Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te
[Z]van 14 Mei 1954 betreffende den aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1945 opgelegd aan
[X]aldaar;
Hoge Raad
Belanghebbende, een Joodse vrouw die in 1942 door de bezettende macht uit Nederland werd gedeporteerd naar concentratiekampen in Duitsland, keerde pas op 25 juli 1945 terug naar Nederland. Haar gehele vermogen in Nederland werd tijdens haar afwezigheid in beslag genomen en deels geliquideerd. De Inspecteur legde haar een vermogensbelastingaanslag op over het gehele jaar 1945, maar de Raad van Beroep stelde vast dat zij van 1 januari tot 25 juli 1945 geen woonplaats in Nederland had in de zin van de Wet op de Vermogensbelasting 1892.
De Hoge Raad bevestigde deze uitspraak en overwoog dat de omstandigheden van de bezetting en deportatie zodanig waren dat er geen sprake was van een duurzame woonplaats in Nederland gedurende die periode. De wil van belanghebbende om Nederland te verlaten was niet relevant, omdat zij tegen haar wil was weggevoerd en er geen economische of sociale banden bestonden. De aanslag moest daarom worden berekend over slechts vijf maanden van 1945.
Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris van Financiën, die stelde dat belanghebbende wel bleef wonen in Nederland omdat zij tegen haar wil was weggevoerd en direct na bevrijding terugkeerde, werd verworpen. De Hoge Raad vond dat de feitelijke situatie en de invloed van de bezettende macht doorslaggevend waren voor de woonplaatsbepaling. De uitspraak van de Raad van Beroep bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Belanghebbende had van 1 januari tot 25 juli 1945 geen woonplaats in Nederland, waardoor de vermogensbelastingaanslag over 1945 werd verminderd.