Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:876

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-000488-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13a OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep opzettelijk vervoeren softdrugs in auto met taakstraf en verbeurdverklaring

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs, te weten hennep en hasj, in een auto. In hoger beroep vernietigde het gerechtshof het vonnis en deed opnieuw recht. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 september 2023 in Bergen op Zoom met wetenschap en feitelijke beschikkingsmacht over de drugs in de auto reed.

De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van de verbalisant die een sterke henneplucht rook bij de auto, de vondst van 453 gram hennep en 196,18 gram hasj in een kofferbak, en het kapotslaan van de telefoon door de verdachte bij inbeslagname. De verdachte voerde tegenstrijdige verklaringen aan en ontkende wetenschap, maar het hof verwierp deze op grond van de feiten en omstandigheden.

Het hof kwalificeerde het bewezenverklaarde als opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid drugs en de maatschappelijke gevolgen, legde het hof een taakstraf van 100 uur op, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uur en 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De inbeslaggenomen drugs werden onttrokken aan het verkeer en de koffer verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, deels voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaar; drugs onttrokken aan het verkeer en koffer verbeurd verklaard.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000488-25
Uitspraak : 31 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-368357-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van (
zo begrijpt het hof) 2 jaren. De op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen zijn onttrokken aan het verkeer.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing over de inbeslaggenomen voorwerpen en, opnieuw rechtdoende, zal beslissen dat aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren zal worden opgelegd, dat de hennep en hasjiesj zal worden onttrokken aan het verkeer en dat de koffer verbeurd zal worden verklaard.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 27 september 2023 te Bergen op Zoom opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van ongeveer 196,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of
- een hoeveelheid van ongeveer 453 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 september 2023 te Bergen op Zoom opzettelijk heeft vervoerd,
- een hoeveelheid van ongeveer 196,18 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en
- een hoeveelheid van ongeveer 453 gram hennep,
zijnde hasjiesj en hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023247749, gesloten d.d. 10 maart 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 84). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2023 (p. 50-52), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 27 september 2023, omstreeks 19.00 uur, reed ik over de Markiezaatsweg in de richting van de Van Gorkumweg in Bergen op Zoom. Ik zag dat in tegenovergestelde richting van mij een zwarte Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken] reed. Ik zag dat er een bestuurder en een bijrijder in zat. Ik draaide mijn dienstvoertuig en reed
achter deze Volkswagen aan. We reden over de Van Slingelandtlaan waar ik de bestuurder van de Volkswagen een stopteken gaf middels het stoptransparant aan de voorzijde van mijn opvallende dienstvoertuig. Ik zag dat de bestuurder hieraan voldeed.
Controle
Ik stapte uit mijn opvallende dienstvoertuig en liep naar de bestuurderszijde van de Volkswagen Polo. Ik zag dat het raam van het bestuurdersportier openstond. Ik rook meteen een geur die mij ambtshalve bekend is als de geur van hennep. De bestuurder bleek te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 2000 in [geboorteplaats 1] .
Ik vorderde de uitlevering van alle verdovende middelen. Ik hoorde dat de bijrijder zei dat hij hennep bij zich had. Ik zag dat hij uit zijn linker broekzak een gripzakje met hierin groene toppen pakte. Hij overhandigde mij dit gripzakje. De groene toppen herkende ik ambtshalve aan de geur en de structuur als zijnde hennep. Ik legde dit gripzakje op het dak van het voertuig. De bijrijder bleek te zijn: [medeverdachte] geboren op [geboortedag 2] 1993 in [geboorteplaats 2] .
Doorzoeking voertuig
Op 27 september 2023, omstreeks 19.15 uur, doorzocht ik het voertuig omdat ik nog steeds een sterke henneplucht uit het voertuig rook. In de kofferbak van het voertuig trof ik een grote, beige koffer aan. Ik opende de koffer en zag dat er in deze koffer zich een groot aantal grote plastic zakken bevonden. Mij is ambtshalve bekend dat dit 5 kilo zakken betreffen waarin hennep verpakt wordt. Ik zag dat veel van deze zakken leeg waren en dat deze naar hennep roken (
het hof begrijpt: merkte dat deze naar hennep roken). Ik zag dat twee doorzichtige plastic zakken nog deels gevuld waren met groene toppen. De groene toppen herkende ik ambtshalve aan de geur en de structuur als zijnde hennep. Ik zag dat er nog een plastic wikkel in deze koffer zat met twee bruine blokken. Ik zag dat er een etiket op zat van een Nederlandse en Marokkaanse vlag. Ik herkende de bruine blokken ambtshalve aan de geur, de structuur en de wijze van verpakken als zijnde hasj. Ik wist dat deze twee blokken hasj betrof.
Telefoon
Ik zag dat [medeverdachte] druk op zijn telefoon bezig was. Hierbij nam ik de mobiele telefoons in beslag voor onderzoek. Ik zag dat [verdachte] zijn mobiele telefoon uit zijn linker broekzak haalde en deze kapot sloeg tegen de vensterbank van een woning aldaar.
Op 27 september 2023 woog ik de verdovende middelen. In totaal betrof het:
In de koffer:
- twee plasticzakken hennep: totaal nettogewicht 453 gram;
- twee blokjes hasj: totaal nettogewicht: 196,18 gram.

2. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 18 november 2023 (p. 64-69), voor zover inhoudende:

Het verhoor wordt afgenomen in een vraag- en antwoord- en opmerkingsvorm.
"V" Staat voor vraag verbalisant/verbalisanten.
"A" Staat voor antwoord- opmerking verdachte.
"O" Staat voor opmerking verbalisant/verbalisanten.
V: Je bent ontboden voor het bezitten van softdrugs. Wat kun je hierover verklaren?
A: Ik heb [verdachte] die dag mijn auto geleend.
V: Lag de drugs al in je auto voordat je de auto had uitgeleend?
A:Nee, ik weet dat duizend procent zeker
O: De politie reed achter u aan en gaf een stopteken. Jullie voldeden daaraan.
V: Wat gebeurde er daarna?
A: We werden gecontroleerd. We moesten alles afgeven. Ik zag [verdachte] wel een beetje paniekerig doen.
V: Hoe zag je dat [verdachte] paniekig deed?
A: Ik zag het beetje trillen, raar om hem heen keek. Hij had ook zijn telefoon kapot
gemaakt.

3. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 14 december 2023 (p. 72-78), voor zover inhoudende:

"Het verhoor wordt afgenomen in een vraag- en antwoord- en opmerkingsvorm.
"V" Staat voor vraag verbalisant/verbalisanten.
"A" Staat voor antwoord- opmerking verdachte.
V: Je bent aangehouden voor het bezitten van softdrugs. Wat kun je hier zelf over verklaren?
A: Die auto was niet van mij.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 februari 2025, voor zover inhoudende:

De koffer was van [medeverdachte] . Ik had de auto van hem geleend. Hij belde mij met de vraag of ik hem naar een vriend wilde rijden om iets op te halen. Bij die vriend legde iets in de achterbak (
het hof begrijpt: hij, [medeverdachte] legde iets in de achterbak). De koffer kwam in de auto toen hij bij die vriend binnen was geweest.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om vast te stellen dat de verdachte wetenschap had van, dan wel beschikkingsmacht had over, de in kofferbak aangetroffen verdovende middelen.
Het hof stelt ter zake van het tenlastegelegde het volgende voorop.
Het hof stelt dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs heeft vervoerd in een voertuig onder omstandigheden een gelijksoortige afweging dient plaats te vinden als ter zake van de bestendige jurisprudentie aangaande het opzettelijk aanwezig hebben daarvan.
Op grond van de jurisprudentie dienaangaande is niet doorslaggevend aan wie de drugs in eigendom toebehoren. Evenmin is vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben (en vervoeren) van verdovende middelen is vereist dat deze zich a) in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Daarnaast is vereist dat de verdachte b) wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).
De hoedanigheid van het zijn van bestuurder en feitelijk gebruiker van een auto waarin drugs worden aangetroffen, veronderstelt naar het oordeel van het hof, feitelijke beschikkingsmacht over de in die auto aangetroffen drugs. Immers, de bestuurder en gebruiker van een auto heeft feitelijke toegang tot en kan beschikken over alles wat zich in die auto bevindt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan volgens het hof ook wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen bij de bestuurder en gebruiker van de auto worden verondersteld. In dat verband heeft als uitgangspunt te gelden dat de bestuurder en gebruiker van een auto geacht moet worden bekend te zijn met de daarin aanwezige voorwerpen en goederen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat hij toen hij op 27 september 2023 te Bergen op Zoom bij de controle van de auto met kenteken [kenteken] , waarvan de verdachte de bestuurder was, aan kwam lopen, zag dat het raam van het bestuurdersportier openstond en dat hij meteen de hem ambtshalve bekende geur van hennep rook. Ook nadat de bijrijder, zijnde [medeverdachte] , na het vorderen van de uitlevering van alle verdovende middelen, een gripzakje met daarin 6,75 gram hennep aan de verbalisant overhandigde en de verbalisant dit zakje op het dak van het voertuig had gelegd, rook de verbalisant nog steeds een sterke henneplucht afkomstig uit het voertuig. In de achterbak van de auto werd bij de doorzoeking van de auto vervolgens een koffer met daarin twee deels gevulde zakken met hennep, aangetroffen. De hennep in deze twee zakken had een totaal nettogewicht van 453 gram. Ook werden twee blokken hasj aangetroffen met een totaal nettogewicht van 196,18 gram. Op het moment dat de verbalisant de telefoons in beslag wilde nemen voor onderzoek haalde de verdachte zijn telefoon uit zijn broekzak en sloeg hij deze telefoon kapot tegen een vensterbank.
Tijdens het verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij niets wist van de softdrugs die hij vervoerde en dat de hennepgeur in de auto afkomstig was van de twee gram die hij zelf bij zich had. Tevens heeft de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat zijn bijrijder, [medeverdachte] , naast hem een jointje zou hebben gerookt. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [medeverdachte] aan het blowen was in de auto en een joint aanstak toen hij instapte. Het hof overweegt dat de verklaringen van de verdachte geen bevestiging vinden in het dossier, nu uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] niet volgt dat de verdachte zelf een kleine hoeveelheid (twee gram) hennep bij zich heeft gehad en evenmin dat in de auto aanwijzingen van (het roken van) een joint zijn aangetroffen. Bovendien heeft [medeverdachte] tijdens het verhoor bij de politie op de vraag waar de hennepgeur vandaan kwam verklaard dat hij dacht dat het van zijn zakje wiet kwam en dat de verdachte zelf misschien in de auto had gerookt, maar dat hij dit niet wist. Daarmee weerspreekt hij naar het oordeel van het hof zelf een joint te hebben gerookt en wordt bovendien niet bevestigd dat even daarvoor in de auto – door wie dan ook – een joint is gerookt. Voorts acht het hof voor het bewijs relevant dat de sterk ruikende hennepgeur nog steeds ruikbaar was op het moment dat een gripzakje met een geringe hoeveelheid hennep op het autodak werd gelegd. Naar mag worden aangenomen ruikt 2 gram hennep in een gripzakje niet even sterk als 453 gram hennep in twee deels gevulde en gelet op de geur die vrijkwam, kennelijk geopende zakken. De geur van deze 453 gram hennep kan de verdachte derhalve niet zijn ontgaan. Op grond van het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij dacht dat de hennepgeur afkomstig was van de twee gram die hij zelf bij zich had en/of van de door [medeverdachte] gerookte joint, niet aannemelijk en schuift het hof deze verklaring terzijde.
Daarnaast heeft de verdachte over zijn bezigheden die dag tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte onder andere verklaard dat hij de auto geleend had van een vriend van [medeverdachte] om zijn kind naar het ziekenhuis te brengen en dat hij op de weg was om de auto terug te brengen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte in eerste instantie verklaard dat hij de auto van [medeverdachte] heeft geleend om met de kinderen wat leuks te gaan doen, dat [medeverdachte] hem belde met de vraag of hij hem naar een vriend wilde rijden om iets op te halen, dat hij is meegereden naar die vriend zodat hij de auto verder kon lenen, dat er iets in de kofferbak werd gelegd en hij vervolgens werd gestopt voor een politiecontrole. Op het moment dat de verdachte wordt geconfronteerd met de tegenstrijdigheid dat hij aanvankelijk bij de politie heeft verklaard dat hij naar het ziekenhuis moest, heeft de verdachte verklaard dat hij eerst naar het ziekenhuis moest en daarna wat leuks zou doen met de kinderen. Het hof overweegt dat het niet waarschijnlijk is dat de verdachte op een doordeweekse avond eerst nog met zijn erg jonge kinderen langs het ziekenhuis moest en daarna nog iets leuks met ze ging doen. Bovendien vindt het feit dat de verdachte die dag naar het ziekenhuis moest op geen enkele wijze steun in het behandelde ter zitting in hoger beroep. Op grond van het voorgaande acht het hof de verklaringen van de verdachte dan ook niet geloofwaardig.
Op grond van het hiervoor overwogene, te weten de wetenschap dat ‘iets’ c.q. een koffer door een vriend van de bijrijder in de achterbak werd gelegd, de door verbalisant [verbalisant 2] waargenomen sterke geur van hennep, de in de koffer aangetroffen 453 gram hennep, het kapotslaan van de telefoon op het moment dat deze in beslag zou worden genomen en de tegenstrijdige verklaringen van de verdachte, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de drugs in het voertuig. Het voertuig werd door hem bestuurd terwijl de drugs daarin aanwezig waren, zodat de verdachte ook de feitelijke beschikkingsmacht hierover had. Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van softdrugs, zoals hiervoor onder de bewezenverklaring is vermeld.
Het hiervoor genoemde verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs heeft vervoerd in een auto. Het (frequente) ongecontroleerde gebruik van softdrugs kan de gezondheid van personen schaden en het vervoeren van hennep staat in relatie tot het vervaardigen van en de handel in softdrugs, hetgeen allerlei maatschappelijke onwenselijke effecten met zich brengt. Door zo te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan deze nadelige gevolgen. De verdachte heeft zich daar onvoldoende rekenschap van gegeven en heeft met zijn strafbare handelen de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman van de verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verdachte bij zijn moeder en stiefvader woonachtig is, hij zijn leven in belangrijke mate heeft gestabiliseerd en hij werkzaam is als bezorger voor een supermarktketen.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
De hierna te noemen in beslag genomen koffer is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen, zijn – mede gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet – vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit voorwerpen zijn met betrekking waartoe het bewezenverklaarde is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten 1 koffer (PL2000-2023247749-G2641688).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 453 gram hennep (PL2000-2023247749-G2641298) en 196,18 gram hashish (PL2000-2023247749-G2641299).
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer en mr. A.D. van Zaalen, griffiers,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.