ECLI:NL:GHSHE:2026:33

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.319.202_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolg zaak letselschade ongeval tijdens gymnastiekles met benoeming deskundige en vaststelling van vragen

In deze zaak, die voortvloeit uit een letselschade ongeval tijdens een gymnastiekles, heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 13 januari 2026 een arrest gewezen. De zaak betreft een hoger beroep van een appellant, vertegenwoordigd door mr. P.M. Vrijmoed, tegen twee geïntimeerden, Stichting [XX] en ASR Schadeverzekering N.V., vertegenwoordigd door mr. L.K. de Haan. De procedure is een vervolg op een eerder tussenarrest van 3 juni 2025, waarin het hof had overwogen dat de aansprakelijkheid van de docent lichamelijke opvoeding, [persoon A], beperkt was tot twee specifieke verwijten. Het hof heeft in dit arrest besloten om deskundigen te benoemen om nadere voorlichting te verkrijgen over de zorgplicht van de docent tijdens de gymles.

Het hof heeft de heer T. de Groot benoemd als deskundige, die zal onderzoeken welke eisen er gesteld moeten worden aan het toezicht door de docent tijdens een gymles met meerdere activiteiten. De deskundige zal ook vragen beantwoorden over de acceptabiliteit van de docent die tijdens de les met een laptop bezig is en over de maatregelen die van de docent verwacht mochten worden om ongevallen te voorkomen. De kosten van het deskundigenonderzoek zijn begroot op € 1.149,50, dat door de appellant moet worden voldaan voordat de deskundige aan zijn werkzaamheden kan beginnen. Het hof heeft verder bepaald dat partijen binnen vier weken moeten reageren op het concept-rapport van de deskundige en dat de zaak op 12 mei 2026 opnieuw op de rol komt in afwachting van het deskundigenrapport.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.319.202/01
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. P.M. Vrijmoed te Amersfoort,
tegen

1.Stichting [XX] ,gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

2.
ASR Schadeverzekering N.V.,gevestigd te [vestigingsplaats ] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] , en ieder afzonderlijk als [XX] respectievelijk ASR,
advocaat: mr. L.K. de Haan te Rotterdam.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 juni 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/364464 / HA ZA 20-723 gewezen vonnis van 12 mei 2022.

5.Het verloop van de procedure

5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 3 juni 2025 (hierna: het eerste tussenarrest);
- de akte uitlating deskundigenonderzoek van [appellant] met bijbehorend addendum houdende reactie op de akte uitlaten deskundigenonderzoek zijdens [geïntimeerden] ;
- de akte uitlaten deskundigenonderzoek van [geïntimeerden] met bijlage houdende een reactie op de akte uitlating deskundigenonderzoek zijdens [appellant] .
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de hiervoor vermelde stukken.

6.De verdere beoordeling

In principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep
Het tussenarrest van 3 juni 2025
6.1.
In rechtsoverweging 3.20 van het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat het hof het betoog van [appellant] in hoger beroep zo begrijpt, dat [appellant] zijn stelling dat [persoon A] in zijn hoedanigheid van docent lichamelijke opvoeding zijn zorgplicht heeft geschonden in dit stadium van de procedure nog grondt op de aldaar onder (i) en (ii) weergegeven verwijten. Daarbij heeft het hof ook overwogen dat de grondslag voor de gestelde aansprakelijkheid in hoger beroep zodoende beperkt is tot die twee verwijten. Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 3.21 overwogen dat het hof het in rechtsoverweging 3.20 onder (ii) genoemde verwijt ongegrond oordeelt om de redenen die zijn uiteengezet in rechtsoverweging 3.22. Met betrekking tot het in rechtsoverweging 3.20 onder (i) genoemde verwijt heeft het hof in rechtsoverweging 3.32 overwogen dat het hof behoefte heeft aan nadere voorlichting door (een) deskundige(n) en dat het voornemens is daartoe de in rechtsoverweging 3.32 genoemde deskundigen [persoon H] en [persoon I] te benoemen met weergave van de door hen gehanteerde tarieven en het bepaalde voorschotbedrag als ook dat het hof voornemens is om aan de deskundigen de in rechtsoverweging 3.33 geformuleerde vragen voor te leggen.
6.2.
In het dictum van het eerste tussenarrest heeft het hof bepaald dat partijen zich op de rol van 1 juli 2025 bij akte dienen uit te laten over de door het hof voorgestelde deskundigen en eventueel, onder opgave van redenen, een alternatieve deskundige voor te stellen als ook over de vragen die het hof voornemens is te stellen, een en ander met bepaling dat partijen elkaar uiterlijk één (1) week vóór de hiervoor bedoelde roldatum de te nemen akte aan elkaar zullen toesturen opdat zij op elkaars akte zullen kunnen reageren in een separaat aan de eigen akte te hechten bijlage. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
De te benoemen deskundige(n)
6.3.
In zijn akte uitlating deskundigenonderzoek heeft [appellant] gemotiveerd te kennen gegeven, zakelijk weergegeven, zich niet te kunnen vinden in de benoeming van de door het hof voorgestelde deskundigen. Daarbij heeft [appellant] als alternatieve deskundige [Persoon K] voorgesteld. In het addendum op zijn akte heeft [appellant] een en ander gehandhaafd.
6.4.
[geïntimeerden] hebben in hun akte uitlaten deskundigenonderzoek te kennen gegeven in te kunnen stemmen met benoeming van de door het hof in het tussenarrest voorgestelde deskundigen en hun tijds- en kostenbegroting. In de bijlage bij hun akte hebben [geïntimeerden] in reactie op het standpunt van [appellant] over de door het hof in het tussenarrest voorgestelde deskundigen onder meer het standpunt ingenomen dat zij, hoewel zij de bezwaren van [appellant] tegen de door het hof voorgestelde deskundigen mager vinden, willen voorkomen dat deskundigen worden benoemd waarin [appellant] op voorhand geen vertrouwen heeft, op voorwaarde dat hetzelfde geldt voor [geïntimeerden] . In dat verband hebben [geïntimeerden] gemotiveerd bezwaren ingebracht tegen de door [appellant] voorgestelde alternatieve deskundige [Persoon K] . In het verlengde daarvan bepleiten [geïntimeerden] dat het hof (een) nieuwe deskundige(n) aandraagt, waarbij [geïntimeerden] voorts te kennen hebben gegeven dat zij ervan uitgaan dat partijen nog zullen mogen reageren op de door het hof aan te dragen nieuwe deskundige.
6.5.
Het hof ziet in het debat tussen partijen over de tot nu in dit geding voorgestelde deskundigen [persoon H] , [persoon I] en [Persoon K] , zoals dat blijkt uit hun respectieve aktes met addendum c.q. bijlage, aanleiding om geen van deze deskundigen te benoemen. In dat verband acht het hof ook van belang dat partijen in hun respectieve aktes over en weer met zoveel woorden te kennen hebben gegeven graag te zien dat het hof een nieuwe deskundige aandraagt (akte zijdens [appellant] , addendum randnummer 2, slot; akte zijdens [geïntimeerden] , eerste blad van de bijlage, zesde alinea), althans zo begrijpt het hof hetgeen zij dienaangaande hebben aangevoerd.
6.7.
In het licht van het voorgaande zal het hof thans als deskundige benoemen: de heer T. de Groot (hierna: deskundige De Groot), THEMA – spelen met gedrag, [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , [telefoonnummer] [e-mailadres] . In antwoord op vragen van het hof heeft deskundige De Groot te kennen gegeven dat hij:
- bereid is het deskundigenonderzoek te verrichten;
- op geen enkele wijze eerder betrokken is geweest bij deze zaak;
- in geen enkele relatie staat tot één van de bij deze zaak betrokken partijen, te weten: de desbetreffende school en het bestuur daarvan, docent [persoon A] , [XX] , ASR en [appellant] ;
- in de afgelopen vijf jaar geen opdrachten heeft uitgevoerd voor en geen (betaalde) samenwerkingen heeft gehad met één van de betrokken partijen of hun advocaten.
Verder heeft deskundige De Groot te kennen gegeven dat hij een tarief hanteert van € 95,- per uur, exclusief btw. Als voorschotbedrag heeft hij een bedrag van € 950,- exclusief btw opgegeven, derhalve € 1.149,50 inclusief btw, begroot op basis van een raming van 10 uur maal € 95,- exclusief btw.
6.8.
Het hof ziet geen aanleiding partijen de gelegenheid te geven zich nader uit te laten over de persoon van deskundige De Groot. Daartoe wijst het hof op de door deskundige De Groot gegeven antwoorden op de vragen die aan hem zijn voorgelegd met het oog op de voorgenomen benoeming zoals weergegeven in de voorgaande rechtsoverweging, mede in aanmerking genomen hetgeen daarover tussen partijen is gewisseld in hun respectieve aktes met addendum c.q. bijlage. Uit die antwoorden volgt naar het oordeel van het hof voldoende dat deskundige De Groot vrijstaat. Verder acht het hof in dit verband van belang dat [geïntimeerden] , zijnde de partijen die in hun akte hebben geopperd dat partijen wederom de gelegenheid zou worden gegeven zich uit te laten over de nader door het hof voor te stellen deskundige, het niet nodig hebben gevonden om zelf een alternatieve deskundige aan te dragen, maar het zoeken naar en aandragen van een alternatieve deskundige aan het hof hebben overgelaten. Het hof zal daarom overgaan tot benoeming van deskundige De Groot op de wijze zoals in het dictum van dit arrest zal zijn bepaald. [appellant] zal het verzochte voorschotbedrag van
€ 1.149,50 inclusief btw moeten voldoen alvorens deskundige De Groot zijn werkzaamheden zal aanvangen.
De voor te leggen vragen
6.9.
[appellant] heeft in randnummer 8 van zijn akte te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in de door het hof in het eerste tussenarrest voorgestelde vragen. [geïntimeerden] hebben in randnummer 4 van hun akte ten aanzien van de door het hof in rechtsoverweging 3.33 onder b en d van het tussenarrest enkele aanvullende bewoordingen voorgesteld. [appellant] heeft zich daarmee verenigd. Gelet daarop zal het hof de door [geïntimeerden] voorgestelde wijzigingen overnemen, zodat de vragen die aan de te benoemen deskundige zullen worden voorgelegd, onder verwijzing naar de omstandigheden die zijn genoemd in rechtsoverweging 3.30 van het eerste tussenarrest, als volgt zullen komen te luiden:
a. Welke eisen moeten in het algemeen worden gesteld aan het toezicht door de docent tijdens een gymles waarbij drie deelgroepen leerlingen zich wisselend bezig houden met steeds een andere van drie activiteiten?
b. Is voor de wijze waarop en de mate waarin toezicht moet worden gehouden nog van bijzonder belang dat één van de drie activiteiten een hurk-wendsprong is zoals omschreven in rechtsoverweging 3.4 sub c van het eerste tussenarrest, en een andere activiteit hockey? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
c. Acht u binnen de kaders van het toezicht, zoals dat volgens uw beantwoording van de vragen a. en b. bij een gymles zoals die in dit geval is gegeven en waarbij één van de activiteiten een door de leerlingen grotendeels zelfstandig te verrichten hurk-wendsprong is, aanvaardbaar dat de docent tijdens de gymles bezig is met een laptop om met behulp daarvan het door de leerlingen ingevulde leerlingvolgsysteem te controleren? Is daarbij van belang of de docent daarbij zit of staat en op welke plaats in de gymzaal de docent zich bevindt?
d. Had van de docent [persoon A] , gezien alle hem destijds bekende feiten en omstandigheden, mogen worden verwacht dat hij nadere maatregelen zou hebben genomen om te voorkomen dat leerlingen zouden afwijken van de opgedragen hurk-wendsprong en leerlingen ongevallen zouden overkomen?
6.10.
Voorts heeft [appellant] in randnummer 8 van zijn akte, ter verkrijging van bevestiging van de onafhankelijkheid van de door [appellant] voorgedragen deskundige [Persoon K] , een viertal vragen geformuleerd die zijn bestemd om te worden voorgelegd aan deskundige [Persoon K] . Uit het voorgaande volgt echter dat het hof deskundige [Persoon K] niet zal benoemen, zodat ook geen grond bestaat om aan deskundige [Persoon K] de bedoelde vier vragen voor te leggen. Het hof tekent aan dat de vragen van [appellant] in randnummer 8 wel zijn betrokken bij de vragen die aan deskundige De Groot zijn voorgelegd en waarop deze heeft geantwoord zoals hiervoor in rechtsoverweging 6.7 is verwoord.
6.11.
In randnummer 9 van zijn akte formuleert [appellant] vervolgens nog een aanvullende vraag met betrekking tot de iPad waarvan [appellant] stelt dat deze tijdens de in het geding zijnde gymles stond opgesteld om vertraagde videobeelden van de sprongen te maken. In de bijlage bij hun akte maken [geïntimeerden] bezwaar tegen de door [appellant] voorgestelde aanvullende vraag over de iPad. Het hof ziet geen grond voor het opnemen van de door [appellant] voorgestelde aanvullende vraag over de iPad. Daartoe acht het hof van belang dat [geïntimeerden] in dit geding het opgesteld staan van een iPad tijdens de gymles gemotiveerd hebben betwist. In het tussenarrest is niet feitelijk vastgesteld dat tijdens de in het geding zijnde gymles een iPad was opgesteld. Daarom bestaat geen grond voor het stellen van een aanvullende vraag die het tijdens de betreffende gymles opgesteld staan van een iPad feitelijk tot uitgangspunt neemt.
Verdere beslissingen?
6.13.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7.De uitspraak

Het hof:
in het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep
7.1.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de vragen zoals geformuleerd in rechtsoverweging 6.9 van dit arrest;
7.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van de onder 7.1 bedoelde vragen: de heer T. de Groot, THEMA – spelen met gedrag, [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , [telefoonnummer] , [e-mailadres] ;
7.3.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
7.4.
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
7.5.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
7.6.
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek
- en ten aanzien van het concept-rapport -partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
7.7.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
7.8.
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed rapport, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het rapport aan de advocaten van partijen toe te zenden;
7.9.
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op
drie maandennadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
7.10.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.149,50, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak
bij brief aan de griffier van dit hofmet afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij)tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
7.11.
bepaalt dat [appellant] laatstgenoemd bedrag zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
7.12.
verzoekt de deskundige, indien hem gedurende het onderzoek mocht blijken dat zijn kosten het voorschot te boven zullen gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
7.13.
benoemt mr. B.E.L.J.C. Verbunt tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof), dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
7.14.
verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026 in afwachting van het deskundigenrapport;
7.15.
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenrapport naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellant] ;
7.16.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.E.L.J.C. Verbunt, J.M.H. Schoenmakers en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 januari 2026.
griffier rolraadsheer