ECLI:NL:GHSHE:2026:463

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
24/971
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 Wet OBArt. 8:29 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omzetbelasting: samengestelde prestatie en plaats van dienst bij evenementenorganisatie

Belanghebbende, een in Duitsland gevestigde organisator van autorace-evenementen, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd door de inspecteur over 2019. De inspecteur stelde dat de prestaties aan twee Duitse afnemers in Nederland belastbaar waren. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat het ging om een samengestelde prestatie belast in Duitsland, en dat sprake was van dubbele heffing.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof. Het hof onderzocht of de prestaties aan de afnemers als samengestelde of zelfstandige diensten moesten worden aangemerkt en waar de plaats van dienst lag. Voor de afnemer [A] oordeelde het hof dat de prestaties zelfstandige diensten waren, belast in Nederland. Voor de afnemer [D] oordeelde het hof dat sprake was van een samengestelde prestatie, belast in Duitsland.

Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking had op het beroep, verklaarde het beroep gegrond, en verminderde de naheffingsaanslag met het bedrag dat betrekking had op de factuur aan [D]. Tevens veroordeelde het hof de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Prejudiciële vragen aan het HvJ EU werden niet gesteld.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep deels gegrond en vermindert de naheffingsaanslag met €3.605 wegens een samengestelde prestatie belast in Duitsland.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/971
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 mei 2024, nummer BRE 23/2820, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en heeft de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting van 22 januari 2026 stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb).
1.6.
Het hof heeft de onderhavige zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
1.7.
De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 27 augustus 2025. [1] De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken gerechtvaardigd is, en heeft de zaak verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt.
1.8.
Op 2 december 2025 heeft de inspecteur het hof verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.3 vermelde gronden afgewezen.
1.9.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.10.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.11.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gevestigd in Duitsland en is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Zij organiseert evenementen op het gebied van autoracen.
2.2.
In augustus 2019 is belanghebbende in opdracht van [A] GmbH (hierna: [A] ) in het kader van de [B] Deutschland ( [B] ) betrokken geweest bij de organisatie van een race in Zandvoort (Nederland). De [B] is een autosport-competitie die plaatsvindt op diverse circuits in Europa. In het kader daarvan is ook het circuit van Zandvoort aangedaan. In verband met haar diensten aan [A] , heeft belanghebbende bij verschillende dienstverleners prestaties afgenomen. Belanghebbende heeft de aangekochte dienstverlening een-op-een, zonder winstopslag en zonder aanpassingen, doorgefactureerd aan [A] . De prestaties zijn aangekocht door belanghebbende nadat telkens, en voor elke dienst afzonderlijk, goedkeuring was verleend door [A] .
2.3.
In hoger beroep heeft belanghebbende een deel van een overeenkomst overgelegd met [A] met betrekking tot de Kunden- und Clubsportserie [C] . De overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

§1 Vertragsgegenstand
[A] beauftragt [belanghebbende] mit der Beratung, Planung, Gestaltung, Durchführung und Kontrolle aller Aktivitäten, die erforderlich sind, um die Kunden- und Clubsportserie [C] (nachfolgend: „Veranstaltungsserie" oder „ [C] " genannt) auf Basis der von [A] vorgegebenen Konzepte, Maßnahmen und Mittel in den Saisons 2020 bis 2022 durchzuführen [belanghebbende] erhalt dafür als Entgelt von [A] die in § 6 dieses Vertrages geregelte Festvergütung sowie eine Erstattung von Kosten aus der Beauftragung Dritter gemäß § 5. [belanghebbende] wird die Veranstaltungsserie sowie für alle damit im Zusammenhang stehenden Arbeiten als Veranstalter ausführen.”
2.4.
Belanghebbende heeft in verband met haar dienstverlening in het kader van de [B] de volgende facturen uitgereikt aan [A] :
- een factuur met nummer [factuurnummer 1] met dagtekening 24 april 2019 met daarop het volgende vermeld:
- een factuur met nummer [factuurnummer 2] en dagtekening 13 augustus 2019 met daarop het volgende vermeld:
- een factuur met nummer [factuurnummer 3] en dagtekening 15 augustus 2019 met daarop het volgende vermeld:
2.5.
In oktober 2019 heeft belanghebbende in opdracht van [D] GmbH (hierna: [D] ) in Zandvoort een training voor “sportieve rijders” (de racetraining) georganiseerd. In verband met haar diensten aan [D] heeft belanghebbende bij verschillende dienstverleners prestaties afgenomen. Het betreft het verlenen van een recht om gebruik te maken van het circuit in Zandvoort, hotelovernachtingen bij [hotel 1] en [hotel 2] , vervoer vanaf het vliegveld en een barbecue bij De Haven van Zandvoort. Belanghebbende heeft deze verschillende prestaties afzonderlijk in rekening gebracht door middel van onderstaande factuur:
- de factuur met nummer [factuurnummer 4] en dagtekening 17 oktober 2019 met daarop het volgende vermeld:
2.6.
Belanghebbende heeft ter zake van haar dienstverlening aan [A] en [D] geen omzetbelasting voldaan. Wel heeft belanghebbende op haar aangifte over het derde en vierde kwartaal van 2019 voorbelasting teruggevraagd in verband met de in dit kader aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting.
2.7.
De inspecteur heeft voor beide hiervoor genoemde tijdvakken – derde en vierde kwartaal 2019 – een teruggaafbeschikking afgegeven. Het verzoek om teruggaaf voor het derde kwartaal is niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om teruggaaf voor het vierde kwartaal is vastgesteld op een bedrag van nihil.
Met dagtekening 24 april 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 15.340. Tevens is bij beschikking € 627 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag aan belanghebbende in rekening gebrachte Nederlandse voorbelasting in mindering gebracht op de in Nederland verschuldigde omzetbelasting.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag over 2019 terecht aan belanghebbende opgelegd. Meer specifiek spitst dit geschilpunt zich toe op de vraag of de uitgaande prestaties die belanghebbende tegen vergoeding verricht aan [A] en [D] moeten worden aangemerkt als samengestelde diensten, die belastbaar zijn in Duitsland, dan wel als zelfstandige, afzonderlijke diensten, belastbaar in Nederland.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
Belanghebbende heeft ter zitting expliciet en zonder voorbehoud het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het verzoek om teruggaaf over het derde kwartaal van 2019 ingetrokken (zaaknummer: 24/970).

4.Gronden

Vooraf
4.1.
Bij de onder 1.8 vermelde brief heeft de inspecteur verzocht om uitstel van de zitting van 22 januari 2026. Bij brief van 3 december 2025 heeft de inspecteur het verzoek om uitstel nader gemotiveerd. Als reden voor het verzoek om uitstel vermeldt de inspecteur dat een van de ambtenaren die hem ter zitting zou moeten vertegenwoordigen, verhinderd is op de dag van de zitting.
4.2.
Het hof heeft in hetgeen de inspecteur aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen. De op 7 november 2025 verzonden uitnodiging voor de zitting van 22 januari 2026 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:
“Een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zal door het gerechtshof slechts in bijzondere gevallen worden ingewilligd mits daarom schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Dit verzoek dient uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze uitnodiging te worden gedaan en u wordt in een dergelijk geval verzocht opgaaf te doen van uw verhinderdata één maand voorafgaand en twee maanden na de hiervoor vermelde
zittingdatum.
Na ommekomst van genoemde twee weken kan alleen nog om uitstel worden verzocht vanwege zwaarwichtige redenen die na de datum van deze uitnodiging zijn opgekomen. In dat geval moet het verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk worden gedaan.”
4.3.
Het hof stelt vast dat het verzoek om uitstel niet binnen twee weken na dagtekening van de uitnodiging is ontvangen. De inspecteur heeft in zijn verzoek om uitstel evenmin melding gemaakt van gewichtige redenen die zijn opgekomen na de dagtekening van de uitnodiging. De inspecteur heeft weliswaar aangegeven dat de aanwezigheid van de in 4.1 bedoelde ambtenaar, gelet op zijn kennis van het dossier, van groot belang is voor de zitting, maar dit vormt naar het oordeel van het hof geen zwaarwegende reden. Dit geldt des te meer nu uit het dossier blijkt dat meerdere ambtenaren van de Belastingdienst betrokken zijn geweest bij dit dossier, zodat de dossierkennis hoe dan ook geborgd is. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het algemene belang van een doelmatige rechtsgang zwaarder weegt dan het belang van de inspecteur dat de in 4.1 bedoelde ambtenaar op zitting aanwezig kan zijn.
Ten aanzien van het geschil
4.4.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat aan [A] , en aan [D] , één samengestelde dienst wordt verricht, waarbij de hoofdprestatie belastbaar is in Duitsland en niet in Nederland. Hieruit volgt dat de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd, aldus belanghebbende. Verder stelt belanghebbende dat zij ook in Duitsland omzetbelasting verschuldigd is geworden ter zake van dezelfde prestaties als waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft. Zodoende wordt belanghebbende geconfronteerd met dubbele heffing van omzetbelasting. De rechtbank heeft de problematiek van dubbele heffing onvoldoende behandeld, aldus belanghebbende. Belanghebbende verzoekt het hof om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU).
4.5.
De inspecteur stelt dat de prestaties op de onder 2.4 en 2.5 vermelde facturen meerdere afzonderlijke diensten betreffen, waarvoor de plaats van dienst in Nederland is gelegen. Belanghebbende is ter zake derhalve Nederlandse omzetbelasting verschuldigd geworden.
4.6.
Uit de vaste rechtspraak van het HvJ EU volgt dat voor de toepassing van omzetbelasting elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Dit is anders, indien de handelingen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één, niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. [2] De omstandigheid dat prestaties los van elkaar beschikbaar zijn, wijst erop dat sprake is van meerdere zelfstandige prestaties. Ook het gegeven dat afzonderlijk wordt gefactureerd, kan erop wijzen dat sprake is van meerdere zelfstandige prestaties. [3] Wanneer juist de samenhang van meerdere prestaties voor de modale ontvanger van de prestatie belangrijk is, wijst dit erop dat sprake is van één enkele samengestelde prestatie.
4.7.
Verder volgt uit de rechtspraak van het HvJ EU dat sprake is van één voor de omzetbelasting in aanmerking te nemen prestatie, indien één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende prestaties (absorptie). In die situatie delen de bijkomende elementen het fiscale lot van de hoofdprestatie. Een handeling is in elk geval bijkomend bij een hoofdprestatie wanneer deze handeling voor de afnemer geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie optimaal te kunnen gebruikmaken.
4.8.
Wat betreft deze tweede uitzondering is het volgende van belang. De vraag of sprake is van een prestatie die gebruikmaking van de hoofdprestatie optimaal maakt, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie. Bij die beoordeling moet het economische doel van de samengestelde prestatie in acht worden genomen, waarbij ook het belang van de afnemer van die prestatie in overweging moet worden genomen. Een aanwijzing dat een prestatie bijkomend is, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat een afzonderlijke vergoeding voor de nevenprestatie wordt berekend en de omstandigheid dat de afnemer een keuze heeft om de nevenprestatie al of niet af te nemen. Een verdere aanwijzing hiervoor kan zijn dat de waarde van de bijkomede prestatie gering is ten opzichte van de waarde van de hoofdprestatie. [4]
Ten aanzien van de diensten aan [A]
4.9.
Het hof is van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de op de onder 2.4 genoemde facturen vermelde prestaties afzonderlijke diensten zijn, waarop telkens een eigen omzetbelastingregime van toepassing is. Alle elementen behouden vanuit het oogpunt van de modale consument hun zelfstandigheid. Belanghebbende heeft de gesubstantieerde stelling van de inspecteur, inhoudende dat belanghebbende meerdere zelfstandige prestaties verricht, naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist.
4.9.1.
Belanghebbende heeft meer bepaald nagelaten stukken in het geding te brengen over haar dienstverlening aan [A] en waaruit volgt waar de vergoeding voor deze prestaties precies uit bestaat. Belanghebbende heeft in hoger beroep weliswaar een overeenkomst overgelegd met [A] , maar deze overeenkomst ziet op de organisatie van andere evenementen. Uit deze overeenkomst volgt dat belanghebbende de diensten zoals waarop de onder 2.4 genoemde facturen betrekking hebben, afzonderlijk in rekening brengt. Verder blijkt uit de overgelegde factureren dat belanghebbende deze prestaties afzonderlijk heeft gefactureerd. Ook dient belanghebbende - alvorens zij de prestaties inkoopt - telkens, en voor elke dienst afzonderlijk, om goedkeuring te verzoeken aan [A] . Deze verregaande mate van betrokkenheid van [A] bij de inkoop van prestaties door belanghebbende is een aanwijzing dat deze prestaties voor [A] niet ondergeschikt zijn, maar telkens een zelfstandig belang hebben, in aanvulling op de organisatie van de [B] . Hieruit volgt dat er geen sprake is van een ondeelbare prestatie (dienst sui generis).
4.9.2.
Ook volgt het hof niet de stelling van belanghebbende dat de prestaties van de op de onder 2.4 genoemde facturen bijkomend zijn bij de hoofdprestatie. Nog daargelaten dat belanghebbende voor de bijkomende prestaties een afzonderlijke factuur heeft opgemaakt, heeft belanghebbende ook geen inzicht verstrekt in de waarde van haar dienstverlening aan [A] in verband met de organisatie van het evenement in Nederland, zodat onduidelijk is gebleven of de waarde van eventuele bijkomende prestaties eventueel gering is ten opzichte van de waarde van de hoofdprestatie. Dit alles maakt dat vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie, deze bijkomende prestaties als zelfstandig moeten worden beschouwd.
4.10.
Voor het geval de op de onder 2.4 genoemde facturen vermelde prestaties moeten worden aangemerkt als zelfstandige prestaties is tussen partijen niet in geschil dat de plaats van de prestaties in Nederland is gelegen.
Ten aanzien van de diensten aan [D]
4.11.
Voor wat betreft de prestaties aan [D] overweegt het hof als volgt.
4.12.
Vaststaat dat belanghebbende met betrekking tot die prestaties een enkele factuur heeft uitgereikt aan [D] . Voorts heeft ook de inspecteur erkend dat belanghebbende de integrale organisatie op zich heeft genomen van een vooraf op maat samengesteld race-evenement (of ‘racereis’) voor [D] , bestaande uit in de eerste plaats racen (vermaak) en daarnaast verblijf, vervoer, en eten en drinken. Daarvan uitgaande is het, ondanks de uitsplitsing van de diverse samenstellende elementen van het evenement op de factuur, aannemelijk dat de samenstellende elementen dermate nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij economisch bezien een ondeelbare dienst vormen, zijnde de organisatie van het race-evenement. De enkele omstandigheid dat belanghebbende met betrekking tot sommige deelnemers geen kosten voor verblijf en/of diner heeft gefactureerd, is, in de context van het maatwerk gericht op de organisatie van één (totaal)evenement, van onvoldoende gewicht om anders te oordelen. Daarom, en omdat de afnemer ( [D] ) een in Duitsland gevestigde ondernemer is, moet de dienst aan [D] op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet OB worden geacht te zijn verricht in Duitsland. Dat betekent dat de inspecteur met betrekking tot de door belanghebbende van [D] ontvangen vergoeding ten onrechte omzetbelasting heeft nageheven.
4.13.
Uit voorgaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende voor zover het betrekking heeft op de naheffingsaanslag ten aanzien van de factuur met nummer [factuurnummer 4] gegrond is. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd met het bedrag van € 3.605. [5]
Prejudiciële vragen
4.14.
Anders dan belanghebbende bepleit, ziet het hof geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Tussenconclusie
4.15.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
De inspecteur dient aan belanghebbenden het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbenden redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.18.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep op 2 (punten) [6] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.868.
4.19.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het hoger beroep op 2 (punten) [7] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.868.
4.20.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht hebben gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op het beroep met nummer 23/2820;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep met nummer 23/2820 gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar over de naheffingsaanslag;
  • vermindert de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 12.362;
  • vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 3.736.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, W.J. Blokland en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.HvJ EU 25 februari 1999, Card Protection Plan Ltd (CPP), ECLI:EU:C:1999:93, punt 29.
3.HvJ EU 4 maart 2021, Frenetikexito, ECLI:EU:C:2021:167, punt 39.
4.HvJ EU 22 oktober 1998, Madgett en Baldwin, ECLI:EU:C:1998:496, punt 24.
5.Van het totale bedrag van de naheffingsaanslag heeft € 3.605, zijnde 9/109 van het factuurbedrag van € 43.670 betrekking op factuur [factuurnummer 4] .
6.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
7.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).