Uitspraak
F.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
[X]te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep aldaar van 1 Februari 1954 betreffende den aan belanghebbende voor het jaar 1948 opgelegden aanslag tot navordering van inkomstenbelasting;
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1948 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd, gebaseerd op een winstberekening met een te hoog winstpercentage. Belanghebbende betwistte de navordering en stelde dat de inspecteur het onderzoek niet had moeten afwachten voordat de aanslag werd vastgesteld.
De Raad van Beroep oordeelde dat er sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde en dat het toegepaste winstpercentage redelijk was, hoewel het werd verminderd van 100% naar 10% verhoging. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak omdat de inspecteur een ambtelijk verzuim had gepleegd door de aanslag vast te stellen zonder het onderzoek af te wachten.
De Hoge Raad benadrukte dat het verzoek van belanghebbende om het opleggen van een nadere aanslag uit te stellen werd gehonoreerd, maar dat belanghebbende vervolgens geen nadere inlichtingen verstrekte. De Raad van Beroep moet nu opnieuw beoordelen of het vermoeden van onjuiste aangifte voldoende was om navordering toe te staan.
Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat het winstpercentage dat de inspecteur gebruikte, gebaseerd op betrouwbare bronnen, niet onjuist was zolang belanghebbende geen concreet bewijs leverde van een lager percentage. De verhoging van de belasting werd beperkt tot 10% vanwege persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, maar dit vond geen wettelijke grondslag.
De zaak wordt terugverwezen naar de Raad van Beroep voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van de arrestpunten.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt uitspraak Raad van Beroep en verwijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling navordering en winstpercentage.