De inspecteur legde voor het jaar 2017 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op, inclusief belastingrente en een boete wegens verzuim. Belanghebbende diende het verzoek om ambtshalve vermindering pas in mei 2023 in, ruim na de wettelijke termijn van vijf jaar na het belastingjaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en het te late verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende stelde hoger beroep in, dat het hof ontvankelijk verklaarde omdat de uitspraak van de rechtbank niet tijdig aan belanghebbende was betekend, waardoor de beroepstermijn pas in december 2024 begon.
Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat de voormalig gemachtigde te laat om uitstel van de zitting had verzocht en geen vervanging had geregeld. Ook belanghebbende droeg mede verantwoordelijkheid voor het tijdig aanleveren van gegevens en het toezicht op de gemachtigde. Het verzoek om ambtshalve vermindering werd daarom terecht afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.