Belanghebbende, geboren in 1948, ontving in 2021 pensioenuitkeringen van het ABP en een AOW-uitkering. Hij had in zijn aangifte de pensioenuitkeringen opgegeven als inkomsten uit tegenwoordige arbeid en vroeg arbeidskorting aan. De inspecteur kwalificeerde deze pensioeninkomsten als inkomsten uit vroegere arbeid, waardoor de arbeidskorting verviel.
De rechtbank oordeelde dat de belastingrente deels moest worden verminderd, maar handhaafde de aanslag. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen het oordeel dat pensioeninkomsten niet als loon uit tegenwoordige arbeid kunnen worden aangemerkt.
Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie van het hof en de Hoge Raad waarin is vastgesteld dat pensioenuitkeringen uit vroegere dienstbetrekking geen recht op arbeidskorting geven. Het standpunt van belanghebbende dat pensioenuitkeringen uitgesteld loon zijn en daarom recht geven op arbeidskorting, wordt verworpen.
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Ook de belastingrente is correct berekend. Het griffierecht wordt niet vergoed en er worden geen proceskosten toegewezen.