9.2.[woonplaats] hebben in enquête negen getuigen doen horen.
[appellant sub 1] , partijgetuige, heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik laat u een aantal foto’s zien. Ik begrijp dat u die foto’s straks zal kopiëren en aan het
verslag van deze zitting zult hechten. Op die foto’s is de oude schuur te zien die nog van
[E] was. Dat is de schuur die ik later heb mogen vervangen. [persoon A] zei dat ik hem
mocht vervangen. Ik heb die schuur toen vervangen door de schuur die er nu staat en waar de discussie over gaat. U ziet een foto met een grote conifeer erop. De voorkant van mijn
perceel werd begrensd door een rij coniferen, die heb ik later allemaal weggehaald. U ziet
ook een foto waar ik op sta bij een Volkswagen golf. Achter mij ziet u de zijkant van het
perceel en u ziet dat daar bomen en groen staan. Op een andere foto ziet u een meisje staan
bij een Mercedes. Zoals ik al zei is dat de schuur van [E] en mijn woonwagen stond rechts
daarvan. Tot slot heb ik u ook een foto gegeven waarop een stapel stenen ligt en waarop u
mijn nieuwe schuur ziet. Op die foto is te zien dat de oprit opnieuw gelegd is en dat heeft de
verhuurder gedaan.
Ik woon nu ongeveer 33 tot 34 jaar op nummer [xx] . Ik stond eerder op nummer [YY] . Dat
was mijn eerste staanplaats in 1980. Later ben ik dus overgegaan naar nummer [xx] . Ik vond
dat een mooiere plaats en het was een hoekplaats. Ik heb het perceel [xx] overgenomen van
mijn broer [F] , die in een huis ging wonen. Voordat mijn broer op [xx] stond, stond [E]
daar.
Toen ik op het perceel [xx] kwam had dat perceel al dezelfde omvang als dat het nu heeft.
Aan de voorzijde van het perceel aan de weg, bij de stroomhokken stonden toen bomen. Op
het perceel stond een woonwagen en de rest was tuin.
Zoals ik al zei heb ik het perceel overgenomen van mijn broer. Aan de zijkant was groen te
zien. Aan de zijkant stonden elektriciteitshokken en er stond een hekwerk met gaas tussen de
bomen. Dat hek was ruim een meter hoog. Plus minus 34/3 5 jaar geleden heb ik op die plek
een schutting neergezet. Zoals ik al zei stonden aan de voorkant van het perceel coniferen en
er was ook een lage schutting. Zo’n 15 of 16 jaar geleden heb ik die coniferen weggehaald en
een hogere schutting geplaatst.
Toen ik op perceel [xx] kwam wonen stond op het perceel ook een schuurtje van [E] . Dat
schuurtje heb ik ongeveer 32 jaar geleden mogen afbreken. [persoon A] , [persoon B] en [persoon C]
zijn op het kamp gekomen en we hebben gesproken over een nieuwe schuur. Mijn moeder
was erbij en die zei: ik zal die nieuwe schuur wel betalen voor je als je van [persoon A] een
grotere schuur van 6 bij 8 meter mag bouwen. Toen zei [persoon A] : “ [G] voor jou doe ik
dat”. Ik heb toen die schuur gebouwd zoals die er nu staat en al die jaren heeft de gemeente
er nooit wat van gezegd. Zolang [persoon A] bij ons op het kamp kwam is er nooit een
probleem van gemaakt. Ik heb nog aan [persoon A] gevraagd of de vergunning voor die oude
kleinere schuur overgezet moest worden op die nieuwe grote schuur. [persoon A] zei toen
tegen mij dat ik dat moest laten. Het zou mij alleen maar geld kosten en het hoefde niet van
hem. Hij zou bij de gemeente een aantekening van het perceel met tuin achterlaten voor als
hij niet meer werkzaam zou zijn. Hij zei dat de gemeente er dan wel uit zou komen. Nadat
[persoon A] gestopt was bij de gemeente kwamen er andere ambtenaren en toen begonnen de
problemen.
U vraagt mij wat er na die nieuwe schuur nog gebouwd is door mij. Ik heb nog een carport
langs de garage gebouwd. Ik ben nog bij de gemeente gaan vragen of daar een vergunning
voor nodig was, maar destijds was voor een carport geen vergunning nodig zei de
gemeenteambtenaar.
Op een bepaald moment is [persoon D] bij me geweest samen met twee vrouwelijke
collega’s. Ze wilde inzage doen in mijn garage. Hij zei dat ik illegalen in mijn garage liet
wonen. Ik heb hem en zijn collega’s toen meegenomen naar de garage en hem laten zien dat
er helemaal geen illegalen woonden. Ik zei toen tegen hem dat hij me dan wel moest
vertellen hoe hij aan dat verhaal kwam. Hij gaf aan dat hij een tip had gehad.
In het verleden kwamen vaker [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en ook nog andere ambtenaren bij
ons op het kamp kijken. Ik ben er door deze ambtenaren nooit op gewezen dat iets niet in
orde was. Er was ook een gemeente ambtenaar [H] die jaren bij ons heeft
meegelopen en alles heeft gezien.
[I] is ook een gemeenteambtenaar. Die heeft bij ons ook alles bekeken en ik heb nooit
commentaar van hem gehad. Het was en is bij mij altijd pico bello in orde. Je kunt bij mij
van de straat eten. [persoon A] heeft ook tegen mij gezegd dat het bij mij prima in orde was.
Enige tijd geleden, ik hoor mr. Van de Laar aangeven ongeveer twee jaar geleden, is mr. Van
de Laar samen met [persoon A] nog bij mij op het kamp geweest. [persoon A] zei tegen mij: “ik
heb jou dat ongeveer 32 jaar geleden allemaal laten bouwen. Laat ze maar lullen. Ik heb
destijds aantekeningen gemaakt en die moeten bij de gemeente zijn”. [persoon A] heeft toen
verteld dat hij zelf nog navraag gedaan heeft naar die aantekeningen en dat hij ze niet heeft
kunnen vinden. Nu u dit dicteert zeg ik dat hij zei dat ze niet meer aanwezig waren.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik dat ik me op dezelfde manier heb voorbereid op
het verhoor in mijn eigen zaak als in de zaak van mevrouw [persoon H] .”
In de zaak [persoon H] heeft [appellant sub 1] over zijn voorbereiding op het verhoor als volgt verklaard:
“
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik me heb voorbereid op de zitting van vandaag. Ja, met handen en voeten. Ik bedoel te zeggen dat ik me goed heb voorbereid. Ik heb er met mijn vrouw over gesproken.
Ik heb niet met andere mensen erover gesproken. Het klopt dat ik voor dit getuigenverhoor
met een aantal andere getuigen beneden in de hal heb gezeten. Ik heb het toen niet over deze
zaak gehad met hen. Ik heb geen stukken doorgelezen, want ik kan niet lezen en schrijven.”
[I] , gepensioneerd ambtenaar (van onder andere de gemeente), heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik heb van 1998 tot 2004 bemoeienis gehad met het kamp op [adres] . In die tijd
was [persoon A] mijn collega. Ik had als taak de aanpak van probleemsituaties bij
bepaalde woonwagenlocaties. Op het kamp aan [adres] ben ik zelden geweest. Ik
denk dat mijn bezoeken aan dat kamp op een hand te tellen zijn. Er was daar niet zoveel aan
de hand.
[persoon A] deed het dagelijks beheer op de woonwagenlocaties. Hij droeg zorg voor de
invulling van de wensen van de bewoners (bijvoorbeeld: de wens dat de kinderen ook een
standplaats kregen op het kamp). Verder deed hij ook het technisch onderhoud en zorgde hij
voor herstel van voorzieningen. U vraagt mij of [persoon A] ook tot taak had om te
beslissen of er gebouwd mocht worden. Ik denk dat hij dat kon in afstemming met zijn
directeur (destijds [persoon J] ). U vraagt mij waarom ik dat denk. Ik antwoord u
dat ik dat denk omdat [persoon A] niet zelfstandig bevoegd was om over onroerende zaken
van de gemeente te beschikken.
Ik ben ongeveer 14 dagen geleden op het kamp aan [adres] gaan kijken. [appellant sub 1]
stond bij mij op de oprit en vroeg of ik als getuige kon optreden in zijn zaak. Door dat
bezoek weet ik dus hoe het er nu uitziet. U vraagt mij of ik me ook kan herinneren hoe het er
destijds, toen ik nog bij de gemeente de taak had om me te bemoeien met de
woonwagenkampen, eruit zag. In mijn herinnering lijkt de situatie op de standplaats van
meneer [appellant sub 1] zoals die nu is sterk op hoe het er destijds uitzag toen ik op het kamp kwam.
Ik zeg daarbij wel dat ik aan de zijkant van de schuur een overkapping aantrof die er volgens
mij in het verleden niet was. Ik heb het dan over een overkapping naast de schuur van
meneer [appellant sub 1] .
Ik weet er niets van of [persoon A] zelf, dus zonder toestemming van zijn directeur, in die tijd
toestemming gaf voor het oprichten van schuttingen en het maken van kleine bouwwerken.
Ik kan me daarvan ook niks herinneren.
In de periode dat ik met die taak belast was zijn er luchtfoto’s van het kamp gemaakt, maar
of ze nog bestaan weet ik niet.
Wat ik mij van een van de eerste werkbezoeken aan het kamp aan [adres] kan
herinneren is dat er een schuur aanwezig was die naast de oorspronkelijke standplaats van de familie [appellant sub 1] stond. Of die schuur dezelfde is als de huidige kan ik niet zeggen.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
Ik herhaal dat de schuur van de familie [appellant sub 1] naast hun standplaats staat. Niet alle
standplaatsen zijn even groot, maar het gebruikelijke formaat van een standplaats is 8 bij 15
meter.
Ik hield me niet bezig met het verhuren van de standplaatsen. [persoon A] deed dat. De
verhuur betrof de verhuur van de standplaatsen, niet van de grond naast de standplaatsen. Er
waren in het algemeen ten aanzien van woonwagenlocaties soms gedoogconstructies om
overlastsituaties te voorkomen. Als voorbeeld van zo’n gedoogconstructie kan ik aangeven
dat wij bij een bepaalde locatie toestemming hebben gegeven aan de huurder voor het
gebruik van een strook grond naast de standplaats om te voorkomen dat derden op dit
braakliggende stukje grond vuil zouden leggen. Dit gaat over [adres B] .
De bewoners van de locaties wisten heel duidelijk wat hun standplaats was en waar die
ophield.
Ik weet niet of de schuur van de familie [appellant sub 1] naast de standplaats mocht staan bij wijze van
gedoogconstructie.
U vraagt mij of als er sprake was van een gedoogconstructie die constructie dan “voor altijd” was. Dat was niet het geval.
U vraagt mij hoe dat is gegaan dat [appellant sub 1] naar mij toe is gekomen in verband met
deze rechtszaak. Ik kwam op de fiets bij mijn huis aan en hij stond bij mijn auto op de oprit.
Hij zei dat hij in een rechtszaak zat en heeft toen gevraagd of ik als getuige kon optreden. Ik
heb toen tegen hem gezegd dat het mij verstandig leek dat ik eens zou kijken hoe het eruit
zag en dat heb ik ook gedaan.”
[appellante sub 2] heeft als partijgetuige als volgt verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik woon ongeveer 34/35 jaar aan [adres] [xx] . Daarvoor heb ik vanaf 1980
gewoond op nummer [YY] . Toen ik op nummer [xx] kwam te wonen was het perceel net zo
groot als het nu is. Naast de woonwagen was gras, een tuintje. U vraagt mij hoe het perceel
was omheind. Er stonden coniferen en een lage afrastering en helemaal rondom waren
schuttingplaten. Die schuttingplaten zijn later gemaakt.
Mensen bij de gemeente [A] hebben geregeld dat wij van nummer [YY] naar [xx]
mochten verhuizen. Ik herinner me de namen van [persoon C] , [persoon B] en er was nog iemand bij
van wie ik de naam niet meer weet. Voordat wij naar nummer [xx] gingen woonde op die
standplaats de broer van mijn man. Voor de broer van mijn man woonde [E] op nummer
[xx] .
U vraagt mij of de verhuurder destijds, toen wij naar nummer [xx] verhuisden heeft gezegd:
“nummer [xx] inclusief wat jullie het zijstuk noemen wordt door jullie gehuurd”. Ik heb altijd
geweten voor mezelf dat het hele perceel dus inclusief zijstuk bij elkaar hoorde. Het was dus
net zo groot als nu.
Ik heb nooit een huurcontract gezien.
Het klopt dat toen wij [xx] gingen huren er een kleine garage op het perceel stond. Op die
garage zat een vergunning van [E] . Wij hebben in de loop van de tijd een grotere schuur
gebouwd. Daarvoor hebben we nog geld gekregen van mijn schoonmoeder. [persoon C] , [persoon B]
en [persoon A] zeiden dat we geen vergunning hoefde aan te vragen voor die grotere schuur.
Ze zeiden dat er geen vergunning op hoefde.
Na die schuur hebben we ook nog een open carport gebouwd. Ook daar was volgens de
gemeente geen vergunning voor nodig, omdat hij aan de voor- en achterkant open was.
In de loop van de tijd hebben we de coniferen vervangen door schuttingplaten. Ik weet nu
niet meer precies wanneer dat is geweest. Het is al zo lang geleden. Het klopt dat er nu
helemaal rondom het perceel schuttingplaten zijn. Aan de voorkant zijn er twee poorten.
U vraagt mij of er regelmatig controles werden uitgevoerd door de gemeente. Bij mijn weten
is er maar een keer gecontroleerd. Er kwamen twee mannen en een vrouw en die wilden in
de garage kijken.
[persoon A] kwam in de tijd dat we op nummer [xx] woonden ook regelmatig op het
kamp. Hij regelde veel voor de mensen op het kamp en als we problemen of vragen hadden
konden we bij hem terecht. We hebben dus bijvoorbeeld ook aan hem gevraagd of we een
vergunning nodig hadden voor de schuur. Mr. Hagelaars merkt op dat de getuige ook heeft
verklaard dat ze niet wist dat [persoon A] een ambtenaar was van de gemeente. Ik raadsheer
commissaris geef aan dat de getuige dat inderdaad heeft gezegd en noteer daarom deze
aanvulling. Op de vraag van mr. Van de Laar antwoord ik dat ik wel wist dat [persoon A] bij
de gemeente werkte. De laatste keer dat [persoon A] bij ons is geweest kwam hij samen met
mr. Van de Laar.
Ik kan nu niet meer precies zeggen of de nieuwe schuttingplaten er al waren toen [persoon A]
bij ons op het kamp kwam.
U vraagt mij of [J] en [H] controles uitvoerden op het kamp. Ik kan me
herinneren dat zij een keer zijn geweest. Ik heb toen kennis met hen gemaakt. Wij hebben
toen niet gesproken over iets met de gemeente. Mijn man regelde dat soort zaken ook. Ik
weet er niks van of [J] of [H] iets over de nieuwe schuur hebben gezegd. [J]
en [H] kwamen regelmatig op het kamp. Ik bedoel daarmee dat ze om de paar
maanden kwamen. Ze kwamen vaker samen, maar [H] is ook weleens alleen
geweest. [persoon B] kwam ook vaker op het kamp.”
[persoon K] , zwager van [appellant sub 1] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik denk dat [appellant sub 1] en zijn vrouw ongeveer 30 jaar geleden op nummer [xx] op het kamp op
[adres] zijn gaan wonen. U vraagt mij of ik weet hoe het perceel er toen uit zag
waar zij op gingen staan. Ze hadden een plek voor de woonwagen en een stuk aan de zijkant
met gras en zand. Zij hebben dat stuk aan de zijkant vanaf het begin af aan in gebruik
genomen. [appellant sub 1] vroeg aan [persoon A] of hij dat zijstuk mocht verharden. [persoon A] zei dat
dat oké was. Ik weet dat, omdat ik bij dat gesprek aanwezig was. [appellant sub 1] vroeg of hij dat
stuk mocht verharden en of hij om dat stuk heen een omheining mocht plaatsen. Zoals ik al
zei vond [persoon A] dat goed. Er heeft niet vanaf begin af aan een schutting om het
terrein gestaan. Eerst stonden er bomen en een hekwerk met gaas. Dat was aan de voorkant
en ook aan de zijkant. Pas later zijn die bomen en dat gaas vervangen door een schutting.
Ik herinner mij dat wij met een man of vijf zes op de plaats van [appellant sub 1] stonden toen we dat
gesprek met [persoon A] hadden. Volgens mij waren er drie of vier ambtenaren van de
gemeente bij. Ik denk dat het gesprek plaats vond op een namiddag.
Die bomen en het gaaswerk zijn naderhand vervangen door de schutting, maar ik weet niet
meer precies wanneer.
[persoon A] kwam altijd bij ons op de woonwagenkampen. Als je iets vroeg en [persoon A] zei
ja, dan was het ook ja. En als [persoon A] iets niet goed vond en nee zei, dan was liet ook nee. Dat
wist iedereen. Ik kon het heel goed vinden met [appellant sub 1] en ik was bijna altijd bij hem op het
kamp.
[appellant sub 1] heeft ook aan [persoon A] gevraagd of hij de schuur mocht bouwen en ook dat mocht.
U vraagt mij of ik een belang heb bij de afloop van deze procedure. Ik heb geen belang
hierbij.
Mr. van de Laar geeft aan dat hij aanneemt dat ik de oude schuur heb gezien die er eerst
stond. Dat klopt. Mr. Hagelaars merkt op dat deze vraag niet op deze manier gesteld moet
worden en de raadsheer-commissaris is dat met hem eens.
[appellant sub 1] vroeg aan [persoon A] of hij de oude schuur, die nogal smal was, mocht vervangen door
een nieuwe schuur. [appellant sub 1] vroeg ook of die groter mocht worden. Dat mocht. [appellant sub 1] mocht
een grotere schuur maken dan de oude schuur. Hoe groot de nieuwe schuur precies mocht
worden weet ik niet.
Na de bouw van die nieuwe schuur heeft [appellant sub 1] ook nog een overkapping aan de zijkant
van de schuur gebouwd. Ook dat mocht van [persoon A] . Ik weet niet of er een vergunning is
gevraagd en gegeven voor die overkapping. Ik heb geen verstand van vergunningen.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij hoe ik mij voor vandaag heb voorbereid. Ik heb me niet voorbereid. Ik weet
natuurlijk van [appellant sub 1] dat deze procedure loopt. Deze kwestie loopt al jaren tegen de
gemeente. Ik weet dat 6 of 7 mensen, waaronder mijn broer, met de gemeente hier een
probleem over hebben. Op het kamp hebben we vaak over deze procedures gesproken. We
wonen op het kamp dicht bij elkaar en dan praat je over dit soort dingen.
Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik heb de zaak niet met u besproken. Ik heb u net voor het eerst gezien.”
[persoon E] , medebewoner van het woonwagenpark aan [adres] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik heb mij niet speciaal voorbereid op dit verhoor. Ik ken de zaak wel zo’n beetje uit mijn
hoofd. Ik heb met u besproken hoe het hier zou gaan vandaag en dat ik hier naartoe moest
komen. Ik heb niet met u gesproken over wat u aan mij zou gaan vragen en wat ik zou gaan
antwoorden.
Ik woon denk ik vanaf begin 1988 op het kamp op [adres] . De familie [appellant sub 1]
woonde er toen al. Volgens mij stonden ze toen ook al op nummer [xx] . Het perceel van
familie [appellant sub 1] was vroeger afgezet met coniferen, of in elk geval met bomen. Later is er een
schutting in plaats van die bomen gekomen. De plek zelf is altijd geweest zoals die nu is. De
raadsheer-commissaris vraagt mij of ik daarmee bedoel dat de plek altijd zo groot is geweest
zoals die nu is. Dat bedoel ik.
U vraagt mij of er nog iets gewijzigd is op nummer [xx] vanaf het moment dat ik op het kamp
ben komen wonen. Zoals ik al zei, is er een omheining gekomen in plaats van die bomen. Bij
mijn weten stond de garage er wel al.
U vraagt mij of ik weet of de familie [appellant sub 1] toestemming had van de gemeente voor het
plaatsen van die schutting. Het was zo dat vroeger alles ging via [persoon A] . Ik ben niet
bij een gesprek geweest tussen [persoon A] en de familie [appellant sub 1] over het plaatsen van die
schutting. [persoon A] kwam vaker op het kamp en ik heb later van hem zelf gehoord dat
[appellant sub 1] die schutting mocht zetten.”
[persoon F] , zwager van [appellant sub 1] en broer van [appellant sub 1] - [persoon F] , heeft verklaard:
“Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
U vraagt of ik mij heb voorbereid op vandaag. Ik antwoord u dat ik mijn zwager probeer een
beetje te helpen. We hebben in het verleden er al vaker over gesproken. Voor vandaag heb ik
niet speciaal met hem erover gehad. Mijn zwager en mijn zus hebben mij niet gezegd wat ik
vandaag moest verklaren. Ik heb deze bijeenkomst niet met mr. van der Laar voor besproken.
Volgens mij wonen mijn zus en haar man ongeveer 35 jaar op nummer [xx] op het kamp aan
[adres] . U vraagt mij hoe het perceel [xx] eruit zag toen zij daar gingen wonen.
Het perceel was een grasveld en er waren bomen. Het was een soort tuin ofzo. Er stond ook
een garage op. De woonwagen stond op het vak zelf. Het zijn twee verschillende percelen. Er
was een oprit naar de garage. Die twee percelen hoorden wel bij elkaar. De raadsheer
commissaris vraagt hoe ik dat weet. Volgens mij was dat zo omdat de situatie tegenover de
familie [appellant sub 1] precies hetzelfde was.
Volgens mij stonden langs de hoofdweg gemeentebomen aan de rand van het perceel. Aan de
voorkant stond een lage schutting met coniferen. Het perceel had dezelfde oppervlakte als
dat het nu heeft. Wel zijn er naderhand nog dingen bij gebouwd.
De bomen zijn op een bepaald moment vervangen door een betonnen schutting. Ik weet niet
of dat met een vergunning is gebeurd, maar er was wel toestemming voor. Een man van de
gemeente had die toestemming gegeven. Ik heb dat naderhand gehoord, want ik was er niet
bij toen die toestemming aan mijn zwager zou zijn gegeven.
Het klopt dat er is bij gebouwd op het perceel. Er stond een kleine garage en die is vervangen
door een grotere. Ook is er een carport gebouwd en is het perceel verhard met stenen. Ik weet nu niet meer precies of die poorten er toen ook al hingen of niet. Ik denk dat de oude garage door de grote garage is vervangen toen mijn zwager en mijn zus daar ongeveer 2 jaar
woonden, maar ik weet het niet meer precies. Volgens mij is het perceel ook verhard in
diezelfde periode. U vraagt nog een keer naar de toestemming voor het bijbouwen. We
hebben het onderling er vaker over gehad dat die man van de gemeente het allemaal goed
vond. Ik doe mijn best maar ik kan mij zijn naam echt niet meer herinneren. Hij was de man
die alles op de woonwagenkampen regelde. Hij is inmiddels overleden. We hebben het vaker
onderling over hem gehad. Wij spraken erover dat deze gemeenteman het goed had
gevonden dat de grotere garage en die andere dingen daar werden gebouwd.
Die man van de gemeente, van wie ik de naam niet meer weet, kwam vaker kijken op het
kamp. Hij keek bijvoorbeeld of er fatsoenlijk werd gebouwd, want het moest wel allemaal
netjes gebeuren. Ik heb weleens met hem gesproken over koetjes en kalfjes.
De gemeenteman was minimaal eenmaal per paar maanden op het kamp om te controleren.
Ik heb weleens vaker ambtenaren op het kamp aan [adres] gezien. Het was niet
zo dat die altijd voor mijn zwager en mijn zus kwamen.”
[persoon G] , zwager van [persoon H] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
U vraagt aan mij hoe ik mij heb voorbereid voor vandaag. Ik heb niet met mevrouw [persoon H] of
met [appellant sub 1] de zitting voor besproken. Ook niet met mr. van de Laar. Ik heb wel die oproep
gekregen om te komen vandaag. En [appellant sub 1] heeft me vanmorgen uit bed geroepen.
We hebben het wel al met elkaar eerder gehad over deze procedure.
Volgens mij woont de familie [appellant sub 1] ongeveer 44 jaar op het kamp op [adres] . Ze
hebben eerst op het perceel naast nummer [xx] gewoond. Op nummer [xx] woonde toen
[E] . Ik kan me niet meer herinneren wanneer de familie [appellant sub 1] precies op nummer [xx] is
gaan wonen. Ik vergeet dingen snel. U vraagt mij hoe dat perceel nummer [xx] eruit zag toen
de familie [appellant sub 1] daar ging wonen. Het was een veldje en dan bedoel ik het perceel naast de
wagen. Om dat perceel stonden bomen en coniferen. [E] had op dat perceel al een
garage gezet.
Toen de familie [appellant sub 1] daar ging wonen had het perceel dezelfde oppervlakte als dat het
perceel nu heeft. [E] had dat perceel zo al in gebruik.
[appellant sub 1] heeft op een bepaald moment die bomen rondom dat perceel vervangen door een
schutting. Dat mocht van [persoon A] . Ik heb zelf erbij gestaan toen de schutting werd
gemaakt. Eerst moest [appellant sub 1] stoppen met het bouwen maar naderhand mocht hij de schutting
toch verder afmaken. Er was nog een ambtenaar bij [persoon A] , maar daar weet ik de naam
niet meer van.
In die tijd had je nooit een vergunning nodig voor dit soort dingen. Tegenwoordig heb je
voor alles en nog wat een vergunning nodig.
Nadat [appellant sub 1] op nummer [xx] is gaan wonen heeft hij er nog een grote garage en een carport
neergezet. Hij mocht die gebouwen laten staan. Als de gemeente in die tijd het niet goed
vond dat je iets bouwde, moest je stoppen met bouwen en het soms ook gelijk afbreken. Ik
heb er bij gestaan dat [persoon A] tegen [appellant sub 1] zei dat hij daar mocht bouwen. Ik zeg
daarbij dat als iemand bij ons op het kamp komt, we allemaal meteen naar buiten gaan om
erbij te staan.
[persoon A] kwam in het begin vaker op het kamp aan [adres] . Hij kwam
gewoon praten en buurten en een bakje koffie drinken. Ook andere ambtenaren van de
gemeente kwamen vaker bij ons op het kamp. Volgens mij kwam [persoon A] ook kijken of
alles wel in orde was. Hij vond alles altijd goed.
Toen [E] nog op nummer [xx] woonde was er volgens mij al bestrating op dat perceel.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij hoeveel mensen erbij stonden toen [persoon A] tegen [appellant sub 1] zei dat hij de
schutting mocht bouwen. Dat vind ik moeilijk om te zeggen want dat is al heel lang geleden.
Ik denk dat er zo’n zes of zeven mensen bij waren, waaronder die andere man van de
gemeente. Volgens mij was [persoon F] , die man die toen straks hier ook was, er ook bij. Ik dacht
ook nog wat andere mensen van het kamp. [persoon F] woont niet bij ons op het kamp, maar hij
was er wel. Zoals ik al zei als bij ons iemand het kamp opkomt dan komen mensen al snel
naar buiten om erbij te staan.”
[H] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik ben zelfstandige en beheer op dit moment woonwagenlocaties in de regio [A] .
Voorheen verrichtte ik het beheer in de gemeente [A] . In de periode dat ik de
woonwagenlocatie aan [adres] beheerde, was in eerste instantie de gemeente
[A] eigenaar. Vervolgens is de locatie overgedragen aan Wooninc (niet in eigendom).
Dat was in 2003. Wooninc heeft toen aan mij gevraagd om voor haar het beheer te doen voor
die locatie.
Ik heb in de periode van 2003 tot 2006 het beheer uitgevoerd over de woonwagenlocatie
Welschapsedijk. Ik had medewerkers in dienst, waaronder [J] . Mijn activiteiten
heb ik ondergebracht in het bedrijf [zz] B.V. Mijn functie was het namens de
gemeente/Wooninc verrichten van technisch en sociaal beheer. Als voorbeeld van sociaal
beheer noem ik dat als er een betalingsachterstand was bij een bepaalde bewoner, ik in
overleg ging en probeerde een betalingsregeling tot stand te brengen. Met technisch beheer
bedoel ik dat als er gebreken waren op de locatie, ik die ging beoordelen en indien nodig
zorgde voor reparatie.
Ik oefende geen controle uit op bouwwerken die door de bewoners werden gebouwd of op
gronden die de bewoners in gebruik hadden. Dat was ook niet mijn taak. Dat was de taak van
[persoon A] .
Toen de overdracht plaatsvond van de gemeente naar Wooninc heb ik samen met [persoon A]
alle woonwagenlocaties in [A] bezocht. Hij vertelde me wat er speelde en ik
heb kennis gemaakt met de bewoners. Dat was dus in 2003. Ik ben toen ook op de locatie aan
[adres] geweest. [persoon A] heeft me toen niet verteld dat er sprake was van illegale
bouwwerken.
(…)
Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik me kan herinneren hoe het perceel [adres] van de familie
[appellant sub 1] er in 2003 uit zag. Ik herinner me dat er sprake was van een stenen gebouw (hun
woning) en dat er aan die woning een serre was. We hebben toen in die serre koffie zitten
drinken. Ik meen dat links van de woning een dubbele garage stond. Er was ook een strook
grond naast de garage naar de weg toe. De familie [appellant sub 1] had die strook in gebruik. Voor
zover ik me kan herinneren was er sprake van een omheining. Volgens mij liep het perceel
niet helemaal tot aan de weg.
Ik weet dat [persoon A] liever had dat de stroken grond in gebruik gegeven werden aan
de bewoners dan dat ze braak lagen, want de bewoners hielden die stukken dan netjes bij. Ik
weet dat omdat [persoon A] me dat zelf heeft verteld.
Ik weet niet of [persoon A] de bevoegdheid had om stroken grond in gebruik te geven. Ik
weet wel dat [persoon A] mijn aanspreekpunt bij de gemeente was voor alles.
Ik weet niet of [persoon A] zelfstandig beslissingen nam voor bijvoorbeeld de uitgifte
van bouwgrond en dergelijke.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
Ik had een overeenkomst met Wooninc, niet met de gemeente. U vraagt mij of [persoon A]
in 2003 met pensioen is gegaan. Dat weet ik niet. U vraagt mij of [persoon A] in de
periode 2003 tot 2006, toen ik het beheer deed van de woonwagenlocaties, mijn contact is
gebleven. Ik antwoord dat ik na de overdracht aan Wooninc betrokken was bij allerlei
werkgroepen. Volgens mij zat [persoon A] daar niet meer bij, maar dat weet ik niet
zeker. U vraagt mij wie de controle deed op de aanwezigheid van illegale bouwwerken na
het vertrek van [persoon A] . Ik antwoord u dat ik aanneem dat dat aan iemand anders bij
de gemeente is overgedragen, maar ik weet niet aan wie. Ik weet wel dat er luchtfoto’s van
de woonwagenlocaties werden gemaakt, waarop illegale bouwwerken te zien zouden zijn
geweest.
(…)
U vraagt mij hoe ik mij op het getuigenverhoor inbeidezaken van vandaag heb voorbereid.
Ik ben met de auto langs de woonwagenlocatie aan [adres] gereden en heb bij
mezelf heel lang nagedacht over wat ik nog wist. Toen ik erlangs reed heb ik geen vreemde
dingen gezien. Het beeld dat ik in mijn hoofd had klopte nog steeds. Ik ben wel even uit de
auto gestapt maar heb met niemand gesproken.
Ik heb geen stukken uit deze procedure of andere stukken nagelezen in verband met deze
zitting.
Ik heb van mr. Van de Laar gehoord waar het over ging. Ik heb contact met hem gezocht
toen ik de oproep kreeg en heb hem gevraagd waarom ik als getuige moest komen over
zoiets van zo lang geleden. Mr. Van de Laar gaf toen aan dat hij mij over de situatie van toen
vragen wilde stellen. Nu u dit dicteert kan ik een aanvulling daarop verklaren, dat ik ook de
gemeente heb gebeld of ze me in verband met deze zitting wilden helpen aan luchtfoto’s. De
man die ik aan de telefoon had vond het een terechte vraag, maar belde mij na 2 weken terug
en deelde mee dat hij ze niet aan mij mocht geven. Ik kijk na in mijn papieren en ik zie dat ik
gesproken heb met [persoon I] .”
[J] , bouwkundige, heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik voor deze zitting contact met u heb gehad. Ik heb alleen schriftelijk
contact met u gehad naar aanleiding van uw brieven die hardnekkig binnen bleven komen.
Ik ken de familie [appellant sub 1] uit het verleden als bewoners van de woonwagenlocatie aan [adres]
. Ik heb enkel beroepsmatig met de familie [appellant sub 1] contact gehad in de tijd dat
ik het technisch en sociaal beheer op deze locatie deed. Ik kijk even in mijn CV en zie dat ik
in 1987 ben gaan werken als algemeen bouwkundige bij de dienst beheer woningen en
gebouwen. Een deel van mijn taken was om het technisch en sociaal beheer op
woonwagenlocaties te doen. In het kader van die taak ben ik in contact gekomen met [persoon A]
. Ik werkte niet “onder” [persoon A] , maar met [persoon A] . [persoon A] had als
enige taak het onderhouden van contacten met de bewoners van de woonwagenlocaties. Ik
werd als 25-jarige snotneus met hem meegestuurd. Van 2008 tot en met 2010 ben ik als
zzp’er via [zz] B.V. technisch en sociaal beheer op de woonwagenlocaties gaan doen.
Ik ben vanaf 2010 niet meer werkzaam op woonwagenlocaties.
Mijn functie is in de jaren dat ik werkzaam was op woonwagenlocaties hetzelfde gebleven.
Ik was bouwkundige en ik hield me bezig met het technisch en sociaal beheer op die locaties.
Een deel van onze taak was om de contacten te onderhouden tussen de bewoners en de
gemeente en daarmee de rust te bewaren.
U vraagt mij wat de taak van [persoon A] was in die tijd. Hij deed het beheer van de
woonwagenlocaties en alles wat daarmee samenhing. Hij was de man van de
woonwagenlocaties. Ik weet niet welke bevoegdheden van [persoon A] schriftelijk zijn vastgelegd,
maar hij had zodanig aanzien en zo’n goede contacten met de directeur [persoon J] ,
dat hij dingen geregeld kreeg zonder tegenspraak van de ambtenarij.
[persoon A] en [persoon J] hadden wekelijkse overleg. [persoon J] was een
politiek dier. Hij kreeg regelmatig vragen uit de gemeenteraad en van het college over hoe
het ging op die locaties. Er waren in die tijd regelmatig spanningen op die locaties en hij
wilde goed op de hoogte gehouden worden van de situatie. Hij steunde [persoon A]
maximaal. Ik wil hierbij nog enige uitleg geven. Er was in die tijd heel veel aan de hand. De
grote locatie op [K] werd opgedeeld in kleine locaties en mensen moesten
verhuizen/verplaatsen. Het is dus niet zo dat ik bedoel te zeggen dat er met de bewoners
onderling spanningen waren, maar er was gewoon veel aan de hand.
U vraagt mij of ik weet of [persoon A] bewoners toestemming gaf om te bouwen zonder
vergunning. Ik kan niet uit eigen wetenschap verklaren dat hij dat deed, maar ik kan het me
wel voorstellen. U vraagt mij waarom ik mij dat kan voorstellen. Ik antwoord u dat er soms
dingen moesten gebeuren op de locaties, zoals bijvoorbeeld het herstellen van kapotte
gebouwen of het afbreken daarvan en de ambtenaren van bouw en woningtoezicht gingen
niet graag naar de woonwagenlocaties toe. Ik kan mij voorstellen dat [persoon A] in die
situatie toestemming heeft gegeven en als hij dat heeft gedaan, zal hij dat zeker
teruggekoppeld hebben naar de directeur. Het is juist dat ik dat veronderstel en niet uit eigen
wetenschap weet. U vraagt mij waarom ik dat veronderstel. Ik antwoord u dat ik een keer het
verzoek kreeg van [persoon J] om een inventarisatie te maken van wat er legaal en
illegaal op de locaties was gebouwd. Nadat ik die lijst had opgesteld, zei [persoon J]
“mooie lijst, we doen er niets mee”. Wat illegaal was, was illegaal en sommige dingen zijn
met toestemming van [persoon A] daar neergezet, zo zei [persoon J] .
U vraagt mij wat ik me kan herinneren over de bebouwing die er in de tijd dat ik werkzaam
was op woonwagenlocaties op perceel [xx] aan [adres] aanwezig was. Ik herinner
me dat er bebouwing was en dat die in bouwkundige opzicht niet al te best was. Later is dat
door iemand verbeterd en zag het er netjes uit. Onze taak was ook om ervoor te zorgen dat
het er netjes uit zag op de locatie.
Ik weet niet of er uitbreidingen door de familie [appellant sub 1] hebben plaatsgevonden op de locatie.
Ik sprak zojuist over de garage. Ik heb de garage niet groter zien worden. Het was ook niet
mijn taak om daarop te letten. De bebouwingen waren geen onderdeel van het gehuurde. De
gemeente verhuurde de standplaatsen met een sanitaire ruimte. De woonwagens en
gebouwtjes waren geen eigendom van de gemeente en ik had daar geen zeggenschap over.
Ik weet niet of de familie [appellant sub 1] het perceel groter heeft gemaakt, bijvoorbeeld door het
verplaatsen van een schutting. Ik kan me dat ook niet herinneren.
Ik weet van een discussie tussen de gemeente en de familie [appellant sub 1] over het uitbreiden van het
perceel. Ik kijk nu even in mijn eigen aantekeningen om te zien hoe het zat. Eind 2009 is er
een gesprek geweest tussen de wethouder en de familie [appellant sub 1] . Dat gesprek ging over het
voornemen van de gemeente om het stuk grond waar de garage op stond in gebruik of in
huur te geven aan [persoon M] . Zelf ben ik niet bij dat gesprek geweest. [H]
wel. Van [H] heb ik vernomen dat het er heftig aan toe ging tijdens dat gesprek.
Uiteindelijk is de gemeente niet tot een besluit gekomen en is het stuk grond niet aan Teke in
gebruik gegeven.
Ik kan de schuur op perceel [xx] niet omschrijven.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij hoe vaak ik op de locatie aan [adres] kwam. In de tijd dat ik via
[zz] werkte, kwam ik er in ieder geval een keer per twee weken. Als de noodzaak
aanwezig was, kwam ik er soms twee keer per week.
In de tijd dat ik als ambtenaar bij de gemeente werkte, ging ik naar de locatie toe, als er een
vraag kwam of als er een probleem was. [persoon A] vroeg mij dan om mee te gaan. Ik kan niet
zeggen hoe vaak ik in die tijd op de locatie kwam.”