Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.MV Nederland B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats ] ,
Centenario Holding & Investments B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats ] ,
[appellant sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
[appellante sub 4] ,
Maverick Valves Manufacturing HQ B.V.,
1.De kern van de zaak
2.Het verloop van de procedure
- de dagvaarding in hoger beroep van 25 september 2025, met de grieven en twee producties;
- de memorie van antwoord van 4 november 2025, met producties;
- de rolbeslissing van 2 december 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft gelast;
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026 en de daarbij in het geding gebrachte producties:
3.De feiten
- een voorschot van € 2.000.000,00 op het vast te stellen tekort in het faillissement van HQ, vermeerderd met de wettelijke rente.
“De geëxecuteerde dient binnen 10 dagen na betekening van dit proces-verbaal contact op te nemen met het kantoor van (naam gerechtsdeurwaarder), voor het feitelijk afgeven van het motorvoertuig en de daarbij behorende papieren, voor de verkoop”.
4.Het geschil
- de uitvoerbaarheid van de twee vonnissen van 14 mei 2025 te schorsen tot het moment dat deze vonnissen in kracht van gewijsde zullen zijn gegaan, en
- de Curator te verbieden de vonnissen van 14 mei 2025 te executeren en hem te bevelen om de executie van de vonnissen te staken en, voor zover executoriaal beslag is gelegd, dat op te heffen en/of niet voort te zetten, zulks op straffe van een dwangsom;
5.De beoordeling
Er zijn geen argumenten aangevoerd waarom de uitvoerbaarheid van de vonnissen van 14 mei 2025 ten aanzien van Centenario en MV zouden moeten worden geschorst of waarom de executie van deze vonnissen ten laste van Centenario en MV zou moeten worden gestaakt. De vorderingen die zijn ingesteld door Centenario en MV zullen dan ook worden afgewezen wegens gebrek aan belang.” In hoger beroep voert MV c.s. niet meer aan dat een verbod op executie “
ook ten aanzien van Centenario en MV noodzakelijk en redelijk[is],
gezien de (vervangende) zekerheid waarover de Curator al beschikt, althans welke zijn aangeboden.”
De beslissing over uitvoerbaarheid bij voorraad is dus in die zin niet gemotiveerd in de uitspraak.”, aldus [appellant sub 3] en [appellante sub 4] . Het hof volgt [appellant sub 3] en [appellante sub 4] daarin niet. De Curator heeft in de bodemzaak de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordelingen gevorderd, door [appellant sub 3] en [appellante sub 4] is daartegen verweer gevoerd. De rechtbank overwoog:
De rechtbank zal het vonnis hierna uitvoerbaar bij voorraad verklaren onder de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt voor elke opbrengst die hij uit hoofde van de executie van dit vonnis ontvangt. De door de curator te stellen zekerheid bestaat hieruit dat deze opbrengst(-en) op de Rabobankrekening van de ' [stichting X] ' te [vestigingsplaats ] dient te worden overgeboekt of afgestort. Hierdoor is het restitutierisico voldoende geëcarteerd en is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet langer bezwaar kan bestaan tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring van dit vonnis.”
instructies inzake het afgeven van het motorrijtuig[…]
aan de deurwaarder ten behoeve van de executie.”. In het proces-verbaal staat dat [appellant sub 3] diende “
contact op te nemen met het kantoor van (naam gerechtsdeurwaarder)”. Dat de naam van de deurwaarder niet is ingevuld, levert geen nietigheid op. In de kop van het proces-verbaal staat de naam van de gerechtsdeurwaarder vermeld ( [persoon B] ) en het proces-verbaal is gedrukt op het briefpapier van Flanderijn Gerechtsdeurwaarders en bevat contactgegevens (bezoekadres, een telefoonnummer en een emailadres) van Flanderijn Gerechtsdeurwaarders. Het proces-verbaal bevat dus de instructies inzake het afgeven van het motorrijtuig, namelijk dat [appellant sub 3] contact op moet nemen met Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, het kantoor van [persoon B] , en die instructie is voldoende duidelijk. De voorzieningenrechter heeft [appellant sub 3] dan ook terecht – op straffe van een dwangsom – veroordeeld tot het afgeven van de voertuigen. Dat de in het vonnis gegeven termijn van vijf dagen na betekening van het vonnis om de voertuigen af te geven te kort zou zijn, is niet onderbouwd. Met name is niet gesteld welke concreet probleem daaraan in de weg zou staan anders dan dat de voertuigen zich in het buitenland zouden bevinden, waardoor [appellant sub 3] de voertuigen niet binnen die termijn zou kunnen inleveren. Bovendien is niet gebleken dat [appellant sub 3] een serieuze poging heeft gedaan om de voertuigen inderdaad in te leveren. Het hof ziet ook geen grond om de dwangsommen af te wijzen of te matigen. Het hof zal ook op deze punten het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen.