Uitspraak
[requirant], geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1898, koopman, wonende te
[woonplaats], requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 April 1958, waarbij, met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 24 December 1957, requirant ter zake van “I. Opzettelijk een onjuiste of onvolledige opgaaf voor inschrijving in een handelsregister verrichten of doen verrichten; II. Een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren”; met aanhaling van de artikelen 27, 57, 91 en 326a van het Wetboek van Strafrecht, 33 lid 1 en 3 van de Handelsregisterwet Stbl. 1918 no. 493, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor den tijd van een jaar en zes maanden, met aftrek van den tijd tot aan de uitspraak van het arrest in voorlopige hechtenis doorgebracht;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Feber;
“I. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen: 175 der Grondwet, 20 van de Wet op de Regterlijke Organisatie, 338, 339, 348, 349, 350, 351, 352, 358, 359 inv. ggk.
Gehoord den Advocaat-Generaal van Oosten namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;
ter zitting van 6 november 1957 (proces-verbaal p. 4) verklaarde requirant met betrekking tot een leverantie van een boek ad f. 36,-- door de firma van Heteren:
“Toen ik directeur van Interocean was geworden, kon ik dat bedrag niet betalen omdat, zoals ik reeds eerder heb verklaard, [betrokkene 1] de kas der N.V. geheel leeggeplunderd had;”