Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:947

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/1022
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a Wet op de loonbelasting 1964Art. 27e lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArtikel 67a AWRArtikel 9 lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag gebruikelijk loon 2019 ondanks detentie en niet-ingediende aangifte

Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een B.V., heeft geen aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over 2019 ingediend. De inspecteur stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van €45.000, gebaseerd op de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB. Belanghebbende voerde aan dat het gebruikelijk loon lager moest zijn vanwege detentie van enkele maanden in 2019 en het ontbreken van werkzaamheden.

Het hof oordeelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn bewijslast om aan te tonen dat het gebruikelijk loon lager is dan €45.000. Het ontbreken van aangifte en het niet verstrekken van gevraagde informatie over de financiële situatie van de B.V. maken het onmogelijk om het loon op een lager bedrag vast te stellen. De detentieperiode en de stelling dat er geen activiteiten waren, zijn onvoldoende onderbouwd.

De verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte is terecht opgelegd, aangezien geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. De belastingrente blijft eveneens in stand. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag gebruikelijk loon van €45.000 en de verzuimboete, en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1022
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juni 2024, nummer BRE 23/2934, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) 2019 opgelegd (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen: [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is vanaf de oprichting op 9 februari 2017 enig aandeelhouder in en bestuurder van [B.V.] ( [B.V.] ). In 2019 was dat ongewijzigd.
2.2.
Belanghebbende staat vanaf 19 maart 2019 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op [adres] in [woonplaats] .
2.3.
Tot de stukken van het geding behoren kopieën van brieven van de Belastingdienst aan belanghebbende van 28 februari 2020, 8 juni 2021 en 20 augustus 2021, waarbij belanghebbende respectievelijk wordt uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 te doen. De uitnodiging, de herinnering en de aanmaning zijn geadresseerd aan het in 2.2 vermelde adres van belanghebbende in [woonplaats] . In de aanmaning staat dat de aangifte vóór 3 september 2021 door de inspecteur moet zijn ontvangen.
2.4.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend.
2.5.
Tot de stukken van het geding behoort een zogenoemde detentieverklaring die is verstrekt door Dienst Justitiële Inrichtingen, met dagtekening 22 april 2025. In deze detentieverklaring staat onder meer:
“U heeft mij verzocht de onderstaande gegevens aan u te verstrekken.
Naam : [belanghebbende]
Geboren : [geboortedatum]
Begin Detentie : 15-05-2019
Einde Detentie : 03-10-2019”
2.6.
Tevens behoort tot de stukken van het geding een brief van PJ Professionals met als onderwerp: Informatie begeleiding en leefsituatie cliënt – [belanghebbende] , geboortedatum [geboortedatum] .
2.7.
In de bezwaarfase heeft de inspecteur belanghebbende onder meer verzocht de bankafschriften en de jaarstukken van [B.V.] voor het jaar 2019 over te leggen. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd.
2.8.
[B.V.] heeft voor het jaar 2019 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend.
2.9.
Met dagtekening 16 juni 2022 is de aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.000, geheel bestaande uit gebruikelijk loon. Tevens is bij beschikking € 942 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete van € 385 opgelegd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag te hoog is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en herroeping van de aanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
De aanslag
4.1.
Hoewel vaststaat dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en dat daardoor omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast, ziet het hof aanleiding om de hoogte van de aanslag eerst te beoordelen via de normale bewijslastverdeling.
4.2.
Artikel 12a, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) bepaalt dat ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste wordt gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:
75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
Het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen;
€ 45.000.
4.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat het gebruikelijk loon te hoog is vastgesteld en voert daartoe aan dat hij in 2019 gedetineerd is geweest en dat hij in die periode geen werkzaamheden voor [B.V.] heeft kunnen verrichten. Het gebruikelijk loon zou daarom moeten worden vastgesteld op maximaal € 22.500, aldus belanghebbende.
4.4.
Niet in geschil is dat de zogeheten gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB van toepassing is op de situatie van belanghebbende. Voor de waardering van het gebruikelijke loon op een lager bedrag dan € 45.000 rust de bewijslast op belanghebbende.
4.5.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV over het jaar 2019 ingediend, noch heeft hij, als bestuurder van [B.V.] , een aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2019 ingediend. Ook heeft belanghebbende niet gereageerd op het verzoek van de inspecteur om de bankafschriften en de jaarstukken van [B.V.] voor het jaar 2019 over te leggen. Ook anderszins heeft belanghebbende geen enkele informatie aan de inspecteur verstrekt over zijn rol in [B.V.] of de (vermogens)positie van [B.V.] in 2019. Tot op heden heeft belanghebbende voornoemde informatie niet gegeven. Dit maakt onder meer dat niet kan worden vastgesteld wat het eerste in artikel 12a, lid 1, Wet LB genoemde bedrag, namelijk 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, is. Daarmee is ook niet te bepalen wat het hoogste van de drie in artikel 12a, lid 1, Wet LB genoemde bedragen is. Deze onduidelijkheid dient voor rekening en risico van belanghebbende te komen, aangezien op hem de bewijslast rust dat het gebruikelijk loon lager is dan € 45.000. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gebruikelijk loon lager dan € 45.000 zou moeten zijn. Het feit dat belanghebbende in 2019 een aantal maanden in detentie heeft gezeten (zie 2.5) is daarvoor onvoldoende. Ook de stelling van belanghebbende dat er in 2019 geen activiteiten meer zijn ontplooid in [B.V.] maakt dit niet anders, alleen al omdat deze stelling niet met feiten of stukken is onderbouwd en de juistheid van de stelling ook anderszins niet aannemelijk is gemaakt.
4.6.
De conclusie is dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.
De belastingrentebeschikking
4.7.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de aanslag in stand blijft, ziet het hof geen aanleiding om de gegeven beschikking belastingrente te verminderen dan wel te vernietigen.
De verzuimboete
4.8.
Aan de belastingplichtige, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd. [1] Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van zeven procent van het wettelijk maximum van € 5.514, ofwel € 385. [2]
4.9.
Niet in geschil is dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte en dat hij die aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan. De verzuimboete is dan ook in beginsel terecht opgelegd.
4.10.
Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid van belanghebbende. Wel moet bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) van belanghebbende het opleggen van een verzuimboete achterwege blijven. Op belanghebbende rust de last om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat sprake is van avas.
4.11.
Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van avas, alleen al omdat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot een dergelijke conclusie zouden moeten leiden. Het hof heeft acht geslagen op de door belanghebbende overgelegde brief van PJ Professionals, maar ziet hierin geen aanleiding voor matiging van de boete. Ook overigens ziet het hof in de omstandigheden van het geval geen aanleiding voor matiging en acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 67a AWR in samenhang met artikel 9, lid 3, AWR.
2.Paragraaf 21, lid 2, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.