Uitspraak
Zuivelfabriek en Melkinrichting “De Verenigde Melkbedrijven” (V.M.),gevestigd te Utrecht, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, mede advocaat bij den Hogen Raad;
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de werknemer aanspraak kon maken op huurbescherming voor een dienstwoning die hij van zijn werkgever ter beschikking had gekregen. De arbeidsovereenkomst van eiser eindigde, waarna de werkgever vorderde dat de werknemer de woning zou ontruimen. De werknemer betoogde dat hij huurbescherming genoot en zich daarom niet hoefde te ontruimen.
De kantonrechter wees de vordering af wegens huurbescherming, maar de rechtbank vernietigde dit en oordeelde dat het hier een dienstwoning betrof waarvoor geen huurbescherming geldt. De Hoge Raad stelde vast dat de overeenkomst een gemengde arbeid- en huurovereenkomst was, waarbij de huurovereenkomst deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad benadrukte dat huurbescherming ook op dergelijke gemengde overeenkomsten van toepassing kan zijn, tenzij de woning onlosmakelijk verbonden is aan de aard van de arbeid.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. Hiermee werd bevestigd dat huurbescherming niet automatisch uitgesloten is bij dienstwoningen die onderdeel zijn van een gemengde overeenkomst, en dat de belangen van werknemer en werkgever zorgvuldig moeten worden afgewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met toepassing van de Huurwet op de gemengde arbeid- en huurovereenkomst.