Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:811

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/1920 en 24/1921
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001Art. 58 lid 1 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 49 lid 3 ZorgverzekeringswetArt. 6:11 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing ambtshalve vermindering belastingaanslagen 2017 wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding

De inspecteur legde voor het jaar 2017 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op, inclusief belastingrente en een boete wegens verzuim. Belanghebbende diende het verzoek om ambtshalve vermindering pas in mei 2023 in, ruim na de wettelijke termijn van vijf jaar na het belastingjaar.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en het te late verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende stelde hoger beroep in, dat het hof ontvankelijk verklaarde omdat de uitspraak van de rechtbank niet tijdig aan belanghebbende was betekend, waardoor de beroepstermijn pas in december 2024 begon.

Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat de voormalig gemachtigde te laat om uitstel van de zitting had verzocht en geen vervanging had geregeld. Ook belanghebbende droeg mede verantwoordelijkheid voor het tijdig aanleveren van gegevens en het toezicht op de gemachtigde. Het verzoek om ambtshalve vermindering werd daarom terecht afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1920 en 24/1921
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 november 2024, nummers BRE 23/10990 en BRE 23/10991, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2017 opgelegd (hierna: de aanslagen). Tegelijkertijd is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen) en is bij beschikking een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft om ambtshalve vermindering van de aanslagen verzocht. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft een verzoek om uitstel van de zitting gedaan. Het hof heeft dit verzoek afgewezen.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld door zijn echtgenote [echtgenote] , en zijn gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte IB/PVV/Zvw 2017 in te dienen. In de aanmaning is de uiterste indieningsdatum gesteld op 8 februari 2019. De inspecteur heeft de aangifte IB/PVV/Zvw 2017 niet uiterlijk op de uiterste indieningsdatum ontvangen.
2.2.
Met dagtekening van 10 juli 2019 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikking vastgesteld. De aanslag IB/PVV is vastgesteld naar een (geschat) verzamelinkomen van € 53.285. Daarbij is € 392 aan belastingrente berekend en is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 369. De aanslag Zvw is vastgesteld naar een (geschat) bijdrage-inkomen van € 20.000 en daarbij is € 49 aan belastingrente berekend.
2.3.
Belanghebbende heeft op 23 augustus 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Op 6 december 2019 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het ondanks herhaald verzoek niet is gemotiveerd. Tegen deze uitspraak op bezwaar is geen beroep aangetekend.
2.4.
Op 12 mei 2023 heeft de voormalig gemachtigde, [naam 1] , werkzaam onder de naam [naam 2] (hierna: de voormalig gemachtigde) [1] , namens belanghebbende een ingevuld aangifteformulier IB/PVV/Zvw 2017 aan de inspecteur toegestuurd en daarbij verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 naar een verzamelinkomen van € 27.672 en ambtshalve vermindering van de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van nihil. De voormalig gemachtigde schrijft:
“Zoals reeds eerder meegedeeld was het voor [belanghebbende] niet mogelijk deze aangifte eerder in te dienen vanwege ontbrekende gegevens.”
2.5.
Op 17 juli 2023 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. Tegen deze besluiten heeft de voormalig gemachtigde, namens belanghebbende, bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de inspecteur op 5 oktober 2023 afgewezen. Hiertegen heeft de voormalig gemachtigde, namens belanghebbende, beroep ingesteld.
2.6.
De rechtbank heeft in beroep geoordeeld dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen, omdat het niet binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslagen betrekking hebben is gedaan en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De uitspraak van de rechtbank vermeldt dat afschrift daarvan op 8 november 2024 is verzonden aan partijen.
2.7.
Bij brief met dagtekening 27 december 2024 heeft de voormalig gemachtigde namens belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift is door het hof ontvangen op 30 december 2024 en bevat de volgende passage:
“Voor [belanghebbende] was het niet mogelijk om met DigiD en SMS - code in te loggen op Mijn Rechtspraak; hij kreeg dan uitsluitend de eerste drie berichten van de Rechtbank te zien en niet de laatste twee van 26-09-2024 en 08-11-2024.
[belanghebbende] heeft per 01-04-2024 de samenwerking met [naam 2] beëindigd.
Omdat het bericht van de Rechtbank in mijn mail in de SPAM terecht was gekomen en ik deze pas afgelopen vrijdag heb opgeschoond, heb ik toen direct contact opgenomen met de Rechtbank Zeeland - West - Brabant, waarbij na contact met [plaats] naar voren kwam, dat uitsluitend met DigiD van ondergetekende kon worden ingelogd.”
2.8.
De voormalig gemachtigde is door het hof bij brief van 6 januari 2026 uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting en hij is bij separate brief van die datum verzocht om inlichtingen binnen een termijn van twee weken na dagtekening van de brief. Meer specifiek heeft het hof de voormalig gemachtigde gevraagd om nader in te gaan op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding ten aanzien van het instellen van het hoger beroep en daarbij specifiek aan te geven of en, zo ja, wanneer hij zich bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft afgemeld als gemachtigde van belanghebbende.
2.9.
Beide brieven aan de voormalig gemachtigde zijn op 6 januari 2026 per aangetekende post verzonden naar het door hem opgegeven adres en op 8 januari 2026 door het hof als “geweigerd” retour ontvangen. Naar aanleiding van de retourontvangst heeft de griffier op 8 januari 2026 geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met de voormalig gemachtigde. De voormalig gemachtigde heeft daarop gereageerd met de volgende, tot het procesdossier behorende, SMS:
“Geachte heer, ik kan U helaas niet terugbellen, omdat ik met corona al een dikke
week in het ziekenhuis lig. Zodra ik weer aan het werk kan, neem ik contact op.
Verzonden vanuit Outlook voor iOS”
2.10.
Op 9 februari 2026 heeft de griffier opnieuw telefonisch contact gezocht met de voormalig gemachtigde omdat deze niet had teruggebeld. De tot het procesdossier behorende verkorte weergave van het telefoongesprek luidt als volgt:
“Ik heb de heer [naam 1] gebeld om te vragen of hij brieven van ons hof heeft ontvangen omdat we nog geen reactie hebben gekregen.
Dhr. [naam 1] is overspannen. Hij werkt het komende half jaar niet.
Het adres [adres] [woonplaats] is zijn kantooradres. Daar is hij al enige tijd niet geweest. Hij weet ook niet of de brief voor uitnodiging voor de zitting is ontvangen.”
2.11.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de griffier op 10 februari 2026 per aangetekende post een brief naar belanghebbende gestuurd met de volgende inhoud:
“Bij het gerechtshof loopt het hoger beroep dat u (via uw gemachtigde de heer [naam 1] ) heeft ingesteld. De uitnodiging voor de zitting, met daarbij een verzoek om nadere inlichtingen, is per aangetekende post aan de heer [naam 1] gestuurd. De envelop is echter ongeopend retour gekomen. Daarna zijn de stukken nogmaals per gewone post aan de heer [naam 1] gestuurd maar een reactie is uitgebleven. Daarom heeft de griffie telefonisch contact gehad met de heer [naam 1] . U vindt een kopie van de notitie van dit telefoongesprek als bijlage 1.
Omdat wij niet kunnen nagaan of de heer [naam 1] de uitnodiging voor de zitting en het verzoek om inlichtingen aan u heeft doorgezonden vindt u deze stukken als bijlagen 2 en 3 bij deze brief. Wij verzoeken u de gevraagde informatie uiterlijk op de zitting te verstrekken.”
2.12.
Bij brief van 27 februari 2026 heeft de voormalig gemachtigde verzocht om uitstel van de zitting. De brief luidt als volgt:
“Naar aanleiding van het telefonisch contact van hedenmorgen met de Rechtbank, zou ik U willen verzoeken voor uitstel van het hoger beroep in deze zaak, dienende op 5 maart 2026 om 11.00 uur,
Reden voor dit verzoek is het feit, dat ik sedert 27 december 2025 ziek thuis zit, waarbij de aanvankelijke griepklachten in de loop van januari 2026 een fikse burnout bleken te zijn. Naar verwachting van de huisarts ben ik minimaal een halfjaar uit de roulatie, waarbij absolute rust noodzakelijk is (deze reactie is voor mij een flinke aanslag op mijn conditie).
In deze zaak zou ik graag mondeling willen toelichten, waarom ik van mening ben, dat de aanslagen voor het jaar 2017 ten onrechte zijn opgelegd en de belastingdienst in dezen een onjuiste beslissing heeft genomen in het niet ontvankelijk verklaren van bezwaarschriften over het jaar 2017, waarbij dezelfde bezwaarschriften over het jaar 2018 wel ontvankelijk zijn verklaard.”
2.13.
Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 en 4.2 weergegeven gronden afgewezen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen ambtshalve verminderd moeten worden.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 naar een verzamelinkomen van € 27.672 en ambtshalve vermindering van de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van nihil. De inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Afwijzing verzoek uitstel zitting
4.1.
Bij de onder 2.12 vermelde brief heeft de voormalig gemachtigde namens belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft in hetgeen in de brief is aangevoerd geen reden gevonden de zitting uit te stellen. De op 6 januari 2026 verzonden uitnodiging voor de zitting van 5 maart 2026 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:
“Een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zal door het gerechtshof slechts in bijzondere gevallen worden ingewilligd mits daarom schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Dit verzoek dient uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze uitnodiging te worden gedaan en u wordt in een dergelijk geval verzocht opgaaf te doen van uw verhinderdata één maand voorafgaand en twee maanden na de hiervoor vermelde zittingdatum.
Na ommekomst van genoemde twee weken kan alleen nog om uitstel worden verzocht vanwege zwaarwichtige redenen die na de datum van deze uitnodiging zijn opgekomen. In dat geval moet het verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk worden gedaan.”
4.2.
Het hof stelt vast dat het verzoek om uitstel niet binnen twee weken na dagtekening van de uitnodiging is ontvangen. De voormalig gemachtigde schrijft dat in de loop van januari 2026 bleek dat hij een burn-out heeft en dat hij volgens de huisarts minimaal een half jaar absolute rust moet houden. Het was de voormalig gemachtigde dus al in januari 2026 duidelijk dat hij niet in staat zou zijn om op de zitting van 5 maart 2026 voor belanghebbende op te treden. Hij heeft – anders dan van hem als professioneel gemachtigde verwacht mag worden – niet voor een mogelijke vervanging zorggedragen en met zijn verzoek om uitstel gewacht tot eind februari 2026. Het verzoek is dan ook te laat gedaan en het hof heeft het daarom afgewezen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
4.3.
De voormalig gemachtigde heeft gesteld dat belanghebbende per 1 april 2024 de samenwerking met hem had opgezegd. Belanghebbende heeft dat ter zitting bevestigd en heeft aangegeven niet te weten of de voormalig gemachtigde dit heeft doorgegeven aan de rechtbank. Het hof begrijpt deze stelling aldus, dat belanghebbende van mening is dat de rechtbank de stukken (en dus ook de uitspraak) vanaf 1 april 2024 aan belanghebbende zelf en niet meer aan de voormalig gemachtigde had dienen toe te sturen en, omdat dit niet is gebeurd, de hogerberoepstermijn op 30 december 2024 nog niet verlopen was.
4.4.
De inspecteur stelt dat bij navraag bij de rechtbank is gebleken dat de uitspraak van de rechtbank per aangetekende post aan belanghebbende is toegezonden. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven niet te hebben nagevraagd op welke datum de uitspraak aan belanghebbende zou zijn verstuurd.
4.5.
Uit de gedingstukken in eerste aanleg leidt het hof af dat belanghebbende en de voormalig gemachtigde niet digitaal hebben geprocedeerd. Tot het procesdossier behoort een digitaal bericht van de rechtbank aan de voormalig gemachtigde van 8 november 2024 dat de uitspraak in het digitale dossier is geplaatst. De per aangetekende post verstuurde brief waarbij de rechtbank aan de voormalig gemachtigde heeft meegedeeld dat er “stukken” in het digitale dossier waren geplaatst is gedagtekend op 24 december 2024. Het procesdossier bevat geen aanwijzingen dat de rechtbank de uitspraak eerder per post aan de voormalig gemachtigde heeft verzonden en ook niet dat de uitspraak op enig moment per post is verzonden aan belanghebbende zelf. Naar het oordeel van het hof is daarmee aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in ieder geval niet voor 24 december 2024 op de juiste wijze aan belanghebbende is bekend gemaakt. Daaruit volgt dat de hogerberoepstermijn op zijn vroegst op 24 december 2024 is aangevangen en dat het hoger beroep dus tijdig en ontvankelijk is.
Ten aanzien van het geschil
4.6.
Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (de vijfjaarstermijn). [2] De vijfjaarstermijn eindigde voor het jaar 2017 op 31 december 2022. De verzoeken van 10 mei 2023 zijn dus te laat ingediend.
4.7.
Het verzoek om ambtshalve vermindering moet dan worden afgewezen, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3] Als de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het hogerberoepschrift gering is, kan die termijnoverschrijding redelijkerwijs niet aan de indiener toegerekend worden en is die verschoonbaar. [4]
4.8.
De voormalig gemachtigde heeft aangegeven dat deze termijn is overschreden, omdat hij bijzondere vertraging had in zijn werkzaamheden, zijn relatie net was beëindigd, hij druk was met de kinderen, hij een sportblessure had en druk was met de “puinhopen van begin 2017 op te ruimen”. Het hof constateert dat de aangevoerde redenen de voormalig gemachtigde zelf betreffen en is met de rechtbank van oordeel dat dit geen redenen zijn die de termijnoverschrijding voor belanghebbende verschoonbaar maken.
4.9.
Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat de voormalig gemachtigde hem heeft verzekerd dat hij (de voormalig gemachtigde) de termijnen in de gaten zou houden. Belanghebbende zegt daarop te hebben vertrouwd. Verder heeft de voormalig gemachtigde belanghebbende geïnformeerd dat het verzoek om ambtshalve vermindering slechts vijf dagen te laat zou zijn ingediend. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting aangegeven niet te weten waarop de voormalige gemachtigde deze bewering baseert. Belanghebbende heeft ter zitting ook aangegeven dat de voormalig gemachtigde in het verzoek om ambtshalve vermindering (zie 2.4) ten onrechte heeft geschreven dat het voor belanghebbende niet mogelijk was om de aangifte eerder in te dienen vanwege ontbrekende gegevens. De voor zijn aangifte IB/PVV 2017 benodigde gegevens heeft hij tijdig aan de voormalig gemachtigde verstrekt, aldus belanghebbende.
4.10.
Belanghebbende heeft de voormalige gemachtigde de opdracht gegeven om namens hem aangifte te doen en hem ook overigens te vertegenwoordigen – althans bij te staan – jegens de fiscus. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om controle te houden over de in zijn opdracht door de voormalig gemachtigde uitgevoerde werkzaamheden. Dat de aangifte IB/PVV/Zvw 2017 uiteindelijk meer dan vijf jaar na einde van het desbetreffende belastingjaar is ingediend en het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen pas toen is gedaan is dus niet alleen aan de voormalig gemachtigde maar ook aan belanghebbende toe te rekenen. Hetgeen belanghebbende ter zitting nog heeft aangevoerd maakt de termijnoverschrijding voor het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen dan ook niet verschoonbaar.
4.11.
Omdat het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen te laat is gedaan en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is heeft de inspecteur het verzoek terecht afgewezen. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de aanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikking.
Tussenconclusie
4.12.
De tussenconclusie is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door, voorzitter B.J. Rubbens, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Ter zitting heeft belanghebbende het hof geïnformeerd dat [naam 1] niet langer zijn gemachtigde is en dat [gemachtigde] hem nu vertegenwoordigt.
2.Artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (en artikel 58, lid 1, Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 49, lid 3, Zorgverzekeringswet).
3.Artikel 6:11 Algemene Pro wet bestuursrecht.
4.Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.5.