan tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z WvS. De maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden biedt naar het oordeel van het hof thans voldoende waarborgen om de verdachte veilig te laten terugkeren in de maatschappij. Ook ziet het hof geen aanleiding aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v WvS op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] en zijn twee kinderen, gelet op de omstandigheid dat het hof dit contactverbod als voorwaarde aan de tbs zal verbinden. De door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v WvS zal derhalve worden opgeheven.
Voorlopige hechtenis
Ingevolge het bepaalde in artikel 72, derde lid, van het WvSv wordt het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak opgeheven indien aan de verdachte (voor het feit waarvoor dat bevel is verleend) “noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd”. Nu het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen die korter is dan het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of deze bepaling het hof ertoe verplicht de voorlopige hechtenis op te heffen (en zij zich dus tegen schorsing van die voorlopige hechtenis verzet).
Ten aanzien van de in artikel 72, derde lid, van het WvSv opgenomen voorwaarde dat de betreffende sanctie onvoorwaardelijk moet zijn opgelegd, overweegt het hof dat ook de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te gelden heeft als een onvoorwaardelijk opgelegde tbs-maatregel in de zin van artikel 37a van het WvS. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of het hof in deze zaak is gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 72, derde lid, van het WvSv op te heffen, is het oordeel of het hof een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming kan medebrengen. In het onderhavige geval is dat de tbs-maatregel, en die maatregel kán (mede gelet op het bepaalde in artikel 37b WvS) vrijheidsbeneming medebrengen. Dat het hof bij dit arrest voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde zal stellen en geen bevel tot dwangverpleging zal geven, maakt dat niet anders.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden eveneens sprake is van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. Het hof is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen zoals door de verdediging is verzocht en zal daartoe ook niet overgaan. In plaats daarvan zal het hof de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. Indien cassatie wordt ingesteld kan die toezichtloze periode, mede gelet op de huidige wachttijd voor opname in klinieken en de wachttijd voor overbruggingszorg, enige tijd duren. Een dergelijke situatie zou naar het oordeel van het hof, gelet op verdachtes problematiek en de noodzaak van behandeling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen en voor de gezondheid en veiligheid van de verdachte opleveren. Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis derhalve schorsen onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in een forensische kliniek.
Beslag
Tijdens het onderzoek werden onder de verdachte kleding, schoeisel en een Nokia telefoon in beslag genomen. Het hof zal de teruggave van deze goederen aan de verdachte gelasten, nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 45, 55, 57, 285, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende
voorwaardenbetreffende het gedrag van de verdachte:
- dat de verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
- dat de verdachte meewerkt aan het reclasseringstoezicht; deze medewerking houdt onder andere in:
o de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering; de reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o de verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien; dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
o de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering; de reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is; deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
o de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
o de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
- dat de verdachte zich laat opnemen in FPK [kliniek 1] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing; de opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt; de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling, gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorginstelling dat nodig vindt; als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- dat de verdachte zich laat behandelen door Forensische polikliniek [kliniek 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering; de behandeling start na de klinische opname en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt; de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- dat de verdachte geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod; de controle gebeurt met urineonderzoek en de reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd; medicatie kan alleen op doktersrecept als het in belang is voor een behandeling, de verdachte overlegt dat schriftelijk aan de reclassering;
- dat de verdachte geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren; de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling; zo de verdachte daarmee niet instemt, is deze opname slechts na rechterlijke toetsing mogelijk; deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- dat de verdachte niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal gaan, zonder toestemming van de reclassering;
- dat de verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; de dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- dat de verdachte alleen verhuist met toestemming van de reclassering;
geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

stelt als nadere voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte:

- dat de verdachte op geen enkele wijze contact heeft of zoekt – direct of indirect via derden – met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 2] ) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; daarnaast heeft, of zoekt de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect via derden – contact met zijn twee kinderen ( [kind 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 3] , en [kind 2] , geboortedatum [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3] ), behalve met tussenkomst van hulpverleningsorganisaties zoals Veilig Thuis; de verdachte geeft toestemming aan de reclassering om informatie uit te wisselen met instanties die betrokken zijn bij de kinderen;
- dat de verdachte zich niet in een straal van 5 kilometer van het huisadres van [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 2] ) bevindt, mocht de verdachte onverhoopt op de hoogte raken van het adres van [slachtoffer] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; de verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als het Openbaar Ministerie dat noodzakelijk vindt en voor zover elektronisch toezicht door de reclassering uitvoerbaar wordt geacht;
geeft opdracht aan de politie tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden;
beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling, de daaraan verbonden voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v WvS, te weten een contactverbod;
de voorlopige hechtenis wordt geschorst op het moment van opname in een forensische kliniek of soortgelijke zorginstelling; aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden dezelfde voorwaarden verbonden als de hiervoor genoemde voorwaarden die gesteld worden bij de terbeschikkingstelling;
gelast de
teruggaveaan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- goednummer PL2100-2022128052-1945694 (kleding en schoeisel (slipper, opdruk in witte letters “Hugo” op de band van de voet);
- goednummer PL2100-2022128052-1945695 (kleding en schoeisel (shirt groen));
- goednummer PL2100-2022128052-1945696 (kleding en schoeisel (broek blauw));
- goednummer PL2100-2022128052-1945568 (telefoon, Nokia, met oplader en batterij).
Aldus gewezen door:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 29 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.C. van Campen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.