Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen aldaar van 13 Februari 1957, betreffende den aan wijlen
[A]te [Q] opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1949;
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag hoe de verkrijgingsprijs van aandelen, verkregen krachtens erfrecht binnen een aanmerkelijk belang, moet worden vastgesteld voor de inkomstenbelasting. Appellante had aandelen in een vennootschap geërfd en verkocht deze later. De Inspecteur stelde de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen gelijk aan de in de successiememorie aangegeven waarde, die nihil was.
Appellante betwistte dit en stelde dat de verkrijgingsprijs gelijk moest zijn aan het bedrag dat haar echtgenoot oorspronkelijk voor de aandelen had betaald, omdat bij verkrijging onder algemene titel geen tegenprestatie is. De Raad van Beroep bevestigde echter de Inspecteur en oordeelde dat de waarde in de successiememorie als verkrijgingsprijs geldt.
De Hoge Raad oordeelde dat de artikelen 19 en 21 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 zo moeten worden uitgelegd dat bij verkrijging onder algemene titel de verkrijgingsprijs wordt gesteld op de waarde van de aandelen ten tijde van het overlijden van de erflater. Dit is in overeenstemming met het systeem van heffing en het verband tussen de winst bij vervreemding en de winst die de vennootschap gedurende het bezit heeft behaald. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen wordt gesteld op de waarde ten tijde van overlijden, nihil in dit geval.