Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
18 april 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten in een door hem gehuurd bedrijfspand. Het hof oordeelde dat de verdachte het pand ter beschikking had gesteld aan derden die daar illegale activiteiten ontplooiden, maar dat niet bewezen kon worden dat hij opzettelijk betrokken was bij de hennepteelt of het aanwezig hebben van de hennep.
De bewezenverklaring betrof het feit dat op 2 november 2018 in het pand 154 hennepplanten werden aangetroffen. De verdachte verklaarde het pand te hebben gehuurd ten behoeve van derden en ontkende kennis van de hennepkwekerij. Het hof achtte het niet bewezen dat hij medepleger of medeplichtige was, maar stelde wel dat hij onzorgvuldig had gehandeld door niet te onderzoeken wat er in het pand plaatsvond.
De Hoge Raad bevestigde dat voor het misdrijf van aanwezig hebben opzet vereist is. Omdat het hof niet had vastgesteld dat de verdachte opzettelijk de hennepplanten aanwezig had, maar slechts dat hij feitelijke macht over het pand had, was de bewezenverklaring toereikend en het cassatieberoep ongegrond. Het beroep werd verworpen en de vrijspraak in eerste aanleg bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vrijspraak wegens ontbreken van opzet op aanwezig hebben van hennepplanten blijft gehandhaafd.