De inspecteur legde voor het jaar 2017 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op, inclusief belastingrente en een verzuimboete. Belanghebbende diende het verzoek om ambtshalve vermindering pas in mei 2023 in, ruim na de wettelijke termijn van vijf jaar na het belastingjaar 2017. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege communicatieproblemen en ziekte van zijn voormalig gemachtigde. Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat belanghebbende zelf onvoldoende controle hield over de werkzaamheden van zijn gemachtigde en het verzoek om uitstel te laat werd ingediend.
Het hof bevestigde dat de uitspraak van de rechtbank niet tijdig aan belanghebbende was bekendgemaakt, waardoor het hoger beroep ontvankelijk was. Desondanks werd het hoger beroep ongegrond verklaard omdat het verzoek om ambtshalve vermindering te laat en niet verschoonbaar was ingediend. Het griffierecht werd niet vergoed en proceskosten werden niet toegewezen.