9.2.[appellante] heeft in enquête zes getuigen doen horen.
[persoon C] , medebewoner van het woonwagenpark aan de [adres] en appellant in de zaak 200.306.250/01, heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik woon al zolang het kamp aan de [adres] bestaat op dat kamp, volgens mij vanaf
1980. Ik ken de situatie van het perceel [I] zoals die nu is en ik zeg u dat de situatie zoals
die nu is qua omvang van het perceel altijd zo geweest is.
De schutting aan de kanaalzijde van perceel [I] staat er al jaren. U vraagt mij om meer
precies aan te geven hoelang. Ik verklaar u dat ik denk dat die schutting er zo’n 15/16 jaar
staat, ongeveer. Ik zeg dit dus als het ware plus minus, het kan ook meer zijn. Als ik het nu
over die schutting heb gaat het over de schutting zoals die er nu uitziet en er nu staat.
Daarvoor stond op dezelfde plek een hele oude vieze schutting. Die is in de loop der tijd
vervangen. Die is vervangen nadat bij ons een kind over de dijk was gekropen en verdronken
was in het kanaal. Dat was een kind van [L] . De gemeente wilde toen een hekwerk
plaatsen, maar dat vonden wij niks. Toen is dus die schutting gekomen zoals die er nu staat.
Het is een houten schutting. Alle mensen op het kamp waren er tevreden mee. De kinderen
konden nu niet meer via die kant naar de dijk komen. U vraagt mij wanneer dat kind
overleden is, maar dat kan ik echt niet meer zeggen. Het is jaren terug gebeurd.
Voor [appellante] op nummer [I] ging wonen, woonde daar [persoon B] . Die heeft in het
verleden die oude schutting geplaatst, die ik de vieze schutting noemde. Later heeft [appellante]
die schutting vervangen door een nieuwe. Zoals ik al zei vonden wij dat allemaal prima
op het kamp in verband met de veiligheid van onze kinderen.
U vraagt mij of ik weet of de gemeente toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van die
oude en later de hernieuwde schutting. Dat weet ik niet, maar ik denk van wel omdat de
gemeente zelf dat hekwerk wilde plaatsen en er in plaats daarvan toen die nieuwe schutting is
gekomen. Ik neem dan aan dat de gemeente het er mee eens is geweest. Met betrekking tot
de oude schutting kan ik u zeggen dat er nooit geen praat over geweest is. Anders had ik het
wel gehoord. Ik neem daarom aan dat de gemeente het wel goed vond dat die schutting er
stond.
U vraagt mij of er overleg is geweest tussen de gemeente en de bewoners van het kamp over
het hekwerk dat de gemeente wilde plaatsen. Er is overleg geweest. Er is met een aantal
ambtenaren van de gemeente gesproken. Ik noem daarbij de namen [G] , [H] en [persoon A]
. Er kwamen regelmatig ambtenaren naar ons kamp en dan spraken we met elkaar over
dingen en over dat hekwerk. Ik heb zelf van de gemeente geen brief gekregen over de
plannen om dat hekwerk te plaatsen, maar ik weet dat de ouders van het verdronken kindje
wel een brief hebben gehad. Ik zei al dat wij op het kamp dat hek niks vonden. Het is niet zo
dat we echt met elkaar vergaderd hebben daarover, maar we praatten op het kamp regelmatig met elkaar en uiteindelijk is toen in plaats van dat hekwerk die schutting gekomen.
Het is ook voorgekomen dat de ambtenaren van de gemeente met ons praatten over dingen
die weggehaald moesten worden of hersteld moesten worden. Ik heb nooit van de
ambtenaren rechtstreeks gehoord dat ze akkoord waren met die schutting, maar ik heb van
horen zeggen dat ze het een nette schutting vonden.
Ik heb nooit gezien dat er luchtfoto’s gemaakt zijn van het kamp. Ik heb wel luchtfoto’s
gezien. Ik neem aan dat er ook luchtfoto’s zijn waar de schutting op staat, althans dat denk
ik.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik me heb voorbereid op de zitting van vandaag. Ja, met handen en voeten. Ik bedoel te zeggen dat ik me goed heb voorbereid. Ik heb er met mijn vrouw over gesproken.
Ik heb niet met andere mensen erover gesproken. Het klopt dat ik voor dit getuigenverhoor
met een aantal andere getuigen beneden in de hal heb gezeten. Ik heb het toen niet over deze
zaak gehad met hen. Ik heb geen stukken doorgelezen, want ik kan niet lezen en schrijven.
U laat mij de bovenste foto zien die bij productie 3 van de inleidende dagvaarding in de zaak
[appellante] is gevoegd. Ik herken de standplaats van [appellante] . U vraagt mij of ik op de foto
een schutting zie. Die zie ik niet op de foto. [appellante] had de oude schutting
afgebroken en heeft daarna een nieuwe schutting geplaatst en ik denk dat deze foto genomen
is op een moment dat de nieuwe schutting nog niet geplaatst was.”
De heer [L] , zoon van [appellante] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
De schutting zoals die nu op het perceel [I] aan de [adres] staat, is een schutting die
is herbouwd. De allereerste schutting die daar op die plek heeft gestaan, was illegaal
gebouwd door [persoon B] . Die heeft hij toen moeten afbreken. Daarna heeft [persoon B] met
vergunning opnieuw op dezelfde plek een schutting neergezet. Die schutting hebben wij op
een bepaald moment vervangen en mijn moeder heeft toen een nieuwe schutting neergezet
op dezelfde plek als waar de oude schutting stond. Dat was in 2018 of 2019. Mijn moeder
heeft die laatste schutting neergezet op basis van de oude vergunning van [persoon B] . Ik weet niet
of iemand van de gemeente in 2018 of 2019 aan mijn moeder toestemming heeft gegeven om
de nieuwe schutting neer te zetten.
We hebben destijds die oude schutting, die [persoon B] met vergunning had gebouwd, afgebroken.
Toen heeft er denk ik een paar maanden niets gestaan. En vervolgens hebben wij die nieuwe
schutting daar neergezet.
Ik weet dat de gemeente, toen [persoon B] die illegale schutting weg had gehaald, op die plek
een Heras als hekwerk neer wilde zetten. Wij op het kamp wilden dat niet en hebben toen
een handtekeningenactie gevoerd. Vervolgens heeft [persoon B] toen een vergunning gekregen om
op die plaats een schutting te zetten.
Nu u dit dicteert zeg ik dat mijn moeder al eerder een door haar geplaatste schutting heeft
laten vervangen. De schutting die er nu staat heb ik in 2018/2019 voor haar daar neergezet.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U laat mij de tweede foto zien zoals die bij productie 2 inleidende dagvaarding is overgelegd.
Het klopt dat daar helemaal van voor naar achter op het perceel [I] op ongeveer 80
centimeter langs de wagen van mijn moeder een laag muurtje staat. Dat is van begin af aan
zo geweest.”
[persoon D] , zwager van [appellante] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:
De schutting op nummer [I] op de [adres] staat er zo’n 2 of 3 jaar. Ik weet het niet
precies, want ik kom niet zo vaak in die hoek van het kamp. Alle bewoners klagen over die
schutting. Toen we er kwamen wonen in 1980 hadden we gewoon vrije doorgang en nu staat
die schutting er. Voor de schutting die er nu staat heeft er nooit een schutting gestaan, ook
niet toen [persoon B] er woonde. Wel hebben er twee of drie illegale garages gestaan en die
hebben ze moeten afbreken.”
[appellante] heeft als partijgetuige het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik heb mij niet voorbereid op deze zitting. Ik sta in mijn gelijk en kom hier gewoon vertellen
hoe het zit.
U vraagt mij hoe mijn standplaats eruit ziet. Bedoelt u mijn standplaats of het stuk grond
ernaast. Dat stuk grond wordt door de gemeente verwaarloosd. Ik sta soms tot mijn enkels in
het water. U onderbreekt mij en vraagt me wat ik nu precies huur. Ik huur mijn standplaats
en die 6 meter die ons toegezegd zijn. [persoon A] heeft mij toegezegd dat ik die 6 meter
in gebruik mocht nemen.
In 1988 ben ik op het kamp op nummer [J] gaan wonen. Samen met mijn broer [persoon B] , die
toen op nummer [I] woonde, heb ik een schutting om percelen [J] en [I] gezet. Ik had op
nummer [J] een stenen schutting en mijn broer op nummer [I] een houten schutting. Wij
moesten die schuttingen van de gemeente afbreken en dat heb ik ook gedaan. Ik weet niet
meer precies wanneer dat is geweest. Ik weet geen data meer. De gemeente wilde toen in
plaats van onze schuttingen bij nummer [J] en [I] een Heras hekwerk plaatsen. Dat wilden
wij niet. Het was geen Holocaust meer. Toen hebben we een vergunning gekregen voor het
bouwen van een muur op [J] en een schutting op [I] . [persoon B] heeft toen die houten schutting
daar neer gezet.
De raadsheer-commissaris houdt mij een deel van de verklaring van [persoon D]
voor zoals hij die op 7 mei bij u heeft afgelegd. Het gaat om de verklaring op pagina 10 van
het proces-verbaal. U leest mij die verklaring voor en ik zeg u dat het niet klopt wat hij zegt. [persoon B] heeft toen wel degelijk een schutting gezet. Ik zeg niet dat dit een stevige schutting was, maar het was wel een schutting. Ik zeg u verder dat ik overhoop lig met [persoon D] , die mijn zwager is. Ik denk dat hij mij probeert een hak te zetten. Hij komt al jaren niet meer bij.
Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik weet niet meer wanneer ik op nummer [I] ben gaan wonen. Mijn broer ging in [K]
wonen, toen ben ik naar nummer [I] verhuisd. Toen ik er kwam wonen stond de houten
schutting die [persoon B] had geplaatst er nog. Hij was wel kapot. Ik heb hem toen zo goed als het
ging gerepareerd. Ik had toen geen geld voor een nieuwe. De schutting was dicht, ook al was
het ‘waaihout’.
Mijn zoon heeft voor mij op een bepaald moment die houten schutting vervangen. U
Vraagt mij of er tussen moment van vervangen en het afbreken van de oude schutting er een tijdje geen schutting is geweest. Ik weet het niet precies, maar het zal gauw een halfjaar zijn
geweest dat er geen schutting stond. Nu u dit dicteert zeg ik u dat er wel nog een schutting
stond alleen was die kapot. Mijn zoon heeft dus een nieuwe schutting voor mij gezet in
verband met de veiligheid. Ik kreeg allemaal zwervers achter op mijn terrein en in het
schuurtje.
De nieuwe schutting staat er volgens mij alweer zo’n 7 of 8 jaar, maar heel precies weet ik
het niet. Die schutting is gemaakt van houten spanten met daartussen stenen palen.
U vraagt mij of ik de afgelopen jaren controles heb gehad door de gemeente. Er zijn
controles geweest en dat was toen deze nieuwe schutting er al stond. De resten van de oude
schutting lagen nog op het terrein en iemand van de gemeente, van wie ik de naam niet meer
weet, heeft daar nog een rapport over gemaakt. Ik weet niet of er controles door de gemeente
zijn geweest toen de oude houten schutting, die [persoon B] had geplaatst, er nog stond.
Ik heb nooit opmerkingen van de gemeente gehad over die strook van 6 meter en over de
schutting. De schutting was gebouwd met vergunning dus dan ga ik er vanuit dat alles in
orde was.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of de schutting die [persoon B] had neergezet precies volgens de verleende vergunning
was gebouwd. Ik antwoord dat dat volgens mij het geval was, maar zeg dat ik niet zo
technisch ben.
U houdt mij voor dat in een brief van 19 mei 2011 van de gemeente aan mij door de
gemeente wordt meegedeeld dat de vergunning voor die houten schutting van [persoon B] wordt
ingetrokken omdat die schutting nooit gebouwd is. Ik hoor dat de raadsheer-commissaris dat
stuk uit die brief (productie 10 bij inleidende dagvaarding) voorleest. Allereerst zeg ik u dat
ik die brief niet heb gehad. Dan had ik wel bezwaar gemaakt. Het klopt ook niet want er
stond wel degelijk een schutting die mijn broer daar had neergezet.
U vraagt mij of de standplaats en die strook grond een geheel vormen of dat mijn standplaats
nog van die strook grond is afgescheiden. Ik antwoord dat tussen de standplaats en die strook
van 6 meter een muurtje staat. Ik weet dus wat mijn standplaats is.”
[persoon E] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
Ik ben zelfstandige en beheer op dit moment woonwagenlocaties in de regio [A] .
Voorheen verrichtte ik het beheer in de gemeente [A] . In de periode dat ik de
woonwagenlocatie aan de [adres] beheerde, was in eerste instantie de gemeente
[A] eigenaar. Vervolgens is de locatie overgedragen aan Wooninc (niet in eigendom).
Dat was in 2003. Wooninc heeft toen aan mij gevraagd om voor haar het beheer te doen voor
die locatie.
Ik heb in de periode van 2003 tot 2006 het beheer uitgevoerd over de woonwagenlocatie
[adres] . Ik had medewerkers in dienst, waaronder [persoon F] . Mijn activiteiten
heb ik ondergebracht in het bedrijf [xx] B.V. Mijn functie was het namens de
gemeente/Wooninc verrichten van technisch en sociaal beheer. Als voorbeeld van sociaal
beheer noem ik dat als er een betalingsachterstand was bij een bepaalde bewoner, ik in
overleg ging en probeerde een betalingsregeling tot stand te brengen. Met technisch beheer
bedoel ik dat als er gebreken waren op de locatie, ik die ging beoordelen en indien nodig
zorgde voor reparatie.
Ik oefende geen controle uit op bouwwerken die door de bewoners werden gebouwd of op
gronden die de bewoners in gebruik hadden. Dat was ook niet mijn taak. Dat was de taak van
[persoon A] .
Toen de overdracht plaatsvond van de gemeente naar Wooninc heb ik samen met [persoon A]
alle woonwagenlocaties in [A] bezocht. Hij vertelde me wat er speelde en ik
heb kennis gemaakt met de bewoners. Dat was dus in 2003. Ik ben toen ook op de locatie aan
de [adres] geweest. [persoon A] heeft me toen niet verteld dat er sprake was van illegale
bouwwerken.
(…)
Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
U vraagt of ik me kan herinneren hoe het perceel aan de [I] er in 2003 uit
zag. Als ik voor het perceel sta zie ik links een groenstrook met daar omheen een schutting.
Van welk materiaal die schutting was weet ik niet meer. Ik weet ook niet wie in 2003 de
bewoner was van nummer [I] . In mijn beleving is de situatie met betrekking tot nummer
[I] in de periode 2003 tot 2006 hetzelfde gebleven. In die periode is er geen sprake van
geweest dat ambtenaren van de gemeente het perceel nummer [I] hebben gecontroleerd op
illegale bouwwerken.
U vraagt mij of er in de periode van 2003 tot 2006 luchtfoto’s zijn gemaakt van de
woonwagenlocatie aan de [adres] . Ik zeg ja, maar weet het niet zeker. De raadsheer
commissaris vraagt mij waarom ik dan ja zeg. Ik antwoord dat ik weet dat er over de locaties
heen wordt gevlogen en dat er luchtfoto’s werden gemaakt. Ik ben zelf een keer met de
gemeente meegevlogen toen er foto’s werden gemaakt, maar dat was niet over de locatie
[adres] .
Ik heb 1 luchtfoto gezien van de locatie aan de [adres] . Wanneer ik die foto heb
gezien en van welk jaar die foto was, weet ik niet. Ik weet wel dat het een oude foto was. Ik
weet niet waar die luchtfoto’s door de gemeente worden opgeslagen.
Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:
U vraagt mij hoe ik mij op het getuigenverhoor inbeidezaken van vandaag heb voorbereid.
Ik ben met de auto langs de woonwagenlocatie aan de [adres] gereden en heb bij
mezelf heel lang nagedacht over wat ik nog wist. Toen ik erlangs reed heb ik geen vreemde
dingen gezien. Het beeld dat ik in mijn hoofd had klopte nog steeds. Ik ben wel even uit de
auto gestapt maar heb met niemand gesproken.
Ik heb geen stukken uit deze procedure of andere stukken nagelezen in verband met deze
zitting.
Ik heb van mr. Van de Laar gehoord waar het over ging. Ik heb contact met hem gezocht
toen ik de oproep kreeg en heb hem gevraagd waarom ik als getuige moest komen over
zoiets van zo lang geleden. Mr. Van de Laar gaf toen aan dat hij mij over de situatie van toen
vragen wilde stellen. Nu u dit dicteert kan ik een aanvulling daarop verklaren, dat ik ook de
gemeente heb gebeld of ze me in verband met deze zitting wilden helpen aan luchtfoto’s. De
man die ik aan de telefoon had vond het een terechte vraag, maar belde mij na 2 weken terug
en deelde mee dat hij ze niet aan mij mocht geven. Ik kijk na in mijn papieren en ik zie dat ik
gesproken heb met [persoon J] .”
Mevrouw [L] , dochter van [appellante] , heeft het volgende verklaard:
“Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:
U vraagt of ik mij heb voorbereid op dit getuigenverhoor. Ik heb mij niet voorbereid en ik
heb niet met mensen besproken wat ik vandaag zou gaan zeggen. Ik ben wel nog een keer
naar de situatie gaan kijken op perceel nummer [I] aan de [adres] . Er staat daar een schutting van links naar rechts en er tussenin is het bestraat en ligt er gras. Zo lang ik me kan herinneren ziet het perceel eruit zoals het er nu uit ziet. Ik denk dat dat al zo’n 25 jaar het geval is, maar ik weet dat niet zeker. Het kan ook best langer zijn. Ik heb ongeveer 2 of 3 of 4 jaar op nummer [I] gewoond. Helemaal precies weet ik het niet, want het is lang geleden. Voor die tijd heb ik op nummer [J] gewoond. We zijn ongeveer een jaar na het overlijden van mijn vader in 1987 naar de [adres] nummer [J] verhuisd.
De schutting is bij mijn weten altijd aanwezig geweest op nummer [I] . Ook toen ik nog op
nummer [J] woonde, was die schutting er al op nummer [I] . Ik durf niet te zeggen van
welk materiaal die schutting was, dat weet ik niet meer.
Ik ken [persoon A] . Je vroeg hem om hulp als je iets met de gemeente had. Als je een
probleem had met de standplaats of zoiets ging je naar [persoon A] toe.
U vraagt mij of ik weet of [persoon A] of een andere ambtenaar van de gemeente
toestemming heeft gegeven om die schutting op nummer [I] te plaatsen en om die
groenstrook te gebruiken. Ja, [persoon A] regelde dat allemaal. Ik kan niet meer zeggen
of ik dat van hem zelf heb gehoord.
Ik weet niet of de gemeente nummer [I] regelmatig heeft gecontroleerd op illegale
bouwwerken. Ik kan geen antwoord op die vraag geven.
Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:
Toen ik op nummer [J] woonde aan de [adres] , woonde mijn oom [persoon B] op
nummer [I] . Toen [persoon B] daar woonde stond er al een schutting om de groenstrook heen.
En toen ik ging wonen op nummer [I] stond die schutting er nog steeds.”