ECLI:NL:PHR:1998:AA2569
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verkrijgingsprijs krachtens erfrecht verkregen aandelen in aanmerkelijk belang
In deze zaak stond de vraag centraal hoe de verkrijgingsprijs moet worden vastgesteld van aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen en die deel uitmaken van een aanmerkelijk belang. De aandelen waren in 1978 verkregen door de erven na het overlijden van C, die sinds 1939 in Engeland woonde. De belanghebbenden stelden dat de verkrijgingsprijs gelijk moet zijn aan de waarde in het economische verkeer op het moment van overlijden van C. De Inspecteur stelde daarentegen dat de verkrijgingsprijs gelijk is aan de prijs waarvoor C de aandelen had verkregen.
Het gerechtshof Arnhem had de belanghebbenden in het gelijk gesteld. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de bepalingen in art. 39, leden 9 en 10, Wet IB 1964, die een fiscale claim van de erflater willen veiligstellen, geen toepassing vinden indien bij het overlijden van de erflater geen fiscale claim bestond vanwege verdragsregels of het ontbreken van een binnenlands aanmerkelijk belang.
De Hoge Raad benadrukt dat het verzoek ex art. 39, lid 10, Wet IB 1964, dat een afrekening mogelijk maakt, in gevallen als deze geen zelfstandige functie heeft omdat het niet tot heffing bij de erflater kan leiden. Daarom is de verkrijgingsprijs van de erven gelijk aan de waarde van de aandelen op het moment van overlijden van de erflater. Het beroep van de Staatssecretaris wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt verworpen; de verkrijgingsprijs wordt bepaald op de waarde van de aandelen op het moment van overlijden van de erflater.