Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:238

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/1095
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 lid 2 onder c Wet IB 2001Art. 6.15 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2016 wegens geschonden vertrouwensbeginsel

Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over 2016 omdat de inspecteur het als negatief loon opgegeven bedrag van €5.770 niet accepteerde. De inspecteur had eerder over 2014 en 2015 deze bedragen wel geaccepteerd na ontvangst van uitgebreide informatie, waaronder een brief van het college over betaalde onderhoudsbijdragen.

De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag omdat de inspecteur bij belanghebbende de indruk had gewekt dat de gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het vertrouwen van belanghebbende door de navorderingsaanslag is geschonden.

De inspecteur voerde aan dat geen vertrouwen was gewekt omdat geen toezegging was gedaan en dat de wetswijziging per 1 januari 2015 de aftrekbaarheid van de uitgaven had beëindigd. Het hof verwierp deze argumenten, onder meer omdat de inspecteur het bedrag over 2014 volledig in aftrek had genomen en de informatie van belanghebbende niet onjuist was.

Het hof concludeert dat de inspecteur een bewuste standpuntbepaling volgde en dat het vertrouwen van belanghebbende op die gedragslijn gerechtvaardigd was. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag over 2016 vernietigd wegens geschonden vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1095
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 juni 2023, nummer BRE 22/909 in het geding tussen inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2016 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] , namens de inspecteur, en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft vier kinderen met zijn partner, en vier kinderen met zijn ex-partner. De ex-partner ontvangt een bijstandsuitkering. Alle kinderen waren in het jaar 2016 minderjarig.
2.2.
De inspecteur heeft een brief met dagtekening 27 februari 2015 aan belanghebbende gestuurd, met daarin de volgende passages:
“Betreft
Aftrek kosten levensonderhoud kinderen in uw aangifte 2014
Geachte heer/mevrouw,
Vorig jaar hebt u kosten voor het levensonderhoud van uw kinderen jonger dan 21 jaar afgetrokken in uw aangifte inkomstenbelasting. Uit onderzoek blijkt dat niet iedereen deze kosten goed invult. Daarom vragen wij u hierop extra te letten als u uw aangifte 2014 invult. Zo voorkomt u dat u later moet bijbetalen. In deze brief leest u welke kosten u mag aftrekken.
Wanneer mag u kosten voor het levensonderhoud van kinderen aftrekken?
U mag kosten aftrekken als de volgende 5 voorwaarden gelden:
1. Uw kind is in 2014 jonger dan 21 jaar.
2. Uw kind kan niet zelf in zijn levensonderhoud voorzien.
3. U krijgt geen kinderbijslag of een vergelijkbare buitenlandse uitkering voor dit kind. Niemand in uw huishouden heeft recht op kinderbijslag voor dit kind.
4. Uw kind krijgt geen studiefinanciering, tegemoetkoming in de studiekosten of een vergelijkbare (buitenlandse) regeling en heeft hier ook geen recht op.
5. Uw uitgaven voor het levensonderhoud van uw kind zijn per kwartaal € 416 of meer. Het moet hierbij gaan om uitgaven waarvoor u geen vergoeding krijgt.
Welk bedrag mag u aftrekken?
Voor elk kind mag u per kwartaal een vast bedrag aftrekken, als u tijdens het hele kwartaal aan de voorwaarden voldeed. Dit bedrag hangt of van:
- de leeftijd van uw kind aan het begin van het kwartaal
- uw aandeel in de totale kosten van het levensonderhoud
Welk vaste bedrag u precies mag aftrekken staat in de tabel 'kwartaalbedrag van uitgaven voor levensonderhoud kinderen over 2014' op belastingdienst.nl. U vindt de tabel door te zoeken op 'kwartaalbedrag levensonderhoud kinderen 2014'. U mag nooit de werkelijk gemaakte kosten aftrekken.
Let op!
2014 is het laatste jaar dat u van deze aftrekmogelijkheid gebruik kunt maken. In uw aangifte over 2015 mag u geen kosten meer aftrekken voor het levensonderhoud van uw kinderen jonger dan 21 jaar.”
2.3.
De inspecteur heeft op 7 november 2016 schriftelijk om informatie verzocht van belanghebbende, met betrekking tot een aangegeven negatief loon van € 6.187 in de aangifte over het jaar 2014. De gemachtigde van belanghebbende heeft daar in een brief als volgt op gereageerd:
“Cliënt is gehuwd geweest.
Zijn voormalige echtgenote ontvangt van de gemeente [plaats] een bijstandsuitkering; echter, de heer [belanghebbende] dient aan de gemeente [plaats] jaarlijks een bedrag wegens verhaal van bijstand te betalen.
Dat is niet alleen het geval geweest in 2014, doch ook alle jaren tevoren.
In het verleden heeft de heer [belanghebbende] ook al over deze aftrekpost vragen gekregen.
Ingesloten treft u aan de bevestiging van de gemeente [plaats] , dat de heer [belanghebbende] aan deze gemeente in 2014 een bedrag wegens bijstandsverhaal heeft betaald van € 6.187,00.
Cliënt heeft dit bedrag jaarlijks betaald en blijft dit betalen, zolang zijn ex-echtgenote is aangewezen op een bijstandsuitkering van de gemeente [plaats] , of daar nu kinderen zijn of niet.”
Als bijlage daarbij is een brief van het college van burgemeester en wethouders van [plaats] (hierna: het college) overgelegd, waarin het volgende staat:
“Beste heer [belanghebbende] ,
Ten behoeve van de opgave aan de belastingdienst kunnen wij u mededelen, dat u in 2014 aan ons een bedrag van € 6.186,84 heeft betaald, ter zake van de aan u opgelegde onderhoudsbijdrage voor uw kind(eren).”
De inspecteur heeft vervolgens de aanslag over het jaar 2014 opgelegd conform de ingediende aangifte.
2.4.
In de aangifte over het jaar 2015 zijn – net als over het jaar 2014 – de door het college verhaalde kosten van bijstand opgegeven als negatief loon en is de aanslag eveneens opgelegd conform de ingediende aangifte.
2.5.
Namens het college is op 6 maart 2017 een brief gestuurd aan belanghebbende, waarin de volgende passage staat:
“Beste heer [belanghebbende] ,
Ten behoeve van de opgave aan de belastingdienst kunnen wij u mededelen, dat u in 2016 aan ons een bedrag van € 5.769,96 heeft betaald, ter zake van de aan u opgelegde onderhoudsbijdrage voor uw kinderen.”
2.6.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte over het jaar 2016 een bedrag van € 5.770 aangegeven als negatief loon onder vermelding van ‘verhaalsbijstand Gemeente [plaats] ’. De inspecteur heeft de aanslag wederom conform de aangifte opgelegd, waarbij sprake is van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.089.
2.7.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij hij het aangegeven bedrag van € 5.770 aan negatief loon niet heeft geaccepteerd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft de inspecteur daarom vastgesteld op een bedrag van € 46.859.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt, zodat het aangegeven bedrag van € 5.770 aan negatief loon (hierna: de uitgaven [1] ) geaccepteerd dient te worden.
3.2.
In hoger beroep is tussen partijen niet langer in geschil dat belanghebbende op grond van de wet de uitgaven van € 5.769,96 niet in mindering mocht brengen op zijn inkomen uit werk en woning over het jaar 2016, en dat het bedrag ten onrechte als negatief loon is aangegeven.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de navorderingsaanslag.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De inspecteur stelt dat geen vertrouwen is opgewekt, omdat geen toezegging is gedaan. Subsidiair is de inspecteur van mening dat geen sprake kan zijn van opgewekt vertrouwen omdat de gemachtigde bij de afhandeling van de aangifte over het jaar 2014 onjuiste informatie heeft verstrekt. Daarbij wijst de inspecteur er op dat hij belanghebbende op 27 januari 2015 informatie heeft verstrekt over de aftrekbaarheid van uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen. Meer subsidiair is de inspecteur van mening dat als toch sprake is van opgewekt vertrouwen, dat per 1 januari 2015 is komen te vervallen door een wetswijziging. De inspecteur verwijst daarbij naar de wetswijziging per deze datum, waarbij de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen op grond van artikel 6.1, lid 2, onder c, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) (wettekst 2014) is vervallen.
4.2.
Belanghebbende stelt dat hij met de door hem verstrekte inlichtingen, in het bijzonder de brief van het college, alle relevante en juiste informatie heeft verstrekt. Nu de inspecteur de aanslag over het jaar 2014 heeft opgelegd na ontvangst van deze informatie, stelt belanghebbende dat hij mocht aannemen dat hij de uitgaven kon blijven aftrekken als negatief loon. De aftrek in de vorm van negatief loon brengt volgens belanghebbende met zich mee dat de wetswijziging van 1 januari 2015 voor uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen niet relevant is ten aanzien van het opgewekte vertrouwen.
4.3.
Het hof benadrukt dat de inspecteur de aanslag over het jaar 2014 pas heeft opgelegd nadat hij bij belanghebbende specifiek navraag had gedaan over de uitgaven. Belanghebbende heeft in reactie op de vragen van de inspecteur de onder 2.3 vermelde inlichtingen verschaft, waaruit volgde wat de aard van de uitgaven was. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof bevestigd dat hij de inlichtingen van belanghebbende kritisch bekeken heeft, voordat hij de aanslag heeft opgelegd. De inspecteur heeft daarop het bedrag, dat in de aangifte was aangegeven als negatief loon, toch volledig in aanmerking genomen bij het opleggen van de aanslag. Ten aanzien van de volgende jaren 2015 en 2016 werden vervolgens geen vragen meer gesteld en zijn de aanslagen eveneens conform de ingediende aangiften opgelegd. Bij deze gang van zaken is het hof van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de zijde van de inspecteur ten aanzien van de als negatief loon opgegeven uitgaven. [2]
4.4.
Met betrekking tot de door belanghebbende verstrekte informatie constateert het hof dat zowel de omschrijving van dit negatief loon in de aangifte als de door belanghebbende verstrekte inlichtingen ondubbelzinnig vermelden dat het gaat om ‘verhaalsbijstand Gemeente [plaats] ’, of variaties daarop (‘verhaal van bijstand’, ‘bijstandsverhaal’). Deze terminologie wordt door de inspecteur in zijn gedingstukken eveneens gebruikt als omschrijving van de uitgaven. Het hof hecht daarnaast belang aan het feit dat belanghebbende de brief van het college aan de inspecteur heeft overgelegd, die naar oordeel van het hof niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Daarmee faalt de stelling van de inspecteur dat belanghebbende onjuiste informatie heeft verstrekt. Dat belanghebbende aan de onderliggende feiten een onjuiste fiscale kwalificatie heeft gekoppeld (negatief loon), doet daar niet aan af.
4.5.
Het hof verwerpt tot slot de betoog dat het gewekte vertrouwen zou zijn vervallen door de wetswijziging per 1 januari 2015, waardoor uitgaven voor levensonderhoud voor kinderen niet langer fiscaal aftrekbaar zijn. Dit betoog zou alleen kunnen slagen, indien de inspecteur de uitgaven op deze grond in aftrek heeft geaccepteerd, zoals hij ter zitting heeft gesteld. Het hof acht dat echter niet aannemelijk, aangezien over het jaar 2014 het volledige opgegeven bedrag van € 6.187 in aftrek is geaccepteerd, terwijl bij uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in de zin van artikel 6.1, lid 2, onder c, Wet IB 2001 (wettekst 2014) een lager, forfaitair bepaald, bedrag aan de orde was geweest. [3] De toepasselijkheid van het forfait was de inspecteur (ook in de zin van de desbetreffende ambtenaar) bovendien bekend, blijkens de informatie die de inspecteur aan belanghebbende had verzonden op 27 januari 2015. Dat de inspecteur ondanks de door hem verstrekte informatie over de forfaitaire aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen en ondanks de van belanghebbende verkregen inlichtingen de uitgaven toch volledig in aanmerking heeft genomen bij het opleggen van de aanslag, draagt juist bij aan de indruk dat de uitgaven door de inspecteur niet zijn aangemerkt als uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen, maar om andere redenen in aftrek zijn geaccepteerd. Het vertrouwen dat is gewekt, heeft daarmee geen aanwijsbare betrekking op de toepassing van deze wettelijke bepaling en kan dan ook niet worden beïnvloed door een wijziging van deze wettelijke bepaling.
4.6.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat onduidelijk blijft op welke grond de uitgaven in aanmerking zijn genomen bij het opleggen van de aanslag, aangezien de inspecteur heeft gesteld dat de uitgaven in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen, terwijl belanghebbende dat betwist en het hof dat ook niet aannemelijk acht. Nu de grondslag onduidelijk blijft, komt het hof ook niet toe aan de vraag of het bij de aanslagregeling door de inspecteur ingenomen standpunt zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing, dat belanghebbende op handhaving van dat standpunt niet mocht rekenen.
4.7.
Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen voor de jaren 2014, 2015 en 2016 bij belanghebbende de indruk heeft gewekt dat de gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Het daarmee gewekte vertrouwen is door het opleggen van de navorderingsaanslag over het jaar 2016 geschonden. De rechtbank heeft de navorderingsaanslag daarom terecht vernietigd.
Tussenconclusie
4.8.
Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 596, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op € 1.868. [4]

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 596;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Het hof gebruikt deze aanduiding ook als het gaat om het door belanghebbende aangegeven bedrag aan negatief loon voor een aangifte over een ander jaar dan 2016.
2.Vgl. HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, rechtsoverweging 4.5
3.Artikel 6.15 Wet IB 2001 (wettekst 2014).
4.2 punten (1 voor het verweerschrift en 1 voor het verschijnen ter zitting) x € 934 (waarde per punt) x wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).