ECLI:NL:GHSHE:2026:396

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
23/1420 en 23/1421
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 9 lid 2 onder b Wet op de omzetbelasting 1968Posten a.2 en a.6 van Tabel II bij de Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omzetbelasting nultarief bij verkoop aandelen in springpaarden aan buitenlandse kopers

Belanghebbende handelt in springpaarden en verkocht in 2012 aandelen van 50% van de volle eigendom van diverse paarden aan kopers buiten Nederland zonder omzetbelasting in rekening te brengen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op, welke door de rechtbank deels werd verminderd omdat het nultarief werd toegepast op enkele leveringen.

In hoger beroep beperkte belanghebbende het geschil tot de juridische vraag of de verkoop van een aandeel in een levend paard aan een buiten Nederland gevestigde afnemer kwalificeert voor het nultarief omzetbelasting. Het hof oordeelde dat de overdracht van 50% eigendom de macht tot beschikken als eigenaar overdraagt en dat deze transacties leveringen van goederen zijn waarop het nultarief niet van toepassing is.

De rechtbank had de naheffingsaanslag naar evenredigheid verminderd vanwege een administratieve fout, maar het hof vernietigde deze vermindering en liet de naheffingsaanslag in stand. Tevens werd de minister veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De kostenveroordelingen werden verdeeld tussen inspecteur en minister.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en laat de naheffingsaanslag omzetbelasting in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1420 en 23/1421
Uitspraak op het hoger beroep van
[bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. c.s.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende
en op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023, nummer BRE 19/6396, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur en, wat betreft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade,
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2012 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/1420. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/1421. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam] en gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende haar activiteiten bestaan uit het kopen van talentvolle paarden en het trainen van die paarden om deze vervolgens als springpaarden te verkopen.
2.2.
In 2012 heeft belanghebbende van diverse paarden de helft van de civielrechtelijke eigendom verkocht en geleverd en daarvoor de volgende facturen uitgereikt:
Factuurdatum
Omschrijving
Koper
Bedrag
02-01-2012
50% [paard 2]
[BVBA] BVBA (België)
€ 75.000
15-02-2012
50% [paard 3]
[N.V.] N.V. (België)
€ 28.000
15-02-2012
50% [paard 4]
[N.V.] N.V. (België)
€ 25.000
29-08-2012
50% [paard 5]
[AS] AS (Zweden)
€ 142.000
22-11-2012
50% [paard 6]
[Koper] (VS)
€ 125.000
22-11-2012
50% [paard 1]
[Koper] (VS)
€ 125.000
22-11-2012
50% [paard 7]
[Koper] (VS)
€ 125.000
22-11-2012
50% [paard 8]
[Koper] (VS)
€ 100.000
22-11-2012
50% [paard 9]
[Koper] (VS)
€ 205.000
Belanghebbende heeft op de facturen geen omzetbelasting in rekening gebracht. Evenmin heeft zij ter zake omzetbelasting voldaan.
2.3.
In 2017 heeft de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan heeft hij het standpunt ingenomen dat de onder 2.2 bedoelde verkopen worden aangemerkt als een levering voor de heffing van de omzetbelasting, dat daarvoor het nultarief niet geldt en dat belanghebbende daarom voor die leveringen omzetbelasting is verschuldigd. De verschuldigde omzetbelasting is op € 177.460 berekend:
Paarden
Omzetbelasting
Correctie
[paard 2] (50%)
6% van € 75.000
€ 4.500
[paard 3] (50%)
6% van € 28.000
€ 1.680
[paard 4] (50%)
6% van € 25.000
€ 1.500
[paard 5] (50%)
19% van € 142.000
€ 26.980
Paarden verkocht aan [Koper] (50%)
21% van € 680.000
€ 142.800
Totaal
€ 177.460
2.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 27 december 2017 de naheffingsaanslag opgelegd. Door een administratieve fout heeft de inspecteur de na te heffen belasting echter vastgesteld op € 117.460 in plaats van op € 177.460. Verder heeft hij € 22.154 belastingrente in rekening gebracht.
2.5.
Het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. In beroep heeft de rechtbank de naheffingsaanslag evenwel verminderd, omdat zij het nultarief wel van toepassing achtte voor de levering van de paarden [paard 2] , [paard 5] en [paard 6] . De rechtbank heeft bij het vaststellen van de vermindering het bedrag van de administratieve fout - zijnde volgens haar € 70.000 - naar evenredigheid toegerekend aan elk van de leveringen. De belastingrente is naar evenredigheid verminderd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot integrale vernietiging van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente. Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in hoger beroep toe te kennen.
3.3.
De inspecteur concludeert tot ongedaanmaking van de door de rechtbank toegepaste vermindering van de naheffingsaanslag.

4.Gronden

Vooraf: op de zaak betrekking hebbende stukken en geheimhouding
4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het volledige strafdossier van de FIOD betreffende een andere handelaar in paarden tot de op deze zaak betrekking hebbende stukken behoort die de inspecteur had moeten overleggen, maar heeft aan het niet volledig overleggen ervan geen gevolgen verbonden. Voor wel verstrekte stukken uit dat strafdossier heeft de rechtbank op onderdelen geheimhouding gerechtvaardigd geacht.
4.2.
In hoger beroep ziet het hof geen reden om het in 4.1 bedoelde strafdossier nog tot de op de zaak betrekking hebbende stukken te rekenen. De reden daarvoor is dat het niet valt in te zien hoe dat strafdossier van belang zou kunnen zijn bij de beslechting van de nog resterende geschilpunten (zie nader onder 4.4 en 4.10 hierna).
4.3.
Omdat het strafdossier in hoger beroep niet op de zaak betrekking heeft, bestaat geen verplichting meer voor de inspecteur om dat dossier volledig over te leggen en hoeft niet te worden beoordeeld of geheimhouding van delen van wel overgelegde stukken uit dat dossier gerechtvaardigd is.
Ten aanzien van het hoger beroep van belanghebbende
Prijsgegeven stellingen
4.4.
Belanghebbende heeft in de aanvulling van de gronden van het door haar ingestelde hoger beroep geschreven dat het geschil in hoger beroep beperkt is tot, in haar woorden, “de zuiver juridische vraag hoe de verkoop van een aandeel in [een] levend paard aan een buiten Nederland gevestigde afnemer moet worden gekwalificeerd voor de omzetbelasting.” In de rest van het betrokken stuk betoogt belanghebbende, of althans de advocaat-belastingkundige die het stuk namens haar heeft ingediend, ook slechts dat de overdracht van een deel van de civielrechtelijke eigendom van een paard (een goed) niet een levering van goederen is voor de heffing van omzetbelasting. Aldus heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig haar eerder ingenomen stellingen waarin de rechtbank haar niet heeft gevolgd, met name over het nultarief, prijsgegeven. [1] Voor zover belanghebbende die stellingen opnieuw heeft ingenomen in haar twee dagen voor de zitting bij het hof ingediende pleitnota, zal het hof die stellingen daarom niet behandelen.
Verkoop van de helft van de civielrechtelijke eigendom van paarden
4.5.
Wat betreft de duiding van de verkoop van de helft van de civielrechtelijke eigendom van de diverse paarden volgt het hof belanghebbende niet in haar opvatting dat die verkopen voor de heffing van omzetbelasting niet leveringen van goederen kunnen zijn. Ingevolge artikel 3, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) is een levering van een goed immers, onder meer, de overdracht van de macht om als eigenaar te beschikken over een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object, waaronder mede dieren zijn te verstaan. Niet in te zien valt dat een overdracht die ertoe leidt dat de macht om als eigenaar over een goed (een paard) te beschikken komt te berusten bij de overdrager en de verkrijger gezamenlijk, buiten die definitie zou vallen.
4.6.
Desalniettemin verdient opmerking dat het begrip levering van goederen in artikel 3, lid 1, letter a, van de Wet niet verwijst naar de civielrechtelijke eigendomsoverdracht. Het is elke handeling tot overdracht van een goed door een partij die de wederpartij ertoe machtigt daarover feitelijk als eigenaar te beschikken. Dat houdt onder meer in dat degene aan wie die macht is overgedragen of overgegaan de mogelijkheid heeft om besluiten te nemen die de rechtstoestand van het betrokken goed kunnen beïnvloeden, waaronder met name het besluit om het goed te verkopen. [2] In deze zaak zijn echter geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat de macht om als eigenaar over de betrokken paarden te beschikken heeft berust bij anderen dan de eigenaren in civielrechtelijke zin. Evenmin bestaat enige aanwijzing dat die macht na de respectieve overdrachten van de helft van de civielrechtelijke eigendom bij belanghebbende alleen is blijven berusten.
4.7.
Ten slotte volgt het hof belanghebbende niet in haar betoog dat het voorwerp van elk van de transacties, zijnde “het recht om als (mede-)eigenaar over de paarden te beschikken”, buiten Nederland moet worden geacht te zijn gebracht doordat de verkrijgers van die rechten zich in het buitenland bevinden, en dat reeds daarom het nultarief geldt. Die rechten zijn als zodanig immers geen goederen die intracommunautair kunnen zijn vervoerd of kunnen zijn uitgevoerd, zoals is vereist voor de toepassing van het nultarief van artikel 9, lid 2, onder b, van de Wet in verbinding met de posten a.2 en a.6 van de bij de Wet behorende Tabel II.
Slotsom
4.8.
Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.
Ten aanzien van het geschil in het hoger beroep van de inspecteur
Vermindering van de naheffingsaanslag naar evenredigheid
4.9.
De rechtbank heeft belanghebbende in het gelijk gesteld op het punt dat zij het nultarief mocht toepassen met betrekking tot de paarden [paard 2] , [paard 5] en [paard 6] . In de berekening van de na te heffen omzetbelasting van € 177.460 (zie 2.3) heeft een bedrag van € 57.730 op die leveringen betrekking. Omdat de inspecteur de naheffingsaanslag door een administratieve fout te laag heeft vastgesteld (zie 2.4), en aldus met betrekking tot elk paard naar evenredigheid te weinig omzetbelasting zou hebben nageheven, heeft de rechtbank de naheffingsaanslag van € 117.460 naar evenredigheid met € 38.212 verminderd.
4.10.
De inspecteur heeft in zijn hoger beroep een klacht gericht tegen de vermindering van de naheffingsaanslag naar evenredigheid door de rechtbank. Die klacht slaagt. De rechtbank had de naheffingsaanslag in stand moeten laten, omdat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. In het oordeel dat de inspecteur ten onrechte € 57.730 in zijn berekening van de na te heffen omzetbelasting ad € 177.460 heeft begrepen, ligt immers besloten dat € 119.730 had mogen worden nageheven. De inspecteur kan daarbij niet worden verweten geen beroep op interne compensatie te hebben gedaan, omdat hij onmiskenbaar aan de naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd dat belanghebbende materieel nog € 177.460 omzetbelasting was verschuldigd.
Nultarief [paard 6]
4.11.
Bij deze stand van het geding behoeft de klacht van de inspecteur over het oordeel van de rechtbank dat voor de levering van het paard [paard 6] het nultarief van toepassing is, geen behandeling.
Slotsom
4.12.
Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, behalve voor zover het de beslissingen over vergoeding van immateriële schade betreft.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade
4.13.
De minister zal worden veroordeeld in immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 500, omdat de redelijke termijn van in beginsel twee jaar voor de berechting van dit belastinggeschil in hoger beroep is overschreden met minder dan zes maanden. Dit bedrag komt bovenop de schadevergoeding die de rechtbank reeds heeft toegekend.
Ten aanzien van het griffierecht en de proceskosten
4.14.
In verband met de toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade bestaat reden de minister te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Die kosten, voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, stelt het hof vast op € 233,50 (1 punt (voor het schadevergoedingsverzoek), een puntwaarde van € 934 en wegingsfactor 0,25). [3]
4.15.
Verder zal het hof opnieuw beslissen over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten voor het geding in eerste aanleg. Omdat het door de rechtbank toegewezen verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg in stand blijft, moeten de inspecteur en de minister samen het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoeden, ieder voor de helft . [4] De voor de beroepsfase aan belanghebbende te vergoeden kosten stelt het hof daarnaast vast op € 233,50 (1 punt (voor het schadevergoedingsverzoek), een puntwaarde van € 934 en wegingsfactor 0,25). Ook dat bedrag komt voor de helft ten laste van de inspecteur en voor de helft ten laste van de minister.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;
  • verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behalve voor zover het de beslissingen over vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende betreft;
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister (aanvullend) tot een vergoeding van geleden immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
  • gelast de inspecteur en de minister het voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden, ieder voor de helft (€ 172,50);
  • veroordeelt de inspecteur en de minister in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 233,50, ieder voor de helft (€ 116,75), en
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door W.J. Blokland, voorzitter, J. Wessels en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De oudste raadsheer,
M.M. Stassen-Kanters J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK6885.
2.HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:154, r.o. 3.2.1.
3.Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
4.Vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.